De blijvende betekenis van de Torah in het Nieuwe Testament
Geert ter Horst
I. INLEIDING: DE VERVANGING VAN DE SABBAT DOOR DE ZONDAG
Gods scheppingsweek begint met de zondag en eindigt in de sabbatsrust: “…God heeft de zevende dag gezegend, en die geheiligd; omdat Hij daarop gerust heeft van al Zijn werk, dat God geschapen had, om te volmaken”. Zo eindigt het verhaal over de scheppingsdagen (Gn.2:3). De Christenheid is er echter in de loop der tijden toe gekomen de sabbatsrust door de zondagsrust te vervangen. Vragen die naar aanleiding van deze vervanging opkomen zijn: Onder welke leidende gedachte of inspiratie is deze vervanging geschied? En: Was deze vervanging gewettigd? In het onderstaande zullen we pogen op de laatste vraag een antwoord te geven. Vanuit dit antwoord valt dan mogelijkerwijs ook licht op de eerste vraag.
Ter beantwoording van de vraag naar de legitimiteit van de vervanging van de sabbat door de zondag voeren degenen die de historische gang van zaken willen verdedigen meestal twee soorten van redenen aan. In de eerste plaats zoekt men deze vervanging terug te voeren op het Nieuwe Testament. Men voert dus bijbelse redenen aan. Daarnaast worden er systematisch-theologische redenenen aangedragen. We zullen hier in kort bestek deze twee wijzen van argumenteren nalopen, en zo pogen te ontdekken of de vervanging van de sabbat door de zondag terecht is geweest.
Sommigen hebben reeds in Christus’ houding ten opzichte van de sabbat gedurende zijn aardse leven de kiemen menen te ontdekken van een afschaffing van de sabbat. Op deze positie gaan we hier niet uitgebreid in. We willen er slechts op wijzen dat ze naar onze overtuiging de toets van een nauwkeurige tekstuitleg van de Evangeliën niet kan doorstaan. Alle discussies van Jesus met met name de Farizeën handelen over de juiste wijze van sabbatsviering. Ze betreffen nimmer de (legitimiteit van) de sabbat als zodanig. Deze discussies moeten gezien worden in de context van de overige discussies over de Torah.
We wijzen in dit verband slechts op een enkel incident, de genezing van de lamme te Bethesda (Jh.5:1-18). Jesus verrichtte niet slechts deze genezing op de sabbat, maar beval de genezene daarenboven zijn bed te dragen ten teken van zijn genezing (:8), hetgeen tegen het sabbatsgebod ingaat (Jr.17:21-22). Deze handelwijze beoogt geenszins de afschaffing van de sabbat. Zij stelt slechts dat het in bijzondere gevallen geoorloofd is de sabbat te breken. Terwille van een groter gebod, of terwille van een groter heil. Jesus wijst er zelf op dat het algemeen aanvaard is de besnijdenis op de sabbat te verrichten (Jh.7:22). Wanneer de achtste dag na de geboorte op een sabbat valt, komt immers het besnijdenisgebod in conflict met het werkverbod van de sabbat. Niettemin voert men dan de besnijdenis uit op de sabbat, daar in dit geval aan het besnijdenisgebod de voorrang wordt gegeven boven het sabbatsgebod. A fortiori dient nu, zo stelt Jesus, het sabbatsgebod te wijken terwille van de gezondmaking van de gehele mens, waarvan de besnijdenis slechts een teken is (Jh.7:23). Deze gehele redenering veronderstelt dus juist dat het sabbatsgebod van kracht is en van kracht blijft, niet dat het is afgeschaft of zal worden afgeschaft. En nauwkeurige lezing van de teksten der Evangeliën zal duidelijk maken dat de questie van de afschaffing van de sabbat daar nergens in het geding is.
Meestal poogt men overigens niet het afschaffen van de sabbat te rechtvaardigen via uitspraken van Jesus gedaan tijdens zijn aardse leven. Men wijst vooral op de verschijningen van de verrezen Heer die plaatsvonden op de eerste dag der week. En men wijst op enkele teksten in de Handelingen der Apostelen, de eerste Corinthe-brief en de Openbaring van Johannes. Alles teksten uit de situatie na de verrijzenis. Op deze nieuwtestamentische gegevens zullen we nu ingaan.
We veroorloven ons vooraf op te merken dat er geen enkele tekst in het Nieuwe Testament is waarin enig voorschrift te vinden is dat betrekking heeft op het vieren van de eerste dag der week of de zondag. In het licht van het in het Oude Testament geopenbaarde aangaande de sabbat, en van de ten tijde van het Nieuwe Testament bestaande Joodse praktijk van de sabbatsviering moest dit feit naar onze mening reeds beslissend zijn. Temeer daar in het Nieuwe Testament, en vooral in de brieven van Paulus, wel op tal van andere punten uitdrukkelijke voorschriften worden gegeven.
II. TEKSTEN UIT HET NIEUWE TESTAMENT
1. Volgens de gebruikelijke vertaling: “de eerste dag der week”
Als belangrijk voor de fundering van de zondagsviering gelden de vermeldingen van de verschijningen van de verrezen Christus aan de apostelen op de avond van de opstandingsdag zelf en acht dagen later:
“Toen het dan avond was, op die eerste dag der week, en toen de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren uit vrees voor de Joden, kwam Jesus en stond in hun midden, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden!” (Jh.20:19).
“En na acht dagen waren zijn discipelen weer binnen, en Thomas met hen; en Jesus kwam, toen de deuren gesloten waren, en stond in het midden, en zeide: Vrede zij ulieden!” (Jh.20:26).
We komen in de eerste tekst in aanraking met de uitdrukking: “de eerste dag der week”. We vermelden reeds hier dat aan deze vertaling van de Griekse uitdrukking die erdoor wordt weergegeven complicaties kleven. We zullen echter voorlopig veronderstellen dat de gegeven vertaling juist is, en ingaan op de teksten zoals deze in de boven gegeven (en algemeen aanvaarde) vertaling luiden. Eerst daarna zullen we op de complicaties ingaan.
Naar de gevolgde (en gebruikelijke) vertaling hebben we hier te maken met twee verschijningen op de eerste dag der week (Jh. 20:19,26). Hiervan uitgaande stellen we vast dat deze verschijningen ongetwijfeld ten doel hadden de apostelen van de waarheid van de verrijzenis te doordringen. Er kan echter niets uit afgeleid worden wat betreft een regelmatige zondagsviering. En er kan al helemaal niets uit afgeleid worden over zoiets ingrijpends als de veronderstelde afschaffing van de sabbat. Bovendien wordt de herhaling van de verschijning voldoende gemotiveerd door de afwezigheid van Thomas op de verrijzenisdag zelf. Uit niets blijkt dat Christus met deze verschijningen iets anders op het oog had dan zijn apostelen te doordringen van zijn verrijzenis op de dag na de sabbat van het Paasfeest, de eerste dag der week. Dat de apostelen juist toen bijeen waren is niet verwonderlijk, daar zij te dien tijde, na de grote gebeurtenissen te Jeruzalem, bijna voortdurend bijeen waren (vgl. Hd.1:13).
Drie teksten worden in het bijzonder aangevoerd ter fundering van de zondagsviering: 1.Cr.16:1-3; Hd.20:7-12; Op.1:10. Deze zullen we nu achtereenvolgens behandelen.
1.Cr.16:1-3: “Aangaande nu de inzameling, die voor de heiligen geschiedt, zoals ik aan de gemeenten in Galatie verordend heb, doet ook gij alzo. Op elke eerste dag der week, legge ieder van u iets bij zichzelf weg, vergaderende een schat, naardat hij welvaren verkregen heeft; opdat de inzamelingen niet eerst beginnen, wanneer ik gekomen zal zijn. En wanneer ik daar zal gekomen zijn, zal ik hen, die gij bekwaam zult achten, door brieven zenden, om uw gave naar Jerusalem over te dragen.”
Er zijn allerlei pogingen ondernomen om deze teksten zo uit te leggen dat eruit volgt dat de zondag reeds te dien tijde een dag van christelijke samenkomst was, waarbij collectes voorkwamen. In feite is er echter niets in de tekst te vinden dat wijst op het houden van samenkomsten. Daarentegen is de duidelijke betekenis van de tekst dat iedereen wekelijks iets bij zichzelf, dus in zijn eigen huis, apart zou leggen, en zo een schat zou vergaderen. Het gaat hier niet over een vergadering van gelovigen maar over een vergadering van gelden. Wanneer Paulus de eerste dag der week als een dag van eredienst en samenkomst zou beschouwen zou het voor de hand hebben gelegen dat er op de samenkomst een inzameling zou zijn, maar dit is juist uitgesloten door het Griekse woord thesaurizon, vertaald door “vergaderende een schat”. Het gebruik van dit woord wijst ondubbelzinnig op het bijeenstapelen van geld “bij zichzelf”, wat in het geheel niet plaatsvindt, wanneer het geld iedere week in een samenkomst wordt bijeengezameld.
Blijft over de vraag waarom het geld speciaal op de eerste dag der week moest worden weggelegd. Hiervoor had de apostel waarschijnlijk zowel praktische als theologische redenen. Wil men een som opzij leggen, dan moet men dit aan het begin van een periode (week, maand) doen, en niet op het eind, om te voorkomen dat het er niet meer van komt of dat er minder wordt gespaard dan men zich had voorgenomen. Daarbij komt dat het voor Joden (dus ook voor de apostel) ondenkbaar zou zijn zich op sabbat, de laatste dag der week, met geldzaken of -berekeningen bezig te houden. Wat is er nu vanzelfsprekender dan dat men meteen op de dag waarop men weer met zijn eigen zaken bezig is, de dag na de sabbat, dus de eerste dag der week, het geld voor de te houden inzameling opzij zet? Deze teksten bevestigen bijgevolg veeleer de handhaving van de sabbat dan haar vervanging door de zondag.
Hd.20:7-12: “En op de eerste dag der week, toen de discipelen bijeengekomen waren om brood te breken, handelde Paulus met hen, zullende de volgende dag vertrekken; en hij strekte zijn rede uit tot de middernacht. En er waren vele lichten in de opperzaal waar zij vergaderd waren. En een zeker jongeling, met name Eutychus, zat in het venster en met een diepe slaap overvallen zijnde, alzo Paulus lang tot hen sprak, door de slaap neerstortende, viel van de derde verdieping nederwaarts, en werd dood opgenomen. Doch Paulus, afgekomen zijnde, viel op hem, en hem omvangende, zeide hij: Weest niet ontsteld; want zijn ziel is in hem. En toen hij weer naar boven gegaan was, en brood gebroken en wat gegeten had, en lang, tot de dageraad toe, met hen gesproken had, vertrok hij alzo. En zij brachten de knecht levend, en waren bovenmate vertroost.”
Deze passage wordt veelal gezien als het verslag van een Christelijke bijeenkomst op zondag, waarbij Eucharistie (Avondmaal) wordt gevierd en een woordbediening plaatsvindt. Gesteld (niet toegegeven) dat dit het geval zou zijn, gaat het veel te ver om uit deze ene samenkomst een regelmatige zondagsviering af te leiden. Voor wie nauwkeurig toezit is het niet eens zondermeer duidelijk wanneer de bijeenkomst plaats vond. Met name is onduidelijk of hier door Lucas met Joodse dagen (die lopen van avond tot avond) of met Romeinse dagen (die lopen van middernacht tot middernacht) is gerekend. Is het eerste het geval, dan valt de bijeenkomst na sabbat-einde, dus op zaterdagavond. Dan is de bijeenkomst echter veeleer een voorbeeld van een verlenging van de sabbatsviering. Dit was en is in Joodse kring niet ongebruikelijk. Veelal wordt de avond na sabbat-einde doorgebracht met nog een extra maaltijd. Zo bezien wijst de tekst dus weer juist op het belang van de sabbat, niet van de zondag. Bovendien vertrekt Paulus volgens deze berekening op de dageraad van de zondagochtend. Ook al geen fijn staaltje van zondagsheiliging. Is echter door Lucas met Romeinse dagen gerekend, dan valt de samenkomst op zondagavond. Paulus’ rede echter duurt tot middernacht. Het broodbreken vindt, zoals de tekst aangeeft (:11), eerst daarna plaats. Dit heeft tot onvermijdelijk gevolg dat de broodbreking dan in feite op maandag valt. Beide mogelijkheden vallen dus onfortuinlijk uit voor de zondag.
Hierbij is er nog van afgezien dat het broodbreken waarvan in de tekst sprake is naar alle waarschijnlijkheid niets te maken had met een Eucharistische viering ofwel het Avondmaal. “Broodbreken” was een heel gebruikelijke uitdrukking voor maaltijd houden in het algemeen.
Op.1:10: “En ik was in de geest op de dag des Heren”. De poging uit deze tekst het belang van de zondag af te leiden staat wel bijzonder zwak. In de eerste plaats moet men dan kunnen aantonen dat de hierbedoelde dag des Heren de zondag is. Dit poogt men te doen door de tekst in verbinding te brengen met de uitdrukking “maaltijd des Heren” bij Paulus (1.Cr.11:20). Dit helpt echter niet veel. Men moet dan immers eerst aantonen dat de maaltijd des Heren op zondag werd gehouden, wat in het licht van het voorafgaande erg twijfelachtig is. Bovendien is lang niet zeker dat de door Johannes gebezigde uitdrukking in het geheel niet op een gewone dag betrekking heeft, doch op de toekomstige dag des oordeels. Dit lijkt in de context van het boek Openbaring zelfs de meest waarschijnlijke uitleg. Doch de aangehaalde tekst is een zo zwak argument voor de zondagsviering dat dit laatste er eigenlijk in het geheel niet toe doet. Op geen enkele manier kan met behulp van bijbelse gegevens worden afgeleid dat de dag des Heren de zondag is.
Uit het geheel van de beschouwde teksten mogen we afleiden dat er in het Nieuwe Testament geen sprake is van de afschaffing van de sabbat, of van de vervanging van de sabbat door de eerste dag der week, de zondag.
2. Kritische kanttekeningen bij de gebruikelijke vertaling: “de eerste dag der week’’
Dit blijkt nog duidelijker wanneer we de uitdrukking “de eerste dag der week” kritisch onderzoeken, en nagaan wat het Griekse aequivalent van deze vertaling is. In dit onderzoek volgen we hetgeen S. van Mierlo over deze uitdrukking heeft opgemerkt in: Het Goddelijk Voornemen (Aanhangsel 4). We geven het daar uitgewerkte hieronder bijkans letterlijk weer.
Allereerst een lijst van de teksten waar de vertalingen de uitdrukking “de eerste dag der week’’ gebruiken:
Mt.28:1 eis mian sabbatôn;
Mc.16:2 tè mia tôn sabbatôn;
Mc.16:9 prôtès sabbatôn;
Lc.24:1 tè de mia tôn sabbatôn;
Jh.20:1 tè de mia tôn sabbatôn;
Jh.20:19 tè èmera ekein tè mia sabbatôn;
Hd.20:7 tè mia tôn sabbatôn;
1.Cr.16:2 kata mian sabbatôn.
Men vertaalt het Griekse “mia” door “eerste”. Letterlijk is het “een”, zoals bijv. blijkt uit Mt.21:19 (een vijgeboom); 26:69 (een dienstmaagd); Mc.12:42 (een arme weduwe) enz. Voor “eerste” heeft het Grieks het woord “prôtè”.
Het woord “dag” komt in die teksten niet voor na “mia”. Doch het is duidelijk dat men “dag” moet bijvoegen, want “mia” is vrouwelijk en kan dus niet rechtstreeks betrekking hebben op “sabbaton” dat onzijdig is. Ook in Mt.26:17 moet men “dag” bijvoegen, en er is dus geen bezwaar het ook in de bovenstaande teksten te doen.
Voor wat “sabbatôn” betreft, loochent niemand dat het de meervoudsvorm is van “sabbaton” (sabbat). Doch men beweert dat het een idiomatische uitdrukking is voor “week”. En men vertaalt dan: “eerste dag der week”, in plaats van: “een (dag) der sabbatten”.
Nu is het zeker nodig steeds rekening te houden met taalkundige bijzonderheden. Doch voor men besluit volgens een taaleigen te vertalen moet men nagaan of er wel een zeer goede reden is om zulks te doen, en of de context zelf er niet op wijst dat een letterlijke vertaling noodzakelijk is.
De Griekse tekst van het Nieuwe Testament gebruikt 26 maal het meervoud “sabbatôn”. De Statenvertaling vertaalt dit meervoud door “week”, “sabbat”, “dag des sabbats” of “sabbatdag”. Doch in Hd.17:2 en Cl.2:16 waren de vertalers wel genoodzaakt “sabbatten” te schrijven. In Mc.3:4, Lc.4:31 en 6:9 gebruikten ze ook het meervoud.
Het is voor de hand liggend het Oude Testament te onderzoeken voor de betekenis van dit woord. We vinden er 31 maal het meervoud en de Septuagint gebruikt ook telkens het meervoud. Daarentegen heeft het Hebreeuws het woord “shah-vôag” voor “week” (“hebdomas” in de Septuagint). Het woord voor “week” heeft de algemene betekenis “zevental”, en is dus zeer duidelijk onderscheiden van “sabbat” dat een “ophouden” aanduidt.
Nu kan een zeker tijdsverloop evengoed door een aantal weken als door een aantal sabbatten aangeduid worden, en men kan dus evengoed spreken van het feest der “weken” als van het feest der “sabbatten”. Doch daaruit kan men natuurlijk niet besluiten dat men steeds “week” voor “sabbatten” mag schrijven.
Als men al de teksten van het Oude Testament onderzoekt waarin “sabbatten” voorkomt, ziet men zeer duidelijk dat men dit letterlijk moet nemen voor een reeks sabbatdagen, hetzij wekelijkse, hetzij jaarlijkse rustdagen. We vestigen in het bijzonder de aandacht op Lv.23:15-16:
“Daarna zult gij u tellen van de andere dag na de sabbat, van de dag, dat gij de garf van het beweegoffer zult gebracht hebben; het zullen zeven volkomen sabbatten zijn; tot de andere dag, na de zevende sabbat, zult gij vijftig dagen tellen, dan zult gij een nieuw spijsoffer aan de Here offeren.”
Die reeks van zeven sabbatten duidde het tijdsverloop aan tussen Pesach en het Wekenfeest (Pinksterfeest). We zien dus dat het meervoud “sabbatten’’ een heel bepaalde betekenis kan hebben, en dat men zeer voorzichtig moet zijn vóór men het meervoud “sabbatten” vertaalt door het enkelvoud “week”.
Als nu zou blijken dat al de teksten van het Nieuwe Testament waar men vertaald heeft “de eerste dag der week”, juist handelen over de 49 dagen tussen Pesach en het Wekenfeest, zou het dan niet duidelijk zijn dat het niet gaat over gelijk welke sabbatten, en zeker niet over een week, doch over de zeven sabbatten van Lv.23?
Welnu, het is inderdaad zo. Vooreerst is dat zeer duidelijk in de Evangelien. Er blijven dan nog twee andere plaatsen over. In Hd.20:7 wordt gesproken over een dag die volgt op de dagen der ongedesemde broden (:6), en die gevolgd wordt door het Pinksteren (:16). Ook in 1.Cr.16:2 wordt die dag kort daarna gevolg door Pinksteren (:8). Hieruit blijkt dus duidelijk dat men verplicht is letterlijk te vertalen: “op een [dag] der sabbatten”. Het gaat hier niet over een dag van gelijk welke week, maar over een dag in een heel bijzondere periode van het jaar. Vraagt men dan, in verband met Paulus’ oproep tot een bijdrage, of men niet iedere week iets moest wegleggen (zie boven), dan is het antwoord ontkennend. Het gaat hier over de waarneming van wat Dt.16:10 voorschreef: gedurende het wekenfeest diende men een vrijwillige schatting te geven. Paulus vraagt die jaarlijkse gaven te verzamelen vóór zijn komst.
Dit alles leert ons dat de Joodse gelovigen van de tijd der Handelingen de wekelijkse sabbat niet vervangen hadden door de zondag, en bevestigt dat ze getrouw de feesten des Heren bleven houden, evenals alle ceremoniën der Torah. Tot zover Van Mierlo’s betoog.
We zien dus dat zowel wanneer we de gebruikelijke vertaling: “de eerste dag der week” volgen, als wanneer we dit niet doen, er geen bewijs te leveren valt voor een observantie van de zondag in het Nieuwe Testament.
3. Andere teksten uit het Nieuwe Testament ten gunste van de sabbat, tegen de zondag
Er zijn evenwel ter andere zijde enige passages te noemen die het geheel en al onmogelijk maken te houden dat de sabbat in het Nieuwe Testament werd afgeschaft of door een andere dag werd vervangen, namelijk Hd.21:15-26 en Hd.23:6.
In Hd.21:20 berichten de broeders uit Jerusalem aan Paulus: “Gij ziet, broeder, hoevele duizenden van Joden er zijn, die geloven; en zij zijn allen ijveraars voor de Torah”. Dit houdt in ieder geval in dat de in de Messias gelovende Joden de sabbat in acht namen. En dit betekent vanzelf dat ook de toegevoegde heidenen de sabbat hielden. Weliswaar werden de Christenen uit de heidenen niet onmiddellijk onder alle specifiek Joodse sabbatswetten gesteld. Er is evenwel geen reden om aan te nemen dat de Gemeente niet zoals iedere synagoge op sabbat bijeen kwam. En ook de gelovigen uit de heidenen dienden dus, wilden zij aanwezig zijn, de sabbat voor een groot deel vrij te houden, en te groeien in de observantie ervan.
Om als gelovigen in gemeenschap aanvaard te worden waren voor de heiden-christenen vooreerst vier dingen noodzakelijk, namelijk datgene wat door Jacobus was voorgesteld en door de vergadering van de apostelen en oudsten te Jerusalem was aanvaard en bepaald (Hd.15:1-29). Dit vastgestelde had echter de betekenis van een volstrekt minimum, niet van een maximum. Deze vier dingen waren noodzakelijk ter behoudenis (vgl. Hd.15:1,5). De Joden konden geen omgang hebben met degenen die zich niet tenminste aan dit minimum hielden. De heidenen werden evenwel geacht om meer dingen te gaan onderhouden, zoals blijkt uit het slot van Jacobus’ rede: “Want Mozes heeft er van oude tijden in elke stad, die hem prediken, en hij wordt op elke sabbat in de synagogen gelezen” (:21). Met andere woorden: Met degenen uit de heidenen die zich aan het te Jerusalem vastgestelde minimum houden is voor Joden de omgang mogelijk geworden. Daarmee zijn deze heidenen geschikt gemaakt om in de Joodse synagoge te komen, en daar nader onderwijs te ontvangen over de wijze waarop zij in hun situatie de Torah dienen uit te werken, zonder dat zij Joden behoeven te worden.
Afgewezen wordt dus de leer van degenen te Judea, die zeiden: “Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zo kunt gij niet zalig worden” (Hd.15:1) Petrus wijst in zijn antwoord deze leer af, niet alleen voor de heidenen, maar ook voor de Joden zelf. Het is, zo stelt Petrus, God verzoeken om ter behoudenis een juk op de hals van de leerlingen te binden, alsof men behouden zou worden door een legalistische observantie van bepaalde Torah-geboden. Deze opvatting is, zoals Paulus later (in de Galaten-brief) zal aangeven, gebaseerd op een verkeerde, namelijk legalistische interpretatie van Lv.18:5: “… welk mens die [inzettingen en rechten] zal doen, die zal daardoor leven”. Petrus wijst er op dat “noch onze vaderen, noch wij” dit juk hebben kunnen dragen. Deze tekst betekent niet dat het voor Israël onmogelijk was de Torah te doen; het betekent dat de Torah niet uitvoerbaar is als legalistische observantie, als een prestatieleer ter behoudenis. De observantie dient voort te vloeien uit het geloof, uit waarachtige vreze des Heren (vgl. Lc.1:6!). Niet uit eigen kracht maar uit genade is de Torah zeker uitvoerbaar. Zij is immers om daardoor te leven (Lv.18:5). Welbegrepen staat zij niet tegenover de rechtvaardiging door het geloofsvertrouwen. Integendeel, het geloofsvertrouwen maakt zich waar in zijn getrouwheid aan de Torah en aan al de geboden des Heren, en staat tegenover de trouweloosheid (vgl. Hab.2:4-5).
Tegen de voorgestelde legalistische leer neemt Petrus krachtig stelling in zijn slotopmerking: “Maar wij geloven, door de genade van de Heer Jesus Christus, zalig te worden, op zulke wijze als ook zij” (Hd.15:11). De heidenen zouden dus niet zalig worden door zich te laten besnijden en Joden te worden; integendeel, ook zelfs de Joodse gelovigen zouden niet door hun Torah-observantie als zodanig zalig worden, doch, zoals de heidenen, door de genade van de Heer Jesus Christus.
Dit alles neemt echter de waarde van de Torah en van de Torah-observantie niet weg, zoals hierboven is aangegeven in de woorden van Jacobus. Zijn betoog komt, gezien het bovenstaande, op het volgende neer: Men mag de heidenen geen ander juk (regels tot behoud) opleggen dan de vier genoemde punten van onthouding. Het overige van de Torah leren ze langzamerhand wel. Immers, Mozes heeft er van oude tijden in iedere stad, die hem prediken, en hij wordt op elke sabbat in de synagogen voorgelezen. De voor de heiliging van het aardse leven doorgaande belang van de kennis nodig voor het uitvoeren van de Torah wordt op deze wijze ook onder de heidenen verspreid. (Zie: L. Erwteman, De Torah alleen voor de Joden?)
In zijn brieven geeft de apostel Paulus een groot deel van het verdere onderwijs aan de heidenen. De valkuil waarvoor telkens opnieuw gewaarschuwd diende te worden was om het eeuwig heil afhankelijk te maken van een geïsoleerde, legalistische Torah-betrachting, waardoor het leven volgens Gods geboden werd veranderd in wetticisme. En daarvoor heeft de apostel indringend gewaarschuwd.
Tenslotte zij nog gewezen op Hd.23:6. Wanneer Paulus zich voor de Joodse rechtbank dient te verantwoorden stelt hij zonder omwegen: “Mannen broeders, ik ben een Farizeër, de zoon van een Farizeër; ik word over de hoop en opstanding der doden geoordeeld”. Uit deze tekst blijkt zonneklaar dat Paulus nimmer de leer kan hebben uitgedragen dat een van de fundamentele wetten van het Jodendom, de sabbatswet, zou zijn afgeschaft. En het is eveneens geheel en al onaannemelijk dat dat de apostel, en met hem het Joodse deel van de gelovigen, zich niet aan deze wet zou hebben gehouden. En zo volgt met betrekking tot de gelovigen uit de heidenen nogmaals de hierboven gegeven conclusie: ook zij zullen de sabbat op zekere wijze, al zij het dan niet met dezelfde striktheid als de Joden, hebben gehouden.
Deze tekst uit de Handelingen stelt men vaak tegenover hetgeen Paulus in zijn brief aan de Filippensen meedeelt. Uit Fl.3:2-9 zou volgen dat Paulus te dien tijde wel degelijk zijn Jood-zijn had afgelegd. In werkelijkheid is de Filippenzenbrief echter geheel niet in strijd met de verklaring in Hd.23. De context van het in deze brief gestelde ligt in de positie waartegen Paulus zich afzet, in bewoordingen die er niet om liegen: “Ziet op de honden, ziet op de kwade arbeiders, ziet op de versnijding”. Ook hier had de apostel te maken met extreme Judaïsten, waarschijnlijk uit de heidenen, die zich lieten besnijden en anderen leerden dat dit noodzakelijk was om behouden te worden. Tegen dergelijke tendenzen van gelovigen uit de heidenen om zich radicaal te judaïseren had Paulus zich reeds eerder met grote kracht verzet: “Ziet ik, Paulus, zeg u, zo gij u laat besnijden, dat Christus u niet nut zal zijn. En ik betuig weer aan een ieder mens, die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de gehele Torah te doen. Christus is u ijdel geworden, die door de Torah gerechtvaardigd wilt worden; gij zijt van de genade vervallen” (Gl.5:2-4). De kern van de zaak is in beide gevallen het willen gerechtvaardigd worden uit de Torah ofwel het legalisme. Dit wordt door Paulus volstrekt afgewezen, daar het in onmiddellijk conflict staat tot de rechtvaardiging zoals die door hem wordt geleerd, welke is door het geloofsvertrouwen (vgl: Fl.3:9).
Let wel dat Paulus hier niet een absoluut verbod aan het adres van de heidenen uitspreekt om tot het Jodendom over te gaan. Hij legt daarvan slechts de consequenties op tafel. Het absolute verbod geldt de opvattingen dat men door over te gaan tot het Jodendom, of door de Joodse Torah-inachtneming op zich te nemen, de rechtvaardigmaking, dus de behoudenis, zal verwerven. De centrale uitspraak in dit gedeelte van de Galatenbrief luidt: “in Christus Jesus heeft noch besnijdenis enige kracht noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende”. Hieruit volgt dat “zo gij u laat besnijden [met het oogmerk daardoor de behoudenis te verkrijgen], dat Christus u niet nut zal zijn”. De besnijdenis staat namelijk niet als zodanig tegenover Christus. Anders zouden er geen Joden-gelovigen kunnen zijn. Zij staat slechts tegenover Christus wanneer en voorzover zij als middel tot behoud wordt voorgestaan.
Niettemin heeft anderzijds de besnijdenis, zo stelt de apostel, grote consequenties. Wie zich laat besnijden neemt namelijk op zich de gehele Torah te doen. Hij gaat daardoor over tot het Jodendom, en is uit dien hoofde verplicht tot de waarneming der Torah zoals het Jodendom, nader bepaald de vorm van Jodendom waartoe hij overgaat, deze interpreteert. Hij verbindt zich namelijk aan de gemeenschap waarin hij zich laat besnijden. Hij laat zich opnemen in het Joodse volk. Hij laat zich daarenboven opnemen in de bijzondere tradities of “vaderlijke inzettingen’’ (vgl. Gl.1:14), de zgn. “omheining om de Torah”, en de geestelijke stroming waar de synagoge waartoe hij wil overgaan zich toe rekent (vgl. Hd.26:5). Hoe dit ook precies zij: in elk geval verbindt hij zich tot datgene wat hem door de vorm van Jodendom waartoe hij overgaat als verplichtend wordt voorgehouden. Dat is duidelijk. En dit lijkt bedoeld te zijn met de uitdrukking “de gehele Torah” (holon ton nomon), welke de apostel hier hanteert. Onder de gehele Torah lijkt hij ook de mondelinge Torah, de overlevering, te verstaan. Zo bezien omvat de gehele Torah heel wat meer dan de vijf boeken van Mozes, de geschreven Torah.
Dat deze interpretatie van de uitdrukking “de gehele Torah” plausibel is, blijkt wanneer we de implicaties van de besnijdenis als overgang tot het Jodendom verder in ogenschouw nemen. Degene die door zich te laten besnijden overging tot het Jodendom en tot het Joodse volk zou in het geheel niet naar behoren in de Joodse gemeenschap kunnen functioneren wanneer hij niet ook de mondelinge Torah, de gezaghebbende uitleg van de geschreven Torah, en het geheel van Joodse tradities en gewoonten, zou aanvaarden. Zou dus iemand zich willen laten besnijden, zonder de gehele Torah op zich te nemen, en zonder tot het Joodse volk over te gaan, dan is zo’n besnijdenis van nul en gener waarde (vgl. 1.Cr.7:19). Welnu, het verwijt van de apostel luidt nu juist dat sommigen zich laten besnijden, “alleen opdat zij vanwege het kruis van Christus niet zouden vervolgd worden. Want ook zijzelf, die besneden worden, houden de Torah niet; maar zij willen, dat gij besneden wordt, opdat zij in uw vlees zouden roemen”. Dit verwijt is in wezen hetzelfde als de Heer zelf maakte ten opzichte van bepaalde Farizesche stromingen: “Ach, voor ulieden, gij Schriftgeleerden en Farizeën, komedianten, omdat gij rondreist de zee en het droge om één proseliet te maken, en wanneer hij het geworden is, maakt gijlieden hem tot een zoon der hel, dubbel zo erg als gijzelf” (Mt.23:15).
De gegeven uitleg van Hd.23:6 wordt bevestigd door Hd.26:4-7. Paulus stelt zich daar in de lijn van Farizeïsche traditie, waaruit reeds voldoende blijkt dat hij het Jodendom nergens loslaat.
Dit is voldoende om aan te tonen dat nergens in het Nieuwe Testament de zondag is ingesteld als een wekelijkse feestdag of dat zij in de plaats van de sabbat is gekomen.
4. Teksten volgens welke de sabbat zou zijn afgeschaft
Er blijven echter nog enige teksten over om te bespreken. Deze worden niet beschouwd als bewijsteksten voor de zondag. Zij worden evenwel aangevoerd teneinde aan te tonen dat de sabbat zou zijn afgeschaft. Het zijn de volgende teksten van de apostel Paulus: Rm.14:5-6; Gl.4:8-11; Cl.2:14-17.
Rm.14:5-6: “De een acht wel de ene dag boven de andere dag; maar de ander acht alle dagen gelijk. Een ieder zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd. Die de dag waarneemt, die neemt hem waar de Here; en die de dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar de Here. Die daar eet, die eet zulks de Here, want hij dankt God; en die niet eet, die eet zulks de Here niet en hij dankt God.”
De moeilijkheid voor degenen die deze tekst aanvoeren is deze, dat indien de sabbat in de in de tekst vermelde dagen mede is bedoeld, het onontkoombaar is dat ook de zondag onder deze dagen valt. Is namelijk de bijzondere waarneming van de ene dag boven de andere als zodanig iets onwezenlijks, waarin men elkaar vrij moet laten, dan geldt dit nog veel meer voor waarneming van de zondag, die een menselijk maaksel is, als voor de sabbat, die op een goddelijke instelling teruggaat. Gemeenschappelijke viering van de zondag, en het vaststellen van de eredienst op in het bijzonder die dag zou in dat geval ingaan tegen het gevoelen van de apostel. Want van de onderhouders van de zondag zegt bij mijn weten niemand: “Die de zondag waarneemt, die neemt hem waar de Here; en die de zondag niet waarneemt, die neemt hem niet waar de Here”. De onderhouders van de zondag is het er juist om te doen aan te tonen dat de viering deze dag verbindende kracht heeft voor de Christenheid.
Deze tekst keert zich dus voor wie er een afwijzing van de sabbat in wil zien, tegen degene die hem gebruikt, althans wanneer hij de onderhouding van de zondag voorstaat.
De sleutel tot een tekst vinden we nimmer door hem geïsoleerd te beschouwen. Rm.14:5-6 staat in een grotere context. Met name vormen Rm.14 en 15 een tamelijk aaneengesloten geheel. Uit deze context wordt duidelijk dat de questie waar het om gaat niet is of er al of niet iets uit de Torah, namelijk de sabbat, terzijde gesteld wordt; ook niet of men vrij is om de Torah te doen of niet te doen. Het gaat onwezelijke scrupules en ascetische praktijken. Deze waren wellicht opgekomen uit bezorgdheid met betrekking tot de Torah, doch in zichzelf onwezenlijk.
Dat het hier om dergelijke zaken en zogezegd om particuliere devotiepraktijken gaat, blijkt vooral uit de voorbeelden die de apostel geeft. Het gaat hier om mensen die bijvoorbeeld alleen moeskruiden eten (14:2), geen vlees gebruiken of wijn drinken (14:21). Nu verbiedt de Torah van Mozes het gebruik van vlees of wijn nergens. Zij regelt slechts hun gebruik, in de reinheidsvoorschriften voor spijs en drank, het kashrut.
Geen vlees gebruiken en geen wijn drinken kan echter heel wel voortkomen uit een ascetische geesteshouding. De waar te nemen bijzondere dagen zouden in dit verband vastendagen kunnen zijn. Het is mogelijk dat deze ascetische geesteshouding is voortgekomen uit scrupules met betrekking tot de Torah. Het afzien van vlees zorgt er namelijk voor dat men altijd, als het ware in één klap, aan de met betrekking tot spijs en drank geldende reinheidsvoorschriften uit de Torah gehoorzaamt.
De genoemde scrupules zouden reeds hun aanleiding gevonden kunnen hebben in de voorschriften van Hd.15. Wat was er eenvoudiger voor degene die er zeker van wilde zijn dat hij geen vlees met bloed(resten) of aan afgoden geofferd vlees zou eten, om eenvoudigweg van alle vlees af te zien?
Zo bezien zouden de genoemde praktijken dienen te worden gezien als een “omtuining om de Torah”. Aangezien Paulus er geen aantasting in zag van algemene beginselen, zoals dat van de rechtvaardigmaking uit het geloofsvertrouwen, oordeelt hij hier met grote mildheid. Hij zet beide groepen van gelovigen, zij die strengere praktijken inacht nemen en zij die dit niet doen, aan tot wederzijds respect, en maant degenen die deze omtuining niet volgen zelfs tot voorkomendheid met betrekking tot hen die haar wel volgen (14:15).
En passant zij erop gewezen dat niets erop wijst dat de spijswetten niet meer verplichtend zouden zijn. Paulus merkt weliswaar op: “Ik weet en ben verzekerd in de Heer Jesus, dat geen ding onrein is in zichzelf; die dan acht iets onrein te zijn, die is het onrein” (14:14). Onder inachtneming van het voorafgaande zal het evenwel moeilijk zijn te stellen dat het hier gaat om onreinheid in de zin der Mozasche Torah. Ook hier is naar alle waarschijnlijkheid een onreinheid bedoeld naar toegevoegde, scrupuleuze maatstaven. Daarom kan Paulus verklaren dat deze onreinheid niet in de dingen ligt zoals deze dingen op zichzelf zijn, maar zoals zij onder de beschouwingswijze van de genoemde scrupuleuze maatstaven zijn. Bedoelde Paulus een volstrekt algemene uitspraak te geven, en ook de Mozaïsche onreinheid daaronder te vatten, dan zou een Joodse opponent hem gemakkelijk kunnen weerleggen door te stellen dat in het geval van de Mozaïsche Torah het God zelf is die “iets acht onrein te zijn”, zodat het dan naar Paulus’ stelling volgens Hem ook onrein is, en dus een grond voor wetgeving kan zijn.
Rm.14:5-6 laat dus in het geheel het besluit niet toe dat de sabbat zijn waarde zou hebben verloren, of dat op een ongequalificeerde manier alle dagen zouden zijn gelijkgesteld. Het achten van dagen heeft hier steeds de betekenis van het inachtnemen van bepaalde menselijke inzettingen.
Gl.4:8-11: “Maar toen, als gij God niet kendet, diendet gij hen, die van nature geen goden zijn; En nu als gij God kent, ja veelmeer door God gekend zijt, hoe keert gij u weer tot de zwakke en arme eerste beginselen welke gij weer van voren aan wilt dienen? Gij onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren. Ik vrees voor u, dat ik enigszins tevergeefs aan u gearbeid heb.”
Het is opvallend dat Paulus ten opzichte van de onderhoudingen van de Galaten een veel strengere houding aanneemt dan ten opzichte van die van de Romeinen. Zoals we hierboven zagen worden de bijzondere observanties die bij de Romeinse Christenen voorkwamen gebillijkt, al werden ze niet speciaal aanbevolen. Bij de Galaten is het geheel anders. Paulus veroordeelt hen zondermeer. Hieruit volgt dat het in de Galatenbrief en de Romeinenbrief niet om gelijksoortige dingen kan gaan.
Paulus zegt dat de Galaten met hun praktijken terugkeren “tot de zwakke en arme eerste beginselen”, de stoicheia. Dit zijn de door de heidenen vereerde kosmische machten, waarvan men meenden dat zij de dagen, de maanden en de jaren beheersten. Aangezien Paulus spreekt over een terugkeer tot de stoicheia, is inderdaad te veronderstellen dat het om een afgodische of aan afgoderij verwante waarneming van tijden gaat, mogelijkerwijs met astrologische trekken. Dat het niet gaat over het vieren van de Joodse feestdagen en de sabbat, blijkt uit het woord dat met “onderhouden” vertaald is, “Parathèreisthe”. Het betekent: “letten op, gadeslaan; loeren op, bewaken”. Dit woord wordt nooit gebruikt als het om Joodse feestdagen gaat. Deze betekenissen wijzen op een astrologisch gemotiveerde vorm van het inachtnemen van dagen. Het is heel mogelijk dat de Galaten zowel Joodse als heidense bijzondere dagen hielden, deze in verband brachten met invloeden van hemellichamen, en juist daarin de reden van hun onderhouding zochten. Met betrekking tot de sabbat bijvoorbeeld bestond wijd en zijd onder de heidenen de mening dat deze Joodse feestdag onder de (ongunstig geachte) invloed van de planeet Saturnus stond.
De kern van de zaak is evenwel dat de inzettingen die bij de Galaten voorkwamen en de wijze waarop deze werden uitgevoerd en opgevat, een bedreiging vormden voor het hart van het aan Paulus toevertrouwde evangelie, de rechtvaardigmaking door het geloofsvertrouwen. De Galaten zochten gerechtvaardigd te worden door het in acht nemen van regels en wetten. Daaronder zullen de besnijdenis en de onderhouding van dagen wellicht de belangrijkste geweest zijn, daar deze door de apostel genoemd worden. Deze gehele opzet van deze wettische, d.w.z. legalistische zelfrechtvaardiging wordt door Paulus afgewezen.
Paulus spreekt in dit verband over tweeerlei verhouding tot de Torah. Enerzijds over een wettische, legalistische houding, die uit werken van Torah-observantie zoekt gerechtvaardigd te worden, en dat is de houding van de zoon van de dienstmaagd. Anderzijds over het vervullen van de Torah uit kracht van het geloofsvertrouwen, en dat is de houding van de zoon van de vrije (Gl.4:21-31). Wie leeft uit het vertrouwend geloof, zoekt niet door het doen van Torah-geboden gerechtvaardigd te worden. Hij vervult daarentegen de Torah als uitwerking en gevolg van zijn rechtvaardiging. De Torah is voor hem het kader waarin het nieuwe leven zich ontplooit en de sfeer waarin het zich ophoudt.
Alweer zien we dat de wijze waarop de apostel de Galaten terechtwijst niets van doen heeft met een afwijzing van de sabbat of van de Torah als zodanig. Het ligt genuanceerder. De Torah wordt afgewezen, voorzover zij wordt gezien als losgemaakt van de rechtvaardiging door het geloofsvertrouwen. Daarnaast wordt een onderwerping aan natuur- of scheppingsmachten afgewezen. Het gemeenschappelijke in beide afwijzingen ligt in het verwerpen door Paulus van iedere zelfstandige tusseninstantie tussen de gelovige en Christus. Wanneer de Torah, die heilig en goed is, tot een tussenmacht gemaakt wordt via dewelke men de rechtvaardigmaking bereikt, dan verwerpt Paulus de zo opgevatte Torah. Wanneer scheppingsmachten, die oorspronkelijk ingesteld zijn tot aanwijzing van gezette tijden, van maanden en jaren (vgl. Gn.1:14), verzelfstandigd worden tot machten waaraan de mens als een slaaf moet gehoorzamen, wijst Paulus de zo opgevatte heerschappij van de hemellichamen resoluut af.
Cl.2:16-17: “Dat u dan niemand oordele in spijs of in drank, of in het stuk van de feestdag, of van de nieuwe maan, of van de sabbatten; Welke zijn een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus.”
Voor een goed verstaan van deze tekst zullen we ook hier de tekstomgeving (context) erbij dienen te betrekken. Driemaal achtereen komt Paulus in dit hoofdstuk met een afwijzing van iets. De eerste afwijzing is in 2:8; de tweede in 2:16-17; de derde in 2:18-19. Zowel de eerste als de derde afwijzing betreffen menselijke overleveringen en inzettingen, niet geboden of verordeningen des Heren. In :8 wordt menselijke filosofische wijsheid afgewezen; in :18-19 worden menselijke cultische instellingen afgewezen. De vraag komt nu natuurlijk op wat er precies in de middelste afwijzing wordt afgewezen. Gaat het hier om een afwijzing van het (mee)vieren van Joodse feesten en sabbatten door gelovigen uit de heidenen, zoals veelal wordt gedacht, of betreft het iets anders? En worden hier inderdaad drie verschillende afwijzingen uitgesproken, of betreft het drie uitingen van een grondgedachte?
Laten we eerst eens de bewoordingen van Paulus in 2:16-17 nagaan. Het werkwoord “krinein”, hier vertaald met oordelen betekent niet “veroordelen”, maar veeleer “beoordelen”, of “oordelen” zondermeer. Het werkwoord is neutraal met betrekking tot dat wat ter beoordeling voorligt. Het onderscheidt als zodanig niet tussen goedkeurend en afkeurend oordelen. Hetgeen Paulus afwijst, is, aldus opgevat, dat de gelovigen met betrekking tot de in de tekst genoemde dingen onder een menselijk oordeel van goed- of afkeuring zouden staan. De menselijke beoordeling is het hier afgewezene.
Wat zegt Paulus nu over de in de tekst genoemde dingen zelf, zoals spijs en drank, feestdagen, nieuwe maan en sabbatten? Hij zegt: “Deze zijn een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus”. Wat betekent dit? Paulus stelt tegenover elkaar de termen “schaduw” en “lichaam”. Van welke aard is deze tegenstelling? Deze tegenstelling wordt aangegeven door het met “maar” vertaalde Griekse “de”. Dit woord drukt een zachte vorm van onderscheid of tegenstelling uit. Voor de sterke tegenstelling heeft het Grieks een ander woord, “alla”. Dit laatste woord heeft de betekenis “integendeel”, of “daarentegen”. Het geeft aan dat een van de twee leden van de tegenstelling wordt bevestigd en de andere ontkend. “de” heeft veeleer de betekenis van “en”, “ook”, “bovendien”, “let wel”.
Hieruit volgt dat in de aangehaalde zin de termen “lichaam” en “schaduw” niet als elkaar uitsluitende alternatieven mogen worden beschouwd. Dit betekent dat de zin niet mag worden opgevat als: “Deze zijn een schaduw der toekomende dingen, het lichaam daarentegen is van Christus”, alsof de apostel zou voorstellen de schaduw op te geven of af te schaffen, ten gunste of terwille van het lichaam. De genoemde zaken zouden dan slechts schaduwen zijn, die met de komst van het lichaam, waarmee men dan bedoelt Christus zelf of zijn mystieke lichaam, de Gemeente, zouden moeten verdwijnen. Dit is echter niet wat in de tekst staat. Er staat veeleer: “Deze zijn een schaduw der toekomende dingen; let wel, het lichaam is van Christus”.
Zo vertaald is echter nog lang niet alles duidelijk. Met name is onduidelijk de functie van de term “lichaam”. Het lichaam is hier wat tegenover de schaduw staat. Het is de werkelijkheid van de schaduw. De schaduw is niettemin niet louter onwerkelijk, doch de omtrek of aftekening van het lichaam. Het lichaam is dus de werkelijkheid die bij de schaduw past, eraan beantwoordt. De wat cryptische wijze waarop Paulus in de onderhavige zin schaduw en lichaam tegenover elkaar stelt zou dus kunnen worden uitgelegd als: “Deze zijn een schaduw der toekomende dingen; let wel, het lichaam [van de schaduw] is van Christus”.
Schaduw en lichaam staan zo bezien niet tegenover elkaar volgens een tegenstelling in de zin van “alla”, alsof een der alternatieven was uitgesloten. Zij verhouden zich daarentegen als tegengestelden in de zin van “de”, als elkaar insluitend en bevestigend. Het lichaam is weliswaar datgene waar het om gaat; het lichaam wordt echter opgeroepen door de schaduw. Anderzijds is de schaduw een soort uitbreiding van het lichaam (vgl. Hd.5:15).
We zouden nu voorlopig onze uitleg van de tekst op de volgende wijze kunnen samenvatten: De gelovigen uit de heidenen zijn in spijs en drank, en in wat betreft het onderhouden van de feestdagen, zoals de sabbatten en de nieuwe maan, niet aan menselijke beoordelingsnormen onderworpen. Al deze instellingen zijn namelijk een schaduw van de toekomende dingen. Deze schaduw moet niet vervalst worden door menselijke toevoegsels, doch dient zuiver te zijn. De werkelijkheid van die schaduw, d.i. het lichaam, ofwel dat waar het in die schaduw om gaat, is immers van Christus. De toekomende dingen waarop de schaduw betrekking heeft zijn immers de dingen van Christus.
Zo uitgelegd komt het onderhouden van de sabbat en van de spijswetten, van al de rituele geboden der Torah, in een geheel ander licht te staan. Het wordt tot een teken van het toekomstige Koninkrijk Gods. Het is een schaduw waardoor de omtrekken van de toekomstige toestand worden afgetekend, en waardoor ons tegenwoordige bestaan met de toekomstige dingen wordt verbonden. In die verbinding ligt een grote verkwikking. In de schaduw is de werkelijkheid immers, zij het verhuld, aanwezig. De schaduw is zo bezien een omtrek of een door God ingestelde omheining, waarbinnen zich een menselijk leven, een cultuur kan ontplooien die gericht staat op het toekomstige Koninkrijk Gods.
Wanneer we nu terugkeren tot de omgeving van de tekst, zien we een bepaald verband tussen de verschillende dingen die door Paulus worden afgewezen. De afwijzing van de apostel heeft steeds betrekking op menselijke leringen. In 2:8 is de grondslag van deze leringen aan de orde: “Ziet toe, dat niemand u als een roof meevoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering der mensen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus”. Onder de “eerste beginselen”, de stoicheia, verstaan we zoals gezegd de kosmische machten. Paulus stelt hier dus dat de Colossensen zich niet moeten laten beheersen door menselijke leringen, die hun inspiratie of uitgangspunt vinden in de menselijke traditie en in de kosmische machten. Dat in :16-17 dan ook slechts door mensen opgelegde observanties worden afgewezen volgt uit het concluderende karakter van deze verzen, aangegeven door het woord “oun”: “dus”, “dientengevolge”. Nogmaals vertaald luidt de passage nu aldus: “Dat u dientengevolge [d.i: op grond van de vermelde valse filosofische leringen] niemand oordele in spijs of in drank, of in het stuk van de feestdag, of van de nieuwe maan, of van de sabbatten; Welke zijn een schaduw der toekomende dingen. Let wel, het lichaam [van deze schaduw] is van Christus”.
De genoemde dwalingen voeren tot de overwoekering van oorpronkelijk door God gegeven instellingen met menselijke observanties en scrupules. Dit is het wat we zien in :16-17 en wat door Paulus wordt verworpen. De goddelijke instellingen betreffende spijs en drank, feestdagen en sabbatten mogen niet door menselijke filosofische leringen worden overwoekerd met eigenzinnige bepalingen, of in hun betekenis worden vervalst.
Deze dwalingen voerden blijkbaar ook tot de verering van de tussenwezens, de engelenmachten. Deze tussenmachten zullen wel verbonden gedacht zijn met de stoicheia, de beginselen of kosmische machten. Mogelijk hebben we hier te maken met een astrologische vorm van engelenverering. Hoe dit ook zij, in ieder geval leidde de verering der engelen ertoe dat men, zoals Paulus stelt, niet aan het Hoofd, Christus vasthield. Men kwam in geheel andere sferen terecht, in een syncretistisch geheel waarin oorspronkelijk Joodse en Christelijke gedachten op een geperverteerde wijze waren verwerkt.
Het gemeenschappelijke in het door Paulus afgewezene lijkt aldus te zijn de bedekking van Christus door iets anders. Door een zodanige bedekking wordt de gehele positie van de gelovige vervalst (vgl. 2:10), worden de instellingen van de Torah, zoals de sabbat, in hun betekenis aangetast en aan menselijk oordeel onderworpen (2:16-17), en wordt een onderworpenheid aan de kosmische machten ingevoerd die in strijd is met het verenigd zijn met Christus, die over de machten heeft gezegevierd (2:15) en waarin de gelovige aan de dienstbaarheid aan de wereldmachten is afgestorven (2:20).
Men ziet dat het betoog van de apostel in zijn geheel is gericht tegen menselijke inzettingen en naar afgoderij neigende praktijken, doch dat er niets in is te vinden dat de mening rechtvaardigt dat hier een pleidooi wordt gehouden voor de afschaffing van de sabbat of van de in de Torah neergelegde feesttijden en bijzondere dagen.
5. Teksten volgens welke de Torah zou zijn afgeschaft of (tijdelijk) terzijde gesteld
Terwille van de vele tegenwerpingen die sommigen nu zullen maken die menen dat de Torah in de tegenwoordige bedeling niet van kracht is, of dat de gelovigen uit de volken de Torah niet behoren te doen, zullen we ons kort bezinnen op de vele teksten in het Nieuwe Testament, vooral van de apostel Paulus, die de schijn hebben te leren dat de Torah thans niet van toepasssing zou zijn. We verwijzen voor deze thematiek naar De Verbonden en de Wet van S. van Mierlo.
We willen hier slechts, in aanvulling op het boven gestelde, aan de hand van Van Mierlo’s genoemde geschrift, de voornaamste plaatsen onderzoeken, die als steun zouden kunnen dienen voor de geachte dat Paulus geleerd heeft dat de Torah te niet gedaan was door Christus.
Rom.3:21: “Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de Torah”. Alles hangt af van de juiste betekenis van het woord “zonder”, dat de vertaling is van het Griekse “chôris”. Dit woord geeft niet de afwezigheid van iets aan, doch een zekere scheiding, zoals ook blijkt uit Mt.14:21 en Rm.3:28. Rm.3:21 dient men dus te lezen als: “Thans is echter buiten de Torah om gerechtigheid Gods openbaar geworden”. De Torah is er dus wel, en is wel van kracht, doch het is niet door het waarnemen van (sommige) Torah-voorschriften, dat de mens voor God gerechtvaardigd wordt.
Rm.5:14: “want gij zijt niet onder de Torah”. Dit stemt overeen met hetgeen Paulus zegt in Gl.3:10: “Want zovelen als er uit de werken der Torah zijn, die zijn onder de vloek”. Men is onder de Torah, onder de vloek, als men zich op een legalistisch standpunt stelt, of als men Gods norm in eigen kracht wil houden. De Torah moet door middel van de genade, dus als wandelen in de gemeenschap met God, worden volbracht. Men blijft dan nog wel in de Torah, doch men is niet langer onder de Torah, als een slaaf.
Rm.7:4-6: “.., gij zijt ook der Torah gedood door het lichaam van Christus…Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de Torah, daar wij dien gestorven zijn, onder welke wij gehouden waren; alzo dat wij dienen in nieuwheid des Geestes en niet in de oudheid der letter.” Zie ook Gl.2:19. Paulus richt zich hier in het bijzonder “tot hen die de Torah verstaan”, dus de Joden. Zij zijn slaven der Torah zolang ze uit eigen werken willen gerechtvaardigd worden; dan zijn ze nog “in het vlees” (:5). Doch door de dood van Christus is er verlossing, de eis der Torah kan in genade, door de kracht van Gods Geest vervuld worden (Rm.8:2). Dan zijn ze vrijgemaakt van de Torah in de zin dat ze vrij zijn van de vloek der Torah (Gl.3:13), ze zijn geen slaven meer. De Joodse gelovigen konden aldus de geboden en inzettingen der Torah houden “in nieuwheid des Geestes”.
Rm.10:4: “Want het einde der Torah is Christus”. Hier hebben we een uitdrukking, die men meestal als volkomen afdoende beschouwt om te beweren, dat de Torah afgeschaft is door het kruis. Doch het Griekse woord “telos” betekent niet “einde” in de zin van “ophouden”, doch in die van “volbrenging”, “doelbereiking”. Dit blijkt bijv. uit Mt.26:58: “Petrus…zat bij de dienaren om het einde te zien”, en uit Rm.6:21: “want het einde daarvan is de dood”. Nog duidelijker uit Jc.5:11: “gij hebt het einde des Heren gezien, dat de Here zeer barmhartig is en een Ontfermer”.
In Rm.10:3 is sprake van de Israëlieten, die hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten. Daarop volgt dan :4, waar gezegd wordt dat het doel der Torah was tot Christus te leiden “tot rechtvaardigheid een ieder, die gelooft”. (Zie ook Gl.3:21-24).
Gl.3:19: “Zij [de Torah] is om de overtredingen daarbij gesteld, totdat het zaad zou gekomen zijn, dien het beloofd was.” Het zaad waarover Paulus hier handelt, is in het bijzonder Christus. De Torah is niet tegen de beloften Gods, doch de zonen van Israël waren onder de Torah in bewaring met het oog op het geloof. De Torah was een “paidagôgos”, die hen, als kinderen, tot in Christus zou leiden (Gl.3:21-24). Niet zo, dat de Torah in de historische komst van Christus zou worden afgeschaft. Integendeel, zij daarin tot haar bestemming en vervulling komen, dus tot haar hoogste ontplooiing.
We moeten ervoor waken het “daarbij gesteld” van de onderhavige tekst te interpreteren alsof de Torah maar een bijzaak was, en slechts een toevoegsel aan de hoofdlijn van Gods voornemen. In de aanduiding “daarbij gesteld” ligt slechts besloten dat de Torah gegeven was na de belofte, en dat de Torah ook in rangorde onder de belofte staat. Met betrekking tot het “om de overtredingen daarbij gesteld” zijn van de Torah is het voldoende de opmerking van Calvijn hier te herhalen dat de Torah vele functies heeft, doch dat Paulus zich hier beperkt tot de functie die de Torah heeft in verband met het onderwerp van zijn betoog, waarin hij Torah en belofte in hun wederzijdse verhouding bepaalt. En het is duidelijk dat in dat verband de Torah een ondergeschikte plaats heeft, zijnde door bemiddeling van engelen gegeven, terwijl de belofte onmiddellijk door God gegeven was.
Degene echter die meent dat de komst van het beloofde zaad met zich meebrengt dat de “daarbij gestelde” Torah is afgeschaft, laat toe dat Paulus zichzelf tegenspreekt. Want, zoals volgens de apostel “het verbond dat te voren bevestigd is op Christus, door de Torah die na vierhonderddertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt wordt, om de beloftenis te niet te doen”, zo wordt, als consequentie hiervan, ter andere zijde door de vervulling van de belofte ook de Torah, die van ver vóór de vervulling dateert, niet te niet gemaakt.
Gl.3:27-28: “Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want gij zijt allen één in Christus Jesus.” Als een man een vrouw door Gods genade tot het geloof in Christus komen, bestaat er voor wat hun positie “in Christus” betreft, geen verschil tussen hen. Evenzo is er voor wat de positie “in Christus” betreft geen verschil tussen een Jood, die in Christus gelooft, een Griek. Doch naar het leven op aarde blijft er natuurlijk verschil tussen man en vrouw, en dan ook tussen Jood en Griek. De Jood houdt niet op Jood te zijn. Slechts de grond van de rechtvaardiging is voor allen, Joden en niet-Joden, mannen vrouwen, vrijen en knechten, dezelfde.
Gl.5:1-11. Zij, van onder de volken, die zich lieten besnijden, en dus de verplichting op zich namen de gehele Torah waar te nemen, deden dat om op deze wijze gerechtvaardigd te worden. Dan was Christus hen van geen nut. Ze moesten geen slaven der Torah worden door te pogen op grond van legalistische observantie van bepaalde geboden gerechtvaardigd te worden, doch in de vrijheid van Christus staande tot de ware gehoorzaamheid gebracht worden.
Ef.2:14-15: “Want Hij is onze vrede, die deze beiden één gemaakt heeft, en de middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende, heeft Hij de vijandschap in zijn vlees te niet gemaakt, de Torah der geboden in inzettingen; opdat Hij die twee in zichzelf tot een nieuwe mens zou scheppen, vrede makende.”
In dit gedeelte wordt de Torah der geboden die in inzettingen is, vijandschap genoemd. Wie nu deze Torah ongenuanceerd gelijkstelt met de middelmuur des afscheidsels, kan er gemakkelijk toe komen in deze tekst te lezen dat door Christus de Torah is afgeschaft, en dat uit Joden en heidenen een nieuwe eenheid, de Christelijke Gemeente, is ontstaan. Doch deze lezing is zeer onbevredigend.
De beiden die volgens onze tekst één gemaakt worden zijn Israël en de gelovigen uit de volken. Zij worden één doordat de middelmuur des afscheidsels, d.i. de in geboden en inzettingen bestaande Torah wordt “gebroken”. Dit breken der Torah betekent niet dat de Torah wordt afgeschaft. Het wil zeggen dat dat Torah als plaats of kader van Gods genadewerking wordt doorbroken, doordat de genade ook tot het gebied buiten de omheining, dat is Israël, gaat doordringen. De Torah wordt gebroken of buiten werking gesteld voorzover zij de omtuining of afscheiding was van het volk Israël. Want het gebied van het geloof is tot buiten die omtuining uitgebreid. Anders gezegd: De Torah fungeert niet langer als de scheidsmuur tussen Jood en niet-Jood, inzoverre ook buiten het (oorspronkelijke) gebied der Torah, d.i. Israël, geloof in God en gehoorzaamheid aan de Torah worden gevonden. De vijandschap waarvan hier sprake is, is niet de Torah zondermeer of op zichzelf, maar de vijandschap van de heidenen tegen de Torah. De Torah is niet zelf de vijandschap, maar is het voorwerp van de vijandschap der heidenen. Die vijandschap is door Christus teniet gedaan, doordat zijn genadewerking ook de heidenen bereikt. De tot geloof gekomen heidenen verliezen hun vijandschap tegen de Torah en worden in betrekking tot Israël gebracht.
Ef.2:15 wordt dikwijls in verband gebracht met Cl.2:14. Men stelt dan in de laatstgenoemde tekst “het handschrift dat tegen ons was, in inzettingen”, gelijk aan de Torah Doch Origenes heeft reeds opgemerkt dat het “cheirographon” hier de “schuldbrief” is. In het apocriefe boek Tobias wordt de term in deze zin gebruikt (Tob.5:3; 9:3). De oud-Joodse literatuur handelt vaak over een dergelijke brief, die zich in Gods handen bevindt, en waarop de balans staat van de goede en de boze daden van de Jood (Zie Strack-Billerbeck ad Cl.2:14). In het Nieuwe Testament komt de term buiten Cl.2:14 niet voor.
Hb.7:18: “Want de vernietiging van het voorafgaande gebod geschiedt om zijn zwakheid en onprofijtelijkheid”. En: Hb. 9:10: “alleen…voor het vlees, tot op de tijd der verbetering opgelegd”.
De brief aan de Hebreeën gaat verder dan de beginselen van het woord van Christus (Hb.6:1), en beschouwt vooral de wijze waarop de uiteindelijke volkomenheid wordt bereikt. Deze volkomenheid, zo stelt de schrijver, wordt niet bereikt door de levitische priesterschap. Zij wordt bereikt door middel van Christus, de volmaakte priester. En in verband met de instelling van dit volmaakte priesterschap, geschiedt er een verandering van de Torah (:12), en de afschaffing van het voorafgaande gebod (:18). Want dit laatste kon niet volmaken (Hb.7:19; 9:9).
We hebben hier eindelijk een Schriftplaats gevonden die spreekt over het afschaffen van de Torah van Mozes. Het komt er nu op aan na te gaan wanneer dit zal gebeuren. Dit leert ons Heb.9:10: “inzettingen des vleses, tot op de tijd der herstelling opgelegd”. Wanneer is dat?
Het woord “herstelling” is de vertaling van “diorthôsis”, dat nergens anders voorkomt in de Griekse Schriften. “Orthos” betekent “recht”, en het bijwoord “orthôs”: “op rechte wijze” (zie bijv. Lc.20:21). “Diorthôma” komt volgens sommige handschriften voor in Hd.24:3, ter aanduiding van volkomen rechte maatregelen die, naar het oordeel van de redenaar Tertullus, door Felix genomen waren. We mogen dus besluiten dat “diorthôsis” een “volkomen rechtzetten” van alle dingen aanduidt. Wat de schrijver met dit volkomen rechtzetten bedoelt, wordt bepaald door Hb.9:11, waar hij de volmaakte tabernakel stelt tegenover hetgeen tot de tegenwoordige schepping behoort. Deze tabernakel bestaat ook nu, doch bevindt zich “in de hemelen” (Hb.8:1). Er komt echter een tijd waar deze tabernakel, met het nieuwe Jerusalem, uit de hemel zal neerdalen en bij de mensen zijn (Op.21:2-3). Dus ten tijde van de nieuwe hemel en aarde, dus van de nieuwe schepping, na de toekomende aioon. Dan zal er geen aardse tempel meer zijn, noch zonde of dood. Alles zal volkomen recht zijn.
Het blijkt dus dat de “vlesen” inzettingen slechts afgeschaft zullen worden aan het einde van de toekomende aioon, d.i. het Messiaanse vrederijk, waarin Israël het doel van zijn verkiezing zal uitvoeren, en alle volken in en met Abraham zullen gezegend worden. Men ziet dat dit de woorden des Heren bevestigt, volgens welke er volstrekt geen enkele jota noch letterteken van de Torah zal verdwijnen zolang de tegenwoordige hemel en aarde bestaan (Mt.5:18).
Hb.10:18: “Waar nu vergeving ervan is, daar is geen offerande meer voor de zonde.” Inderdaad, er moet geen tweede werkelijke en afdoende offerande meer komen, zoals die van het kruis. Deze geschiedde eens en voor altijd. Doch de afbeelding van die offerande, die op zichzelf nooit waarde had, maar die de betrekking tot het kruisoffer uitdrukte, kan evengoed dienst doen na het kruisoffer als ervoor. Zie bijv. Ez.40-45. Dat onze tekst niet leert dat er geen symbolische offeranden meer geofferd moeten worden, blijkt zeer duidelijk uit het feit, dat Hb.10:5-7 een aanhaling is van Ps.40:7-9. Toen deze psalm geschreven werd, bestond de offerdienst volgens de goddelijke instellingen van de Torah.
Naar onze mening staat er niets in de brieven van Paulus, noch in die aan de Hebreeën, dat ons toelaat te veronderstellen, dat de Torah te niet gedaan is, of onwerkzaam gemaakt door het kruis. De Joden die in de Messias geloofden moesten nog steeds al de inzettingen volgen. Ze waren echter geen slaven der Torah. Ze waren vrij van de vloek der Torah, omdat ze deze niet in eigen kracht hielden, doch door de genadige inwerking van Gods Geest.
De gedachte waartegen Paulus gedurende zijn apostelschap heeft gestreden is dus zeker niet, dat de Torah niet meer van kracht was, doch wel dat geen mens uit de legalistische inachtneming der Torah kan gerechtvaardigd worden. De rechtvaardiging kan niet worden verdiend. Zij wordt om niet geschonken, door middel van het vertrouwend en trouw blijvende geloof, dank zij het offer van Christus.
Dat Paulus in het bijzonder nooit ofte nimmer de Joden geleerd heeft af te vallen van de Torah van Mozes, blijkt in het bijzonder uit Paulus’ levensgeschiedenis zelf. Hij werd immers beschuldigd tegen het volk, de Torah en de tempel te leren en te handelen (Hd.21:28). Daartegenover stelt Paulus dat hij een Jood is, en “aan de voeten van Gamaliël onderwezen naar de nauwgezetste wijze der vaderlijke Torah, zijnde een ijveraar Gods, gelijk gij allen heden zijt” (Hd.22:3). En tegenover de Joodse raad betuigt hij duidelijk: “Mannen broeders, ik ben een Farizeër, de zoon van een Farizeër” (Hd.23:6). En tegenover stadhouder Felix: “zij kunnen niet bewijzen waarvan zij mij nu beschuldigen” (Hd.24:13). En later, tegenover Festus: “Ik heb noch tegen de Torah der Joden, noch tegen de tempel, noch tegen de keizer iets gezondigd”. Nadat Paulus zich op de keizer heeft beroepen (Hd.25:10-11) betuigt hij zijn zaak nogmaals tegnover koning Agrippa, in niet mis te verstane bewoordingen: “Mijn leven dan van der jonkheid aan, dat van den beginne onder mijn volk te Jerusalem geweest is, weten al de Joden; Als die van over lang mij te voren gekend hebben (indien zij het wilden getuigen), dat ik, naar de nauwgezetste sekte van onze godsdienst, als een Farizeër geleefd heb” (Hd.26:4-5). En: “…hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op deze dag, betuigende beiden klein en groot; niets zeggende buiten hetgeen de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zou” (Hd.26:22). En wanneer hij te Rome de Joden ontmoet stelt hij nogmaals: “Mannen broeders, ik die niets gedaan heb tegen het volk of de vaderlijke gewoonten, ben gebonden uit Jerusalem overgeleverd in de handen der Romeinen” (Hd.28:17). En dat hij bij dit standpunt is gebleven wordt bevestigd door zijn laatste brief (2.Tm), waarin hij vaststelt: “In mijn eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten.” (2.Tm.4:16). Ook te Rome is de apostel niet van standpunt veranderd, maar is als een getrouwe Jood zijn weg gegaan, de weg van de Torah.
III. THEOLOGISCHE OVERWEGINGEN.
Van de systematisch-theologische redenen die voor de zondagsviering worden aangevoerd is eigenlijk alleen de verrijzenis van Christus op de eerste dag der week (namelijk na de sabbat van Pesach, dus op de dag der eerstelingen) van belang. We zullen daarom deze reden voor de zondagsviering hier nagaan. De verrijzenis als reden voor de zondagsviering wordt tevens als argument beschouwd en gehanteerd tegen de sabbatsviering, aangezien de dag van Christus’ verblijf in het graf een sabbat was. We zullen ook dit gegeven in onze beschouwingen betrekken.
Hoewel we niet willen ontkennen dat de zondag, de eerste dag der week een bijzonder karakter heeft verkregen door de verrijzenis des Heren, is er niettemin geen enkele aanleiding om op grond van het feit van de verrijzenis de zondag in plaats van de sabbat te stellen.
In de eerste plaats kan de zondag nimmer de sabbat vervangen in zijn karakter van heilige rustdag. Alleen de sabbat, niet een andere dag, is door God zelf gezegend en geheiligd (Gn 2:2), en op deze wijze geschikt gemaakt voor cultische rust en eredienst. Weliswaar kan en moet God iedere dag worden geëerd, doch geen der andere dagen is door God zelf geschikt gemaakt om in zijn geheel aan Hem te worden toegewijd. Wanneer men als antwoord op Gods heiliging van de zevende dag niettemin een andere dag neemt om aan Hem toe te wijden, waartoe is dan de bij de schepping ingestelde heiliging van de sabbat geschied? Wanneer men, uit welke edele motivering ook, een andere dag aan Hem toewijdt dan Hij zelf heeft ingesteld, vervalt men ongewild in eigenwillige godsdienst.
Vervolgens is de zondag naar zijn eigen aard en plaats, zowel met betrekking tot de schepping als met betrekking tot de verrijzenis, ongeschikt als rustdag. De zondag als de eerste scheppingsdag is juist een dag van activiteit, niet van rust. De zondag als dag der verrijzenis is eveneens een dag van activiteit. Zoals op de eerste dag het licht uit de duisternis werd geroepen, zo werd op de zondag van de verrijzenis het nieuwe leven uit de dood opgeroepen. Wie dus wil pleiten voor een heiliging van de zondag, zal deze heiliging dienen te scheiden van de rust. Als de zondag een bijzondere godsdienstige betekenis heeft, kan die betekenis slechts liggen in het eren van de verrijzenis, niet evenwel in het houden van zondagsrust. De christen zou, als volgeling van de Verrezene, juist de zondag actief, werkzaam dienen te beleven. Naar hetgeen de zondag symboliseert zou hij op deze dag in het bijzonder de kracht van de verrijzenis dienen uit te werken in zijn leven.
Dan komt echter het probleem op dat op deze wijze een scheiding tot stand komt tussen eredienst en rust. De zondag, zo opgevat, zou wel een dag van eredienst zijn, niet van rust. Na de uitvoering van de eredienst zou men dienen te gaan werken. De scheiding van eredienst en rust ligt echter geheel niet in de lijn van de H.Schrift. Eredienst en rust horen schriftuurlijk gezien bij elkaar. De H.Schrift beschouwt de rust op de sabbat en de feestdagen als een vrij zijn voor God. Vrij zijn voor God vooronderstelt echter een losgemaakt zijn van de dagelijkse zorgen (Vgl. Ex.31:15; 16:23,25; 35:2). Indien men de dag van eredienst scheidt van de rustdag, doet men tekort zowel aan de rust als aan de eredienst. Men doet tekort aan de eredienst, want deze dient bij voorkeur, hetgeen vanzelf spreekt, voltrokken te worden in een sfeer van vreugde en vrijheid, niet temidden van allerlei beslommeringen. De eredienst dient op te komen uit de rust, die een ingekeerd zijn is tot God. Men doet tekort aan de rust, want wanneer de rustdag wordt losgemaakt van de dag van eredienst, wordt de rust vrijwel uitsluitend een profane rust. Zij is dan menselijke ontspanning, maar geen rust in God. Dit geldt ook dan, wanneer die rust wel degelijk als gave van God wordt beleefd en beschouwd. Want indien de van de eredienst gescheiden rustdag als goddelijke gave wordt beschouwd, wat is er dan meer voor de hand liggend dan ook deze dag op bijzondere wijze, dus als dag van eredienst, aan God toe te wijden? Als rustdag en dag van eredienst aldus weer verbonden worden, is de meest logische stap om de sabbat te vieren, waarin door God zelf eredienst en rust reeds vanaf den beginne zijn verenigd. De scheiding van eredienst en rust is theoretisch onaannemelijk, praktisch niet door te voeren, en werkt een gespletenheid in de hand wat betreft onze verhouding tot God.
Als men de scheiding van eredienst en rust wenst te vermijden, en niettemin toch de zondag aanhoudt als de dag van eredienst, verzandt men in de situatie dat men de zondagsrust moet motiveren met behulp van het gebod of minstens de notie van de sabbatsrust. Maar hoe kan dit geschieden, indien het sabbatsgebod en de notie van de sabbatsrust betrekking hebben op de zevende, niet op de eerste dag der week? Aldus wordt duidelijk dat de theologie van de zondag een paradoxale aangelegenheid is.
Als theologisch tegenargument tegen het voorafgaande wordt aangevoerd dat de sabbat ongeschikt is geworden om te vieren, daar hij de dag was van Christus’ verblijf in het graf. “Daags na Goede Vrijdag heeft de volmaakte rust van Christus in het graf een einde gemaakt aan de oude voorafbeelding. Deze zaterdag van de dood was de dood van de sabbat” zo stelt Häring (In: De Wet van Christus, II.259,3).
Deze opvatting vergeet dat verheerlijking des Heren reeds begint bij de graflegging. Nadat op de vrijdag van het lijden de verzoening is aangebracht, volgt de sabbatsrust in het graf, als voorbereiding op de verrijzenis. De Messias is “bij de rijke in zijn dood geweest” (Js.53:9; Jh.19:38-42). Zoals er een sabbatsrust van God was na het scheppingswerk, zo was er een sabbatsrust van de Messias na het verlossingswerk. Door de dood en de verrijzenis des Heren is de sabbat niet afgeschaft. Hij is juist definitief bevestigd. Op grond van de aangebrachte verzoening heeft de wekelijkse sabbat, als viering van deze verzoening, een verdiepte zin verkregen. Deze verzoening en deze sabbatsrust worden gevierd vanuit het perspectief van de verrijzenis. Dat betekent evenwel niet dat de dag der verrijzenis, de zondag, de plaats van de sabbat inneemt, of dat de sabbat is afgeschaft. Integendeel, vanuit de bekendheid met het feit van de verrijzenis, is het mogelijk geworden op een vernieuwde wijze de sabbat te vieren, als verwachting van het koningschap van de Messias en van onze eigen verrijzenis. Wie van de sabbat een sombere zaterdag wil maken, een geïsoleerde gedachtenis van Jesus’ verblijf in het graf, beschouwt deze dag niet in het teken van de verrijzenis. Zoals ook degene die van de vrijdag een geisoleerde gedachtenisdag van Jesus’ kruislijden wil maken deze dag niet in het teken van de verrijzenis, waardoor een dergelijke gedachtenis eerst zijn zinvolheid verkrijgt, beschouwt.
IV. DE CHRISTOLOGISCHE STRUCTUUR VAN DE SABBAT
De betekenis van de sabbat kan het beste worden gestaafd door zich te bezinnen op het centrum van het Christendom, dat Christus zelf is. Hij is immers de Heer ook van de sabbat (Mc.2:28). De sabbat bezit namelijk een wat men zou kunnen noemen christologische structuur. Dat wil zeggen een structuur die uitdrukking geeft aan het centrale heilsmysterie, dat Christus is. Dit wordt duidelijk vanuit een blik op de praktijk van de sabbatsviering zoals deze in het Jodendom en bij judaïserende christenen wordt gevonden, wanneer deze praktijk vanuit de Schriftgegevens wordt beschouwd. Uit deze stelling volgt dat men niets verliest wanneer men de zondag door de sabbat vervangt. Integendeel, zoals zal blijken, wordt daarmee veel gewonnen.
De sabbat begint vrijdagavond tegen zonsondergang en eindigt bijgevolg zaterdagavond na zonsondergang (Zie: Neh.13:19). De zevende dag wordt reeds begonnen in het laatste deel van de zesde dag. In de Joodse levenspraktijk ontsteekt men voor zonsondergang lampen en kaarsen, en laat men de sabbat ingaan met licht en overvloed en met grote vreugde. Het laatste deel van de zesde dag wordt aldus bij de sabbat getrokken. Daarmee wordt uitgedrukt dat de zes voorafgaande dagen hun bestemming en heiliging vinden in de sabbat en in de sabbat uitmonden. De veelvuldigheid van de schepping, die op de zesde scheppingsdag haar grootste rijkdom bereikt, wordt in de sabbat als in een trechter verzameld, teneinde te worden geheiligd. En de ontplooiing van de menselijke prestatie en arbeid, die op de zesde dag haar grootste uitbreiding bereikt, wordt evenzo in de sabbat binnengevoerd, om aan God ter heiliging te worden aangeboden.
Het aanbieden van de scheppingsrijkdom aan God is een typisch menselijke taak en aangelegenheid. In de mens, die op het einde van de zesde scheppingsdag wordt geschapen, ligt namelijk heel de rijkdom van de schepping besloten. Na de schepping van de mens, Gods laatste scheppingsdaad, houdt God op met scheppen en stelt de sabbat in. Eigenlijk is het ophouden met scheppen identiek met het instellen van de sabbat. Het is nu de taak van de mens, als antwoord op Gods sabbatsheiliging, om in de zevende dag de rijkdom van de schepping bewust op God, de oorsprong, te betrekken, en zo heel de schepping op haar bestemming te richten.
Door de intrede van de zondeval is er niet slechts sprake van een veelvuldigheid in de schepping, doch ook van versplintering en verscheurdheid. De mens, die de schepping in zichzelf diende te vereningen, maakte zich los van zijn goddelijke bestemming, en keerde zich tegen zijn Schepper. Daardoor werd de gave harmonie van de schepping aangetast en keerden de scheppingskrachten zich ook tegen elkaar, zowel in de mens als buiten de mens. In het vieren van de sabbat ligt daarom sindsdien een verwijzing naar de verlossing, en daarmee naar de Verlosser. De instelling van de sabbat in Israël is daarom een belofte van verlossing. De bevrijding uit de Egyptische slavernij is een eerste teken, en een begin van deze verlossing. Daarom is de sabbat ook een herdenking van de bevrijding uit Egypte (Dt.5:12-15). Door deze bevrijding wordt Israël immers geschikt gemaakt om als Gods volk te leven, en om de oorspronkelijke bestemming van de mens, de heiliging, opnieuw op zich te nemen.
In de door Christus aangebrachte verzoening op het kruis, is de grondslag van de definitieve verlossing gelegd. Verzoening is slechts mogelijk doordat de zonde aan een volmaakte offergave wordt gebonden. Slechts in het volmaakte offer is een zo sterke gerichtheid op God, dat het antwoord, Gods genade-uitstorting, overmatig kan zijn, zodat de zonde wordt verzoend. In het offer van zijn kruislijden en dood, dat voleindigd wordt in het laatste deel van de zesde dag, het negende uur, laat Jesus alle verscheurdheid en zinloosheid van de zonde op zich aanlopen. In zijn lijden neemt Hij de zonde der wereld op zich, en biedt zichzelf als een volmaakt offer aan God aan. Hij heiligt heel de door de zonde ontheiligde schepping door haar op zich te nemen, en haar, in zijn offerdood, aan God aan te bieden om vernieuwd en herschapen te worden. Het antwoord van God op dit volmaakte offer is de verrijzenis, waarin in Christus als eersteling, de volkomen vernieuwing van de schepping gestalte aanneemt. Vanuit de verrezen Christus als het beginsel, kan heel de schepping deelkrijgen aan deze vernieuwing en heiliging.
Christus’ sabbat in het graf, na zijn verzoeningswerk, is aldus uitdrukking van zijn volkomen afhankelijkheid, naar zijn menselijke natuur beschouwd, van God, voor Zijn deelkrijgen aan de verrijzenis. En van de verwachting van deze verrijzenis. Deze sabbat is ook uitdrukking van zijn volmaakte rust in God, na het volbrachte verlossingswerk, dat Hem door God was opgedragen (Hb.10:5-10).
Bijgevolg is voor hen die in Christus zijn de sabbat teken van de aangebrachte verzoening met God en van de begonnen verlossing. En hij is voor hen uitdrukking van de verwachting van de voltooiing, de eigen verrijzenis. Het vieren van de sabbat is na Christus geworden tot een wijze van het zich gereed houden voor en het verwachten van de eindvoltooiing, de verrijzenis van hen die Christus toebehoren, en de oprichting van het Koninkrijk Gods.
We zien hier een opmerkelijk verschil tussen de sabbat en de zondag. De sabbat is niet de uitdrukking van de verrijzenis zelf. Hij is de uitdrukking van de verwachting van de verrijzenis. De verrijzenis zelf wordt uitgedrukt door de zondag voorzover deze wordt beschouwd als de dag na de sabbat, als achtste dag. De verrijzenis zelf is nog alleen in Christus zelf volle werkelijkheid. Christus deelt de kracht van zijn verrijzenis echter mede aan hen die Hem toebehoren, op de wijze van een beginsel waaruit zij leven. Aan dit beginsel heeft men deel door het geloof. De zondag drukt dus, wat de verrijzenis betreft, uit wat wij reeds hebben: het ons geschonken nieuwe leven van het geloof, als beginsel van activiteit, waardoor Christus in ons werkzaam is. De sabbat drukt, wat de verrijzenis betreft, uit wat wij nog moeten ontvangen, en waarvoor wij ons steeds meer ontvankelijk moeten maken: onze eigen verrijzenis, en de komst van het Koninkrijk Gods. Men ziet hier ook weer duidelijk hoe misplaatst de opvatting is als zou de zondag een rustdag zijn. De rust hoort bij de ontvankelijkheid, welke door de sabbat wordt uitgedrukt. Bij de zondag hoort het in de orde van het nieuwe leven actief inzetten van de gaven die men als antwoord op de ontvankelijkheid tijdens de sabbat heeft verworven.
Nu wordt duidelijk hoe de zesde, de zevende en de achtste dag bij elkaar horen. De zesde dag is de dag van de voltooiing van het scheppingswerk van God en van de voltooiing van het verlossingswerk van de Messias. Het ophouden met het scheppen op de zesde dag is het begin van de sabbat, en de volbrenging van het verlossingswerk op Goede Vrijdag is het begin van Christus’ sabbatsrust in het graf. Dit graf is de doorgang naar het nieuwe leven van de verrijzenis, na de sabbat, op de eerste dag der week.
Dit alles ligt ook uitgedrukt in de sabbatsviering. We hebben reeds gezegd dat de sabbatsviering vrijdags, tegen het vallen van de avond, aanvangt, met licht en vreugde. In het hier uiteengezette christologische perspectief betekent dit dat de wekelijkse viering van verzoening en verlossing aanvangt nog op dezelfde dag waarop het verlossingswerk is verricht en de verzoening is aangebracht. Voor de viering van de dankzegging voor de verlossing, de Eucharistie of het Avondmaal, lijkt de vrijdagavond dus wel de bij uitstek geschikte tijd te zijn. De moeite van de arbeid (Gn.3:17-19), die voor de gelovige een vorm is van het kruisdragen achter Christus aan, houdt op, en een adempauze van plechtig feestvieren neemt zijn aanvang, waarin de voorafgaande werkdagen op hun zin en bestemming worden gericht, de heiliging in Christus. In het vieren van de verlossing wordt de veelheid van de zes werkdagen tot eenheid verbonden en gericht op de ene God: oorsprong, verlosser en voleinder van het schepsel. De sabbat is daarom de dag van de hereniging van schepper en schepsel, en van de schepselen onderling, in de harmonie van de aangebrachte verzoening. Zo gaat de mens, op grond van de door Christus aangebrachte verzoening, vanuit de zesde dag de zevende dag binnen. Hij krijgt deel aan de rust van God, doordat hij rust in het verzoeningswerk van de Middelaar, waarin God zelf Zijn rust vindt. Deze rust in het verzoeningswerk is de grond voor het deelkrijgen aan de verrijzenis.
Deze doorgang naar de verrijzenis wordt vooral uitgedrukt in de zaterdag zelf. Het op vrijdag ontstoken licht is nu gedoofd, en er wordt geen nieuw licht gemaakt. Men betracht een volkomen rust, waarin de tijd wordt gewijd aan eredienst en aan studie van de Heilige Schrift. Op deze wijze wordt de ontvankelijkheid voor Gods spreken en voor zijn inwerking gecultiveerd. Als in een ark, of als in een graf, gaat de mens zo doorheen de zevende dag, in afwachting van de komende wereld.
Het einde van de sabbat, het donker worden van de zevende dag, is als het einde van een wereld. Deze wereld, dit leven, waarin de verlossing weliswaar wordt ontvangen, maar nog slechts in het geloof, gaat voorbij, zoals ook het geloofsleven zelf voorbijgaand is en eenmaal plaats moet maken voor de aanschouwing. Zoals Mozes plaats maakt voor Jozua, David voor Salomo, en de tabernakel voor de tempel, zo maakt de sabbat plaats voor de achtste dag. Jozua is in beeld de opgestane Mozes, die het beloofde land binnentrekt, wat aan Mozes niet was toegestaan. Salomo is in beeld de opgestane David die het koninkrijk vast maakt. Hij bouwt de tempel, hetgeen aan David was ontzegd. Hier is telkens een overgang van het voorlopige en beweeglijke naar het definitieve en onbeweeglijke (Vgl. Hb.12:27).
Deze overgang, van de zevende naar de achtste dag, is geheel anders van aard dan de vorige overgang, van de zesde naar de zevende dag. De overgang van de zesde naar de zevende dag is van werk en strijd naar rust en vrede, van onverzoend, verscheurd en versplinterd bestaan naar verzoening en harmonie. De overgang van de zevende naar de achtste dag is die van de rust in de aangebrachte verzoening naar de vereeuwiging hiervan, de overgang van dood naar verrijzenis, waaruit nooit meer een terugval mogelijk is naar het onverzoende bestaan. Nog anders gezegd: Op de zesde dag wordt de genade door de Middelaar verworven. Op de zevende dag wordt deze genade uitgedeeld aan de Hem toebehorenden. Op de achtste dag wordt deze genade, die op de zevende dag nog voorlopig is, voor eeuwig vastgemaakt.
De achtste dag komt niet voor op de aardse kalender. De doorgang van de zevende naar de achtste dag neemt op onze aardse kalender onmiddellijk de vorm aan van een doorgang van de zevende dag naar de eerste dag van een nieuwe week. Dat deze doorgang naar de eerste dag niettemin de betekenis heeft van een verrijzenis, en van een overgang naar de achtste dag, ligt uitgedrukt in de Joodse levenspraktijk bij sabbateinde.
Wanneer de sabbat haar einde nadert en het donker wordt, heerst er een sfeer van stilte en soberheid. Het is als het einde van een wereld, want de gehele week, die in de sabbat verzameld ligt, komt ten einde in het einde van de sabbat zelf. Het wordt donker. Dan eerst, wanneer de sabbat volledig voorbij is gegaan en er drie sterren aan de hemel staan, wordt een nieuw licht ontstoken, het licht van de verrijzenis en van de achtste dag. Dat is het ogenblik waarop de profeet Elia wordt verwacht om de nieuwe koning aan te kondigen. Een nieuwe maaltijd wordt opgediend, die van de eeuwige koning David, de gezalfde. De maaltijd dus van koning Messias. Op deze wijze wordt de avond na de sabbat gevierd als het aanbreken van de achtste dag. En er is opnieuw plaats voor vreugde. Men viert de komst van de nieuwe wereld, de wereld van de verrijzenis.
Zoals reeds gezegd komt aan de achtste dag geen werkelijke betekenis toe volgens de aardse kalender. Onmiddellijk na sabbateinde breekt een nieuwe eerste dag aan. Voor de verrijzenis en het eeuwigheidsleven is op deze kalender geen plaats. Slechts in de overgang zelf van de zevende naar de eerste dag licht de achtste dag even op, als in een glimp. De verrijzenis is in deze wereld nog geen vast gegeven. Zij is nog geen algemene werkelijkheid. Daarom is er geen plaats voor onvermengde vreugde bij het komen van de nieuwe dag. De vreugde is met droefheid gemengd. Want de sabbat gaat weg, en van de verrijzenis licht slechts even een vonk op.
Ook dit aspect van sabbateinde wordt door de Joodse levenspraktijk uitgedrukt. Men beeindigt de sabbat namelijk door de scheiding (hawdala) uit te spreken tussen de gewijde tijd van de sabbat en de ongewijde tijd van de werkdagen. De associatie van het opnieuw ontstoken licht met de komst van de Messias en de verrijzenis vindt dus strikt genomen plaats in de ongewijde tijd. En de maaltijd na sabbateinde wordt met een andere naam ook het uitgeleide van de koningin genoemd. De koningin is de sabbat, die op vrijdagavond als een bruid werd verwelkomd. Zij neemt nu afscheid.
Vanuit een christelijk perspectief is het zinvol dat de gedachtenis aan de verrijzenis op een werkdag, dus in een ongewijde tijd, valt. Want de wijding van de verrijzenis is nu nog bij Christus alleen. Wij hebben nog slechts deel aan de verrijzenis in hoop en geloofsvertrouwen. Dus op de wijze van de verwachting van de verrijzenis, welke door de sabbat wordt uitgedrukt.
Het instellen van de zondag als rust- en feestdag betekent vanuit het voorafgaande een ongeoorloofd vooruitgrijpen naar de vervulling van deze hoop op de verrijzenis. De verrijzenis van Christus wordt in de zondagsviering opgevat als een reeds hanteerbaar principe. Men meent vanuit deze verrijzenis reeds in staat te zijn tot een definitief ofwel theocratisch handelen. In concreto meent men reeds de definitieve eredienst te kunnen instellen. Christus’ verrijzenis is ons echter niet gegeven als een principe dat ons ter beschikking staat, en van waaruit wij zondermeer tot handelen kunnen overgaan. Zij is een werkelijkheid die wij in het geheel niet kunnen bevatten, en waarvoor wij voortdurend meer opengemaakt dienen te worden. Onze ontvankelijkheid ervoor dient te worden gecultiveerd. Welnu, onze ontvankelijkheid voor de verrijzenis cultiveren wij bij uitstek in het houden van de sabbat, waarin de aangebrachte verzoening, dat is het begin van de verlossing, en de verwachting van onze verrijzenis worden uitgedrukt, zoals we hierboven hebben laten zien. De cultivering van de verwachting van onze eigen verrijzenis staat gelijk aan de cultivering van onze ontvankelijkheid voor de verrijzenis van Christus. Want zijn verrijzenis is het beginsel van onze verrijzenis.
V. GEVOLGTREKKINGEN
Uit al het voorafgaande besluiten we dat er niets in het Nieuwe Testament is te vinden waarop men een afschaffing van de sabbat of van de instellingen van de Torah in het algemeen zou kunnen grondvesten. Iedere leer die zulk een afschaffing voorstaat maakt zich schuldig aan een ongeloorloofd vooruitgrijpen naar de volmaaktheid van het Koninkrijk Gods. De Messias heeft in zijn eerste komst, de komst van zijn vernedering en verwerping, wel de grondslag gelegd voor het Koninkrijk Gods. Die grondslag is gelegd in Zijn offerdood. Het Koninkrijk breekt zelf echter eerst aan bij Zijn komst in heerlijkheid. En dit Messiaanse Koninkrijk bereikt zijn volmaaktheid eerst in de definitieve herschepping van van hemel en aarde, in de verrijzenis. Tot het aanbreken van deze definitieve toestand blijven de onderscheidingen die de Torah maakt, en al haar instellingen, van kracht. Het onderscheid tussen rein en onrein wordt slechts opgeheven wanneer en doordat er geen onreinheid meer is; het onderscheid tussen goed en kwaad wordt slechts opgeheven wanneer en doordat er geen kwaad meer is; het onderscheid tussen gewijd en ongewijd wordt slechts opgeheven wanneer en doordat er niets ongewijds meer is.
Wie de onderscheiden van de Torah voortijdig opheft, bereikt slechts dat het onreine rein, het kwade goed, het ongewijde gewijd genoemd wordt, zonder het daadwerkelijk te zijn. Wie de voorschriften van de Torah nu, in de situatie van de ballingschap, terzijde stelt met een beroep op “de vrijheid in Christus” bereikt slechts dat hij aan willekeurig, d.i. Torah-loos handelen, een gewijde schijn geeft. In werkelijkheid wordt het tegendeel bereikt: een systematische wetteloosheid wordt tot wet gemaakt.
Ook de vervanging van de sabbat door de zondag staat in het teken van het ongeoorloofd vooruitgrijpen naar de volmaaktheid. Men meent de zevende dag vervangen te hebben door de achtste dag, de zondag. Wil men aan deze dag echter een gewijde sfeer verlenen, dan ontkomt men er niet aan er (sommige van de) bepalingen van de sabbat op toe te passen. Daarmee geeft men impliciet toe dat de sabbat niet door iets beters of hogers vervangen is. Anderzijds holt men echter, door een andere dag te nemen, de grondslag van de sabbatsviering en van de sabbatsrust uit. Ongewild komt men zo, in zijn poging de sabbat door de zondag te overtreffen, juist uit bij het tegendeel: bij een verwereldlijking van de gewijde tijd.
Uit het voorafgaande blijkt duidelijk dat de christelijke vervanging van de sabbat door de zondag onwettig is geweest. De inspiratie waaronder de sabbat in het Christendom is vervangen door de zondag blijkt te zijn een overspannen Messianisme, dat de onderscheidingen en inzettingen van de Torah als achterhaald beschouwt. Dit Messianisme wil Jesus als de Messias eren, maar wordt tegelijkertijd gekenmerkt door een negéren van de Torah. Dit nu kan niet samengaan, want Jesus, de in het vlees gekomen eeuwige Torah (Jh.1:1,14) is zelf de zin en bestemming van de geschreven en de mondelinge Torah. In Hem komt de heel de overgeleverde Torah tot haar hoogste volkomenheid. De navolging van Jesus moet dientengevolge het doen van (al de geboden van) de Torah insluiten, zoals Hij zelf heeft betuigd:
“Meent niet, dat ik gekomen ben, om de Torah of de profeten te ontbinden; ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar te vervullen. Want voorwaar zeg ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota noch één tittel van de Torah voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied” (Mt.5:18).
En de apostel Johannes stelt omonwonden: “…hieraan kennen wij, dat wij Hem gekend hebben, zo wij zijn geboden bewaren” (1.Jh.2:3); en: “Die zegt, dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf alzo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft” (1.Jh.2:6).
Beek bij Nijmegen,
29 februari 1996
9 Adar 5756
OPGAVE VAN GEBRUIKTE LITERATUUR
C.E.B. Cranfield, St.Paul and the Law; In: Scottish Journal of Theology 17 (1964) 43-68.
L. Erwteman, De Torah alleen voor de Joden? In: Melach HaAretz, maandblad van de Stichting Beth Yeshua Nederland, Houten april 1995.
L. Erwteman, De Torah alleen voor de Joden? deel 2; In: Melach HaAretz, maandblad van de Stichting Beth Yeshua Nederland, Houten mei 1995.
B. Häring, De Wet van Christus, Het Spectrum, Utrecht-Antwerpen 1961.
S. van Mierlo, Het Goddelijk Voornemen, Uitgave van “Uit de Schriften’’, Amsterdam-Aalten z.j. (Zie: http://levendwater.org/boeken/het_goddelijk_voornemen/frameset.htm?index_voornemen.html&inhoudsopgave_voornemen.htm)
S. van Mierlo, De Verbonden en de Wet, Uitgave van S. van Mierlo, Aix en Provence 1962. (Zie: http://levendwater.org/boeken/het_goddelijk_voornemen/frameset.htm?index_voornemen.html&inhoudsopgave_voornemen.htm)
D.H. Stern, Messianic Jewish Manifesto, Jewish New Testament Publications, Jerusalem 1991 (1988).
F. Weinreb, De Bijbel als Schepping, Servire, Wassenaar 1976.
Recent Comments