Een bijdrage aan de discussie rond het thema “Zondag of Sjabbat?”
De christelijke betekenis van de Sjabbat kan het beste worden gestaafd door zich te bezinnen op het centrum van het Christendom, dat Christus zelf is. Hij is immers de Heer ook van de Sjabbat.[1] De Sjabbat bezit namelijk een wat men zou kunnen noemen christologische structuur. Dat wil zeggen een structuur die uitdrukking geeft aan het centrale heilsmysterie, dat Christus is. Dit wordt duidelijk vanuit een blik op de praktijk van de Sjabbatviering zoals deze in het Jodendom en bij Torah observante christenen wordt gevonden, wanneer deze praktijk vanuit de Schriftgegevens wordt beschouwd. Uit deze stelling volgt dat men niets verliest wanneer men de zondag door de Sjabbat vervangt. Integendeel, zoals zal blijken, wordt daarmee veel gewonnen.
De Sjabbat begint vrijdagavond tegen zonsondergang en eindigt zaterdagavond na zonsondergang.[2] De zevende dag wordt namelijk reeds begonnen in het laatste deel van de zesde dag. In de joodse levenspraktijk ontsteekt men vrijdags voor zonsondergang lampen en kaarsen, en laat men de Sjabbat ingaan met licht en overvloed en met grote vreugde. Het laatste deel van de zesde dag wordt aldus bij de Sjabbat getrokken.[3] Daarmee wordt uitgedrukt dat de zes voorafgaande dagen hun bestemming en heiliging vinden in de Sjabbat en in de Sjabbat uitmonden. De veelvuldigheid van de schepping, die op de zesde scheppingsdag haar grootste rijkdom bereikt, wordt in de Sjabbat als in een trechter verzameld, teneinde te worden geheiligd. En de ontplooiing van de menselijke prestatie en arbeid, die op de zesde dag haar grootste uitbreiding bereikt, wordt evenzo in de Sjabbat binnengevoerd, om aan God ter heiliging te worden aangeboden.[4]
Het aanbieden van de scheppingsrijkdom aan God is een typisch menselijke taak en aangelegenheid. In de mens, die op het einde van de zesde scheppingsdag wordt geschapen, ligt namelijk heel de rijkdom van de schepping besloten. Na de schepping van de mens, Gods laatste scheppingsdaad, houdt God op met scheppen en stelt de Sjabbat in. Eigenlijk is het ophouden met scheppen identiek met het instellen van de Sjabbat. Het is nu de taak van de mens, als antwoord op Gods Sjabbatsheiliging, om in de zevende dag de rijkdom van de schepping bewust op God, de oorsprong, te betrekken, en zo heel de schepping op haar bestemming te richten.[5]
Door de intrede van de zondeval is er niet slechts sprake van een veelvuldigheid in de schepping, doch ook van versplintering en verscheurdheid. De mens, die de schepping in zichzelf diende te vereningen, maakte zich los van zijn goddelijke bestemming, en keerde zich tegen zijn Schepper. Daardoor werd de gave harmonie van de schepping aangetast en keerden de scheppingskrachten zich ook tegen elkaar, zowel in de mens als buiten de mens. In het vieren van de Sjabbat ligt sindsdien een verwijzing naar de verlossing, en daarmee naar de Verlosser. De instelling van de Sjabbat in Israël is een belofte van verlossing. De bevrijding uit de Egyptische slavernij is een eerste teken, en een begin van deze verlossing. Daarom is de Sjabbat ook een herdenking van de bevrijding uit Egypte.[6] Door deze bevrijding wordt Israël immers geschikt gemaakt om als Gods volk te leven, en om de oorspronkelijke bestemming van de mens, de heiliging, waaronder het vieren van de Sjabbat, opnieuw op zich te nemen.
In de door Christus aangebrachte verzoening op het kruis, is de grondslag van de definitieve verlossing gelegd. Verzoening is slechts mogelijk doordat de zonde aan een volmaakte offergave wordt gebonden. Slechts in het volmaakte offer is een zo sterke gerichtheid op God, dat het antwoord, Gods genade-uitstorting, overmatig kan zijn, zodat de zonde wordt verzoend. In het offer van zijn kruislijden en dood, dat voleindigd wordt in het laatste deel van de zesde dag, het negende uur, laat Jezus alle verscheurdheid en zinloosheid van de zonde op zich aanlopen. In zijn lijden neemt Hij de zonde der wereld op zich, en biedt zichzelf als een volmaakt offer aan God aan. Hij heiligt heel de door de zonde ontheiligde schepping door haar op zich te nemen, en haar, in zijn offerdood, aan God aan te bieden om vernieuwd en herschapen te worden. Het antwoord van God op dit volmaakte offer is de verrijzenis, waarin in Christus als eersteling, de volkomen vernieuwing van de schepping gestalte aanneemt. Vanuit de verrezen Christus als het beginsel, kan heel de schepping deelkrijgen aan deze vernieuwing en heiliging.
Christus’ Sjabbat in het graf, na zijn verzoeningswerk, is aldus uitdrukking van zijn volkomen afhankelijkheid van God voor zijn deelkrijgen aan de verrijzenis. En van de verwachting van deze verrijzenis. Deze Sjabbat is ook uitdrukking van zijn volmaakte rust in God, na het volbrachte verlossingswerk, dat Hem door God was opgedragen.
Bijgevolg is voor hen die in Christus zijn de Sjabbat teken van de aangebrachte verzoening met God en van de begonnen verlossing. En hij is voor hen uitdrukking van de verwachting van de voltooiing, de eigen verrijzenis. Het vieren van de Sjabbat is na Christus geworden tot een wijze van het zich gereed houden voor en het verwachten van de eindvoltooiing, de verrijzenis van hen die Christus toebehoren, en de oprichting van het Koninkrijk Gods.[7] We zien hier een opmerkelijk verschil tussen de Sjabbat en de zondag. De Sjabbat is niet de uitdrukking van de verrijzenis zelf. Hij is de uitdrukking van de verwachting van de verrijzenis. De verrijzenis zelf wordt uitgedrukt door de zondag voorzover deze wordt beschouwd als de dag na de Sjabbat, als achtste dag. De verrijzenis zelf is nog alleen in Christus zelf volle werkelijkheid. Christus deelt de kracht van zijn verrijzenis echter mede aan hen die Hem toebehoren, op de wijze van een beginsel waaruit zij leven. Aan dit beginsel heeft men deel door het geloof. De zondag drukt dus, wat de verrijzenis betreft, uit wat wij reeds hebben: het ons geschonken nieuwe leven van het geloof, als beginsel van activiteit, waardoor Christus in ons werkzaam is. De Sjabbat drukt, wat de verrijzenis betreft, uit wat wij nog moeten ontvangen, en waarvoor wij ons steeds meer ontvankelijk moeten maken: onze eigen verrijzenis, en de komst van het Koninkrijk Gods. Hier ziet men hoe misplaatst de opvatting is als zou de zondag een rustdag zijn. De rust hoort bij de ontvankelijkheid, welke door de Sjabbat wordt uitgedrukt. Bij de zondag hoort het in de orde van het nieuwe leven actief inzetten van de gaven die men als antwoord op de ontvankelijkheid tijdens de Sjabbat heeft verworven.[8]
Nu wordt duidelijk hoe de zesde, de zevende en de achtste dag bij elkaar horen. De zesde dag is de dag van de voltooiing van het scheppingswerk van God en van de voltooiing van het verlossingswerk van de Messias. Het ophouden met het scheppen op de zesde dag is het begin van de Sjabbat, en de volbrenging van het verlossingswerk op Goede Vrijdag is het begin van Christus’ Sjabbatsrust in het graf. Dit graf is de doorgang naar het nieuwe leven van de verrijzenis, na de Sjabbat, op de eerste dag der week. Dit alles ligt ook uitgedrukt in de Sjabbatviering. We hebben reeds gezegd dat de Sjabbatviering vrijdags, tegen het vallen van de avond, aanvangt, met licht en vreugde. In het hier uiteengezette christologische perspectief betekent dit dat de wekelijkse viering van verzoening en verlossing aanvangt nog op dezelfde dag waarop het verlossingswerk is verricht en de verzoening is aangebracht. Voor de viering van de dankzegging voor de verlossing, de Eucharistie of het Avondmaal, lijkt de vrijdagavond dus wel de bij uitstek geschikte tijd te zijn. De moeite van de arbeid, die voor de gelovige een vorm is van het kruisdragen achter Christus aan, houdt op, en een adempauze van plechtig feestvieren neemt zijn aanvang, waarin de voorafgaande werkdagen op hun zin en bestemming worden gericht, de heiliging in Christus. In het vieren van de verlossing wordt de veelheid van de zes werkdagen tot eenheid verbonden en gericht op de ene God: Oorsprong, Verlosser en Voleinder van het schepsel. De Sjabbat is daarom de dag van de hereniging van Schepper en schepsel, en van de schepselen onderling, in de harmonie van de aangebrachte verzoening. Zo gaat de mens, op grond van de door Christus aangebrachte verzoening, vanuit de zesde dag de zevende dag binnen. Hij krijgt deel aan de rust van God, doordat hij rust in het verzoeningswerk van de Middelaar, waarin God zelf Zijn rust vindt. Deze rust in het verzoeningswerk is de grond voor het deelkrijgen aan de verrijzenis.
Deze doorgang naar de verrijzenis wordt vooral uitgedrukt in de zaterdag zelf. Het op vrijdag ontstoken licht is inmiddels uitgedoofd, en er wordt geen nieuw licht gemaakt.[9] Men betracht een volkomen rust, waarin de tijd wordt gewijd aan eredienst en aan studie van de Heilige Schrift. Op deze wijze wordt de ontvankelijkheid voor Gods spreken en voor de inwerking van Zijn Geest gecultiveerd. Als in een ark, of als in een graf, gaat de mens zo door de zevende dag heen, in afwachting van de komende wereld. Het einde van de Sjabbat, het donker worden van de zevende dag, is als het einde van een wereld. Deze wereld, dit leven, waarin de verlossing weliswaar wordt ontvangen, maar nog slechts in het geloof, gaat voorbij, zoals ook het geloofsleven zelf voorbijgaand is en eenmaal plaats moet maken voor de aanschouwing. Zoals Mozes plaats maakt voor Jozua, David voor Salomo, en de tabernakel voor de tempel, zo maakt de Sjabbat plaats voor de achtste dag. Jozua is in beeld de opgestane Mozes, die het beloofde land binnentrekt, wat aan Mozes niet was toegestaan. Salomo is in beeld de opgestane David die het koninkrijk vast maakt. Hij bouwt de tempel, hetgeen aan David was ontzegd. Hier is telkens een overgang van het voorlopige en beweeglijke naar het definitieve en onbeweeglijke.[10] Deze overgang, van de zevende naar de achtste dag, is geheel anders van aard dan de vorige overgang, van de zesde naar de zevende dag.
De overgang van de zesde naar de zevende dag is van werk en strijd naar rust en vrede, van onverzoend, verscheurd en versplinterd bestaan naar verzoening en harmonie. De overgang van de zevende naar de achtste dag is die van de rust in de aangebrachte verzoening naar de vereeuwiging hiervan, de overgang van dood naar verrijzenis, waaruit nooit meer een terugval mogelijk is naar het onverzoende bestaan. Nog anders gezegd: Op de zesde dag wordt de genade door de Middelaar verworven. Op de zevende dag wordt deze genade uitgedeeld aan de Hem toebehorenden. Op de achtste dag wordt deze genade, die op de zevende dag nog voorlopig is, voor eeuwig vastgemaakt.
De achtste dag komt niet voor op de aardse kalender. De doorgang van de zevende naar de achtste dag neemt op onze aardse kalender onmiddellijk de vorm aan van een doorgang van de zevende dag naar de eerste dag van een nieuwe week. Dat deze doorgang naar de eerste dag niettemin de betekenis heeft van een verrijzenis, en van een overgang naar de achtste dag, ligt uitgedrukt in de joodse levenspraktijk bij Sjabbateinde. Wanneer de Sjabbat haar einde nadert en het donker wordt, heerst er een sfeer van stilte en soberheid. Het is als het einde van een wereld, want de gehele week, die in de Sjabbat verzameld ligt, komt ten einde in het einde van de Sjabbat zelf. Het wordt donker. Dan eerst, wanneer de Sjabbat volledig voorbij is gegaan en er drie sterren aan de hemel staan, wordt een nieuw licht ontstoken, het licht van de verrijzenis en van de achtste dag. Dat is het ogenblik waarop de profeet Elia wordt verwacht om de nieuwe koning, de Messias, aan te kondigen. Een nieuwe maaltijd wordt opgediend, die van de eeuwige koning David, de gezalfde. De maaltijd dus van koning Messias. Op deze wijze wordt de avond na de Sjabbat gevierd als het aanbreken van de achtste dag. En er is opnieuw plaats voor vreugde. Men viert de komst van de nieuwe wereld, de wereld van de verrijzenis.
Zoals reeds gezegd komt aan de achtste dag geen werkelijke betekenis toe volgens de aardse kalender. Onmiddellijk na Sjabbateinde breekt een nieuwe eerste dag aan. Voor de verrijzenis en het eeuwigheidsleven is op deze kalender geen plaats. Slechts in de overgang zelf van de zevende naar de eerste dag licht de achtste dag even op, als in een glimp. De verrijzenis is in deze wereld nog geen vast gegeven. Zij is nog geen algemene werkelijkheid. Daarom is er geen plaats voor onvermengde vreugde bij het komen van de nieuwe dag. De vreugde is met droefheid gemengd. Want de Sjabbat gaat weg, en van de verrijzenis licht slechts even een vonk op.
Ook dit aspect van Sjabbateinde wordt door de joodse levenspraktijk uitgedrukt. Men beeindigt de Sjabbat namelijk door de scheiding (havdalah) uit te spreken tussen de gewijde tijd van de Sjabbat en de ongewijde tijd van de werkdagen. De associatie van het opnieuw ontstoken licht met de komst van de Messias en de verrijzenis vindt dus strikt genomen plaats in de ongewijde tijd. En de maaltijd na Sjabbateinde wordt met een andere naam ook het uitgeleide van de koningin genoemd. De koningin is de Sjabbat, die op vrijdagavond als een bruid werd verwelkomd. Zij neemt nu afscheid. Vanuit een christelijk perspectief is het zinvol dat de gedachtenis aan de verrijzenis op een werkdag, dus in een ongewijde tijd, valt. Want de wijding van de verrijzenis is nu nog bij Christus alleen. Wij hebben nog slechts deel aan de verrijzenis in hoop en geloofsvertrouwen. Dus op de wijze van de verwachting van de verrijzenis, welke door de Sjabbat wordt uitgedrukt.
Het instellen van de zondag als rust- en feestdag betekent vanuit het voorafgaande een ongeoorloofd vooruitgrijpen naar de vervulling van deze hoop op de verrijzenis. De verrijzenis van Christus wordt in de zondagsviering opgevat als een reeds hanteerbaar principe. Men meent vanuit deze verrijzenis reeds in staat te zijn tot een definitief ofwel theocratisch handelen. In concreto meent men reeds de definitieve eredienst te kunnen instellen. Christus’ verrijzenis is ons echter niet gegeven als een principe dat ons ter beschikking staat, en van waaruit wij zondermeer tot handelen kunnen overgaan. Zij is een werkelijkheid die wij in het geheel niet kunnen bevatten, en waarvoor wij voortdurend meer opengemaakt dienen te worden. Onze ontvankelijkheid ervoor dient te worden gecultiveerd. Welnu, onze ontvankelijkheid voor de verrijzenis cultiveren wij bij uitstek in het houden van de Sjabbat, waarin de aangebrachte verzoening, dat is het begin van de verlossing, en de verwachting van onze verrijzenis worden uitgedrukt, zoals we hierboven hebben laten zien. De cultivering van de verwachting van onze eigen verrijzenis staat gelijk aan de cultivering van onze ontvankelijkheid voor de verrijzenis van Christus. Want zijn verrijzenis is het beginsel van onze verrijzenis.
——————————————————————————–
[1] Mk. 2:27-28: En Hij zeide tot hen: De sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat. 28Alzo is de Mensenzoon heer ook over de sabbat.
[2] Neh. 13:19: Zodra het dan in de poorten van Jeruzalem donker werd, vóór de sabbat, sloot men op mijn bevel de deuren, en ik beval, dat men ze niet zou openen tot na de sabbat.
[3] Weinreb 147-148: Deze dagelijkse praktijk nu laat de zevende dag ingaan met grote vreugde, met veel licht en overvloed. De zevende dag is na het laatste deel van de zesde dag, met de ontmoeting met de slang en het nemen van de boom der kennis, op het toppunt van ontwikkeling en van kunnen, na de verdrijving daardoor uit die wereld van het Paradijs, een bewijs dat God de mens brengt in een nieuwe wereld, in een nieuw leven, en hem in die zevende dag weer zal leiden tot de een-wording. De zevende dag wordt eigenlijk reeds begonnen in het laatste deel van de zesde dag. Een deel waarin ook de ontmoeting met de slang de vernietigende gevolgen begon te vertonen en waar het grootste gevaar dreigde, wordt bij de Sabbath getrokken, welke dan ook ruim een uur eerder begint dan de dag feitelijk behoort te beginnen. [F. Weinreb, De Bijbel als schepping, Servire — Wassenaar 1976.]
[4] Ex. 20:8: Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt; 9zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; 10maar de zevende dag is de sabbat voor de Here, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont. 11Want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de Here de sabbatdag en heiligde die. [Curs. GtH] Weinreb 112,2: En dus op die zevende dag komt zij tot stand, die hereniging van alles wat voordien nog als tegenstelling tegenover elkaar stond. Daarom b.v. begint ook in het dagelijkse Joodse leven de Sabbath met een twee-heid van b.v. de twee broden, en de twee kaarsen, welke tweeheid door de heiliging van de Sabbath tot een een-heid wordt gebracht. De weg van de Sabbath is zoals in het eerste scheppingsverhaal verteld, de weg van zegen en heiliging door God. [F. Weinreb, o.c.]
[5] Gen. 2:2-3: Toen God op de zevende dag het werk voltooid had, dat Hij gemaakt had, rustte Hij op de zevende dag van al het werk, dat Hij gemaakt had. 3En God zegende de zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat God scheppende tot stand had gebracht. [Curs. GtH] Ex. 31:14: Gij zult de sabbat onderhouden, want deze is iets heiligs voor u […]
[6] Deut. 5:12-15: Onderhoud de sabbatdag, dat gij die heiligt, zoals de Here, uw God, u geboden heeft. 13Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen, 14maar de zevende dag is de sabbat van de Here, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw rund, noch uw ezel, noch uw overige vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont, opdat uw dienstknecht en uw dienstmaagd rusten zoals gij; 15want gij zult gedenken, dat gij dienstknechten in het land Egypte geweest zijt, en dat de Here, uw God, u vandaar heeft uitgeleid met een sterke hand en met een uitgestrekte arm; daarom heeft u de Here, uw God, geboden de sabbatdag te houden.
[7] Hebr. 4:9-10: Er blijft dus een sabbatsrust voor het volk van God. 10Want wie tot zijn rust is ingegaan, is ook zelf tot rust gekomen van zijn werken, evenals God van de zijne.
[8] Rom. 6:8: Indien wij dan met Christus gestorven zijn, geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven […]
[9] Ex. 35:3: Gij zult in geen van uw woningen vuur ontsteken op de sabbatdag.
[10] Hebr. 12:27: Dit: [nog eenmaal,] doelt op een verandering der wankele dingen als van iets, dat slechts geschapen is, opdat blijve, wat niet wankel is.
Recent Comments