Archive for the 'Torah-observance' Category

Gentiles and the Great Commandment: An Argument for Torah Observance

 

by Geert ter Horst

 

As the story goes, when the Bishop was asked what he thought of sin, he answered with simplicity and conviction that he was against it. With equal conviction and simplicity I can say, when asked what I think of Torah observance, that I’m for it. Nowadays, however, some of the Ministries active in the world of Messianic Judaism seem to have developed the tendency to relegate the non-Jewish believer in Messiah to a Noachide position qua observing the commmandments. This means that according to these Ministries non-Jews are only obligated to fulfil the Seven Commandments of the sons of Noach. If this position is correct, then it inevitably follows that non-Jewish Christians are not bound by what is called the Great Commandment in the Apostolic Scriptures. This commandment — to love G-d above all things and your neighbour as yourself — is found in the Written Torah. Its first part is found in the Shema (Dt. 6:4): “Hear O Yisrael: HaShem our G-d, HaShem is One: and thou shalt love HaShem thy G-d with all thine heart, and with all thy soul, and with all thy might”. This is the first part of the Great Commandment, as is confirmed by our Messiah in Mk. 12:29-30. The second part is found in Lv. 19:18: “Thou shalt not avenge, nor bear any grudge against the children of thy people, but thou shalt love thy neighbour as thyself: I am HaShem”. This part is confirmed by Messiah in Mk. 12:31.

 

It is clear from the context of the verses in Dt. 6:4 and Lv. 19:18, that both parts of this Great Commandment are only for Yisrael. As to the first part this is immediately evident, because it is directly linked with the Shema Yisrael and the confession of the Shema is specifically directed to Yisrael. Nobody can apply the Shema to him- or herself, by reciting it, if he or she is not included in the community of Yisrael. As to the second part it is equally evident, because the commandment to love the neighbour is part of the stipulations introduced in Lv. 19:2 by the words: “Speak unto all the congregation of the children of Yisrael, …etc”.

 

The two parts of the Great Commandment are not contained in the Noachide Commandments however, as is clear from the Bible (in Gen. 9) as well as from later Rabbinic tradition. Thus we can safely conclude, that if it is true that non-Jewish Christians have the position of Noachides and not of Israelites, then they are free from this Great Commandment, and are neither obligated to love HaShem with their whole hearts and above all things, nor to love their neighbours as themselves.

 

But this conclusion is in clear conflict with the many admonitions found in the Apostolic Scriptures to love G-d and one another, e.g. in 1 Jn. 2:4-5, 10; 3:23-24; 4:7-12, and especially 4:20-21. These verses are not only for Jewish believers, and the love required there is certainly not of a lower nature than that demanded in the Torah, for love here is strongly related to perfection, and is thus of the highest nature, as is equally true of the nature of love in 1 Cor. 13. Therefore it cannot be a tenable theological proposal to relegate the non-Jews to a position of Noachides — in so far as the mitzvoth are in view — which practically means to exclude them from the Covenant Community of Yisrael.

 

If Gentile believers are to express their recognition of eternal salvation — which is by means of G-d’s love made excessively manifest in Messiah Yeshua — by thankfully returning love to G-d and by loving their neighbours according to the demands of the Great Commandment (who would doubt this?), then the other commandments must necessarily follow and apply to them as well. For the other commandments are nothing else but the specifications and determinations of how to express this fundamental commandment of love in a proper and righteous way. It is impossible to fulfil the Great Commandment without the help of the further specifications of the other commandments.

 

Relegating the non-Jewish Christians — especially those who have developed a genuine love for the mitzvoth — to a Noachide position may on the long term be spiritually dangerous, ultimately destructive of their Christian faith, and a seducing influence leading them to accept a secular lifestyle. For the Noachide commandments, viewed in isolation from the remainder of the Torah, are completely insufficient to express the spiritual richness the Gentiles have been made partakers of in Messiah Yeshua our Lord.

Israel en de Gemeente van de Messias

 

 

Een poging tot nuancering van het dispensationalisme

 

 

door Geert ter Horst

 

 

 

I.         HET BEDELINGSONDERSCHEID VAN HD. 28:28 

 

In tegenstelling tot de traditionele leer van het Christendom, wordt in de Bijbel niet gezegd dat Israel niet langer G’ds volk is, en dat de christelijke kerk Israels plaats heeft ingenomen. Evenmin wordt in de Bijbel gezegd dat Israel in de tegenwoordige bedeling niet G’ds volk is, terwijl het dit eens weer zal zijn, zoals door de vroegere (J.N. Darby e.a.) en latere (C.H. Welch e.a.) dispensa­tionalisten gesteld wordt.

 

         Mijn eigen standpunt komt overeen met dat van de latere dispensatio­nalisten voor wat betreft de aanname van een bedelingsonderscheid op het einde van de periode van de Handelingen der Apostelen, om precies te zijn in Hd.28:28. Ik zal evenwel, binnen dit standpunt blijvend, een nuancering aan­brengen in de plaats van Israel in de huidige bedeling. In samenhang met deze nuan­cering zal ik een daaruit voortvloeiende nuancering aanbrengen in het karakter van deze bedeling. Het onderstaande bevat de uiteenzetting van deze nuanceringen.

 

 

1.         Inleiding en hypothese

 

Veelal hebben de latere dispensationalisten gemeend dat de verandering in Hd.28:28 een volledige breuk inhield met de gehele voorafgaande heils­geschiedenis. De zending van de Messias tot de goyim zou inhouden dat alle participatie aan de zegeningen en heilsgoederen van Israel tot een einde kwam. Dit had tot gevolg dat men aan de huidige bedeling een zuiver geestelijk en onzichtbaar karakter moest geven. Dit leidde, onbedoeld, tot een sterke saecu­larisatie, daar de specifiek godsdienstige vormgeving van het dagelijks leven nagenoeg werd prijsgegeven. De praktische relevantie van de godsdienst werd gereduceerd tot een zuiver ethische. Voorts leidde deze opvatting tot span­ningen met de Bijbelse visie op de mens als ondeelbare lichamelijk-geestelijke een­heid, en tot een filosofisch onverdedigbare antropologie.

 

         Nu waren ook reeds J.N. Darby en de vroegere dispensationalisten wat betreft de Gemeente en de tegenwoordige bedeling veelal extreem spiritua­listisch ingesteld. Men is kennelijk tot deze stellingname gekomen doordat men het onderscheid tussen de Israel en de Gemeente alleen vermocht te denken met behulp van de categorieën van de traditionele vervangingstheologie, die men juist bestreed. Wellicht dat men als gevolg daarvan het bedelings­onderscheid van Hd.28:28 verwoordde in termen die herinneren aan deze vervangingstheologie. Door dit laatste wordt echter de betrekking tot het contem­poraine Jodendom onvruchtbaar, want irrelevant, terwijl door het spiritualisme de gehele hypothese van het dispensationalisme zowel Bijbels als filosofisch wordt gedisqualificeerd.

 

         Mijn eigen hypothese luidt dat dit spiritualisme noch deze resten van vervangingstheologie noodzakelijke ingrediënten zijn van het standpunt dat een bedelingsonderscheid verdedigt op grond van Hd.28:28. Sterker, ik meen dat de besliste afwijzing van deze twee bestanddelen de interne en externe cohe­rentie van het dispensationalisme ten goede komt. In de eerste plaats wordt een positieve betrekking tot het Jodendom mogelijk, en worden de wijsgerig onaanvaardbare kenmerken geweerd. In de tweede plaats verliest het onder­scheid van Hd.28:28 zo zijn uitzonderlijk en eenmalig karakter van een bijkans volledige breuk, hetgeen beter overeenstemt met het methodologische beginsel van het zogenaamde scheermes van Occam: entia non sunt multiplicanda praeter necessitatem.

 

 

2.         De continuïteit van Israel

 

In Hd.28:28 wordt gezegd dat Israels Messias, aangeduid als het heil G’ds, tot de goyim is afgezonden. We moeten ervoor waken hier niet onmiddellijk in het traditionele christelijke vooroordeel verzand te raken, dat Israels afwij­zing van Yeshua met zich mee zou brengen dat het volk Israel niet langer als G’ds eigendom zou bestaan. Israel heeft weliswaar Yeshua als Messias nodig om tot zijn volle bestemming te komen, niet echter om als volk van G’d te bestaan. Het bestond immers als zodanig reeds eeuwen voor Yeshua’s geboorte, en het bestaat ook nu nog als G’ds volk, aangezien het nog steeds door zijn bijzondere en unieke bezit, de Torah, wordt gekenmerkt.

 

         Hiermee stemmen overeen de woorden van de profeet Yirmeyahu:

 

          Zo zegt HaShem, die de zon tot een licht geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren tot een licht des nachts, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, HaShem der legerscharen is Zijn Naam; Indien deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt HaShem, zo zal ook het zaad Israels ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen. Zo zegt HaShem: Indien de hemelen daarboven gemeten en de fundamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het ganse zaad Israels verwerpen, om alles wat zij gedaan hebben, spreekt HaShem. (Jer.31:35-37)

 

         Geen enkel onderscheid qua bedelingen, ook niet het onderscheid van Hd.28:28, heeft met zich mee gebracht dat de ordeningen des hemels zijn geweken van voor HaShems aangezicht. Bijgevolg is Israel nog steeds een volk voor Zijn aangezicht. En geen enkele bedeling, ook niet de bedeling van na Hd.28:28, heeft wie dan ook in staat gesteld de hemelen te meten of de funda­menten der aarde te doorgronden. Bijgevolg heeft HaShem het ganse zaad Israels niet verworpen.

 

         Men kan in dezen niet zijn toevlucht nemen tot het vaak gehanteerde onderscheid dat Israel weliswaar als (natuurlijk) volk voortbestaat, echter niet als G’ds volk. Als G’ds volk zou het zijn verworpen. Dit stemt niet alleen niet overeen met de aangehaalde tekst van Yirmeyahu, maar verraadt opnieuw een chris­telijk voor­oordeel. In de Christen is er namelijk een onder­scheid tussen zijn zijn zonder­meer en zijn Christen-zijn. De Christen komt niet als Christen ter wereld. Hij is in eerste instantie een mens en pas in tweede instantie een Christen. De Jood is echter, afgezien van het uitzonder­lijke geval van een giur, onmiddellijk en door geboorte Jood. Zijn mens-zijn ligt nooit buiten zijn Jood-zijn. Reeds in de moederschoot is hij gerelateerd aan de Torah. Zodra hij bestaat legt de Torah haar beslag op hem, om hem te behan­delen hem als lid van G’ds volk.

 

         Gedurende de Handelingentijd was, in tegenstelling tot wat vele Chris­tenen menen, niet aan de orde of Israel als Gods volk zou blijven voortbestaan, of dat zij door een andere entiteit, de christelijke kerk, zal worden afgelost. Gedurende die tijd was daarentegen aan de orde of Israel als Koninkrijk zou worden hersteld (Hd.1:6), en of het volk, door het aanvaarden van zijn Koning, de Messias, tot zijn eindbestemming zou komen. In Hd.28:28 is het duidelijk dat Israel in meerderheid niet bereid was Yeshua te aanvaarden als Messias-Koning. Dit betekent dat G’d zijn volk niet tot het volkomen herstel vermocht te brengen. Het Koninkrijk van Israel kon om die reden voorshands niet opgericht worden, het Messiaanse tijdperk en de vernieuwing van de schepping in de Olam habah, de komende wereld, zouden voor onbepaalde tijd moeten worden uitgesteld.

 

         Dit uitstel van de Messiaanse bestemming van Israel wordt door Rav Sha’ul, na zijn debat met de joodse leidslieden te Rome, aangekondigd door de aanha­ling van het oordeel van de profeet Yesha`yahu:

 

          Ga heen tot dit volk, en zeg: Met het gehoor zult gij horen, en geenszins verstaan; en ziende zult gij zien, en geenszins bemerken. Want het hart van dit volk is dik geworden, en met de oren hebben zij zwaar gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zij zich bekeren, en Ik hen geneze (Hd.28:26-27).

 

         Nogmaals, houdt dit oordeel in dat Israel niet langer G’ds volk is? Geenszins! Dat Israel G’ds volk is, wordt juist voorondersteld door dit oordeel. Het is áls G’ds volk, dat Israel onder dit oordeel valt! Israel is G’ds volk sinds de Uittocht uit Egypte en het ontvangen van de Torah op Sinaï, en blijft dit voor altijd. Het op de berg Sinaï gesloten verbond is onverbrekelijk. Een verwerping van Israel als volk van G’d is dus in het geheel niet aan de orde, hier niet, en nergens. Het gaat hier om iets dat zich afspeelt op een ander niveau, namelijk de Messiaanse bestemming van Israel. Het hierboven door Sha’ul aangehaalde oordeel van verblinding betreft juist deze Messiaanse bestemming. Het is zeer belangrijk deze twee niveau’s, het niveau van Israels fundamentele constitutie als G’ds volk en het niveau van Israels uiteindelijke bestemming, goed te onderscheiden. Het uitstel van deze Messiaanse bestem­ming vernietigt niet de fundamentele constitutie van het G’dsvolk. Verwaar­lozing van dit onderscheid bergt het gevaar in zich van anti-joodse Schriftuitleg en van vervangingstheologie.

 

         Het gevolg van Israels nationale afwijzing van Yeshua HaMashiach, zowel in Eretz Yisrael als in de galut en van het daarop volgende oordeel is dat G’d de zending van de Messias voorlopig losmaakt van de heroprichting van Israels Koninkrijk. Dit is het gebeuren van Hd.28:28. Was deze losmaking niet geschied, dan zou alles wat betreft de progressie van Gods heilsplan voor deze wereld tot stilstand zijn gekomen. Ook de zending van de Messias zou niet verder hebben kunnen gaan, en als mislukt moeten worden beschouwd.

 

         De zending van de Messias wordt echter, zo blijkt uit Hd.28:28, geconti­nueerd, in weerwil van Israels ontrouw. Sha’ul verklaart zijn joodse toe­hoorders in Rome:

 

          Het zij u dan bekend, dat het heil G’ds tot de goyim gezonden is, en dezen zullen horen.

 

         Hoe moet deze uitspraak worden opgevat? Ze kan in ieder geval niet betekenen dat de status G’ds volk te zijn van Israel wordt overgedragen op de goyim. Dit zou in strijd zou zijn met de aangehaalde woorden van Yirmeyahu. Dit zou overigens wel de consequentie zijn van het dispensationalisme, voor­zover daarin de verwerping van Israel wordt gekoppeld aan het feit dat het heil G’ds, de Messias, niet langer tot hen gezonden is. Wanneer de status van Israel als G’ds volk uitsluitend hangt aan het feit dat de Messias al of niet tot hen gezonden is, dan ligt de conclusie voor de hand dat de goyim G’ds volk worden zodra de Messias tot dézen gezonden is. En dan hebben we dus in een andere gedaante de traditionele vervangingstheologie van het Christendom terug, waartegen juist het dispensationalisme altijd protest heeft aangetekend.

 

         Om antwoord te verkrijgen op onze vraag moeten we ons te binnen brengen wat er tijdens de Handelingenperiode wel is gelukt. In de eerste plaats is er een joods overblijfsel gevormd. Een deel van het joodse volk heeft Yeshua als Messias erkend (Hd.2:41; 21:20). Nog tijdens dezelfde Handelingen­periode, vanaf de roeping van Cornelius (Hd.10) zijn aan dit joodse overblijfsel gelovige goyim, meestens g’dvrezenden, toegevoegd. Deze twee groepen vor­men in de Hande­lingentijd samen de Gemeente van de Messias.

 

         Het bijzondere van deze goyim was dat zij bij Israel waren gevoegd in een positie die onderscheiden was van die van volledige proselieten. Deze goyim vormden na Hd.28:28 de grondslag voor de latere uitbreiding van G’ds heilswerk, toen de Messias uitdrukkelijk tot de goyim werd gezonden. Enerzijds waren zij in een hecht verband met de Messiasbelijdende Joden gekomen, en hadden zo de gelegenheid gehad veel te leren van de Torah en van Israels godsdienst; anderzijds waren zij niet formeel tot het Jodendom overgegaan, en hadden dus de banden met hun niet-joodse omgeving behouden. Zij waren dus bij uitstek geschikt om de joodse evangelieboodschap door te geven aan hun medegoyim.

 

         Er waren dus reeds goyim aan de joodse Messias verbonden. In de Handelingentijd was de uitbreiding van de Gemeente onder de goyim echter gelimiteerd. Het evangelie werd namelijk in iedere plaats eerst aan de Joden verkondigd (Rom.1:16). Slechts joodse afwijzing van de boodschap gaf aan­leiding tot de verkondiging onder de goyim. Zelfs deze verkondiging was in laatste instantie weer op Israel gericht, want zij geschiedde om Israel tot jaloersheid te prikkelen (Rom.10:19; 11:11,14). Bovendien was slechts een kleine groep van de joodse gelovigen betrokken bij de verkondiging aan de goyim, voornamelijk Sha’ul en zijn metgezellen. De gelovigen uit de goyim hadden niet het recht om op eigen initiatief zending te bedrijven of om op de een of andere wijze ambtelijk op te treden. We lezen in de Handelingen van geen enkele goy die mensen bij de Gemeente voegde door het waterbad van het mikvah, of die door s’mikhah, de handoplegging, anderen bijzondere taken of bevoegdheden toebedeelde. Dit alles was in joodse handen.

 

         Dit alles wordt anders na Hd.28:28, wanneer Yeshua als de verhoogde Messias zelf tot de goyim wordt gezonden. Dan worden de bovengenoemde beperkingen doorbroken, en wordt de zending tot de goyim universeel.

 

         In de Handelingentijd was dus geen sprake van een universele zending onder de goyim. Het ging hier om een uitverkiezing onder de goyim, om, zoals Ya`akov zegt, uit hen een volk aan te nemen voor Zijn Naam. Dit komt omdat er geen sprake was van een zending van de Messias tot de goyim. De bemoeie­nissen van de Messias met de goyim droegen het karakter van een bezoek (Hd.15:14). Na dit bezoek zou volgens Ya`akov het Koninkrijk van Israel van G’dswege weer opgericht worden, en zou het herstelde Israel de overgebleven goyim toebrengen. Amotz (9:11-12) parafraserend stelt hij:

 

          Na dezen zal Ik weerkeren, en weer opbouwen de tabernakel van David, die vervallen is, en wat daarvan verbroken is weer opbouwen, en Ik zal die weer oprichten; opdat de overblijvende mensen HaShem zoeken, en al de goyim, over wie Mijn Naam aange­roepen is, spreekt HaShem, die dit alles doet (Hd.15:16-17).

 

         Zijn nu, na Hd.28:28 alle banden met Israel doorgesneden? Beslist niet! Er is immers in de Handelingentijd niet alleen een groep van gelovige goyim gevormd. Er is bovendien een overblijfsel gevormd uit het huis Israels, een groep van Messiasbelijdende Joden, inzonderheid tijdens Sha’uls gesprek met de joodse leiders te Rome (Hd.28:24). Dit zou nog aan te vullen zijn met het argument dat Sha’ul in zijn Brief aan de Romeinen te berde brengt. De kern van dit argument is dat hijzelf het bewijs is dat G’d Zijn volk niet verstoten heeft, aangezien hijzelf een Israeliet is (Rom.11:1). Men kan wel pogen hier tegen in te brengen dat de Romeinenbrief is geschreven vóór Hd.28:28, doch deze bedenking werpt het argument niet omver. De logische kracht van het gebruikte argument is onafhankelijk van (verandering van) bedelingen. Sha’ul blijft na Hd.28:28 een Messiasbelijdende Jood.

 

         Er dient zich nu het probleem aan van de aard van de relatie van de Messiasbelijdende Joden tot de gelovige goyim in de Gemeente na Hd.28:28. Tevens dient zich het probleem aan van de relatie van deze Gemeente tot het huis Israels in het algemeen.

 

 

 

II.        JODEN EN GOYIM IN DE GEMEENTE

 

 

Voor de oplossing van het eerste probleem zullen we vooral de zgn. gevangen­schapsbrieven van Sha’ul, dat zijn de brieven geschreven na de Handelingen­tijd, moeten raadplegen. We zullen hier wat passages behandelen uit de Efese­brief.

 

 

1.         Joden en goyim in de brief aan Efese

 

In deze brief wordt het onderscheid tussen de Joden en de goyim veelal aange­geven via de tegenstelling `wij’ en `u’. `Wij’, dat zijn Sha’ul en de zijnen, de joodse aanhangers van Yeshua, zoals blijkt uit de frase: `wij, die eerst op de Messias gehoopt hebben’ (1:12). `U’ (of `gij’) duidt de goyim aan, zoals in de frase `u, die goyim zijt’ (3:1).

 

         Sha’ul richt zich in deze brief in het bijzonder tot de goyim. Hij schetst hun vorige toestand, voordat zij, door de zending van Sha’ul in aanraking kwamen met de G’d van Israel:

 

          Daarom, gedenkt uw vorige staat, gij goyim in het vlees, voorhuid genoemd door hen die zijn besnijdenis in het vlees, die met handen geschiedt; Dat gij in die tijd waart zonder Messias, vervreemd van het burgerschap Israels, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zonder G’d in de wereld (Ef.2:11-12).

 

         Jood-zijn of goy-zijn, zo legt Sha’ul uit, is een questie van hoe men `in het vlees’ is, een questie van geboorte. Als goy geboren zijn bracht echter allerlei nadelen met zich, die Sha’ul hier opsomt. Deze nadelen komen er in essentie op neer dat de goy geen Israeliet was. Daardoor had hij geen aandeel aan de G’d van Israel, aan de Messias van Israel, aan de verbonden der be­lofte. De goy stond ver af van al deze dingen (:13).

 

         Sha’ul schetst vervolgens de grote verandering die gekomen is door Messias Yeshua:

 

          Maar nu in Messias Yeshua, zijt gij, die eertijd verre waart, nabij geworden door het bloed van de Messias (Ef.2:13).

 

         Door de Messias van Israel, die zich via de bediening van Sha’ul tot de goyim heeft gewend, zijn de goyim nabij gebracht, op grond van de bloed­storting van de Messias. Nabij wat? Nabij datgene waar ze eerst veraf van stonden: de Messias zelf, het burgerschap Israels, de verbonden der belofte, de G’d van Israel.

 

         Op welke wijze dit nabijbrengen geschied? Zijn de goyim Joden gewor­den? In geen geval! Sha’ul had immers uitgelegd dat Jood-zijn of goy-zijn een questie van geboorte is. Het verschil in geboorte tussen Jood en goy kan niet opgeheven worden. Het nabijbrengen van de goy zal dus op andere wijze dienen te geschieden. Sha’ul wijst hier op de Messias:

 

          Want Hij is onze shalom, die deze beiden één gemaakt heeft, en de m’chitzah gebroken hebbende, heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees te niet gemaakt, de Torah der geboden in inzettingen; opdat Hij die twee in Zichzelf tot een nieuwe mens zou scheppen, zo shalom makende; en Hij die beiden met G’d in één lichaam zou verzoenen door het kruis, de vijandschap daaraan gedood hebbende. En komende heeft Hij shalom ver­kondigd u, die verre waart, en hen, die nabij waren. Want door Hem hebben wij beiden de toegang door één Geest tot de Vader. Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en huisgenoten G’ds (Ef.2:14-19).

 

         De Messias is degene die de beiden, Jood en goy, één gemaakt heeft. Dit heeft Hij gedaan door de m’chitzah, de middelmuur der omtuining, te breken. Deze m’chitzah dienen we dus op te vatten als een instantie die Jood en goy gescheiden houdt. Welke instantie dit is wordt niet gezegd. Uit het vervolg van de zin kunnen we echter opmaken dat het wellicht de Torah is, of althans iets dat met de Torah in nauw verband staat. Er wordt namelijk gezegd dat de Messias de vijandschap, eveneens een scheiding makend iets, in Zijn vlees te niet gemaakt heeft, de Torah der geboden in inzettingen. De hier bedoelde vijandschap is die tussen Jood en goy, zoals blijkt uit de passage dat Hij (de Messias) die twee (Jood en goy) in Zichzelf tot een nieuwe mens zou schep­pen, en zo shalom, vrede, zou maken.

 

         Er bestond vijandschap tussen Jood en goy. Het joodse zelfbesef het uitverkoren volk te zijn, was voor de goy veelal aanleiding tot door afgunst gedreven haat. Daarbij kwam van de kant van de Jood een door de Torah gevoede afkeer van de heidense gewoonten van de goyim, en van de kant van de goyim vervolgens de wrok over deze afkeer.

 

         Deze vijandschap wordt nu in een grammaticale bijstelling geïdenti­ficeerd met de Torah der geboden in inzettingen. Is nu volgens Sha’ul de Torah zelf de vijandschap, en wat bedoelt hij daarmee?

 

         Er zijn indicaties dat met de vijandschap niet de Torah zondermeer en als zodanig is bedoeld. In de eerste plaats worden de frasen: `…heeft Hij de vijandschap…’ en: `…de Torah der geboden in inzettingen…’ van elkaar geschei­den door: `…in Zijn vlees te niet gemaakt…’, wat ruimte laat voor een nader genuanceerde identificatie van de twee grootheden. In de tweede plaats is er niet sprake van de Torah zondermeer, die vijandschap genoemd wordt, doch van de Torah in geboden en inzettingen.

 

         De Torah maakt scheiding tussen Jood en goy. De vijandschap die opgeroepen werd door deze scheiding, en die vaak tot Jodenhaat leidde, maakte deze scheiding dieper. Aan joodse zijde gaf dit aanleiding tot verdere restricties in de omgang met goyim. De scheiding die de Torah aanbracht werd geleidelijk aan, uit zelfbescherming, verscherpt, door de zgn. mondelinge Torah.

 

         De vijandschap waar het hier om gaat is, zo blijkt nu, niet de Torah zondermeer, en het zou ook moeilijk te begrijpen zijn wat het inhoudt te beweren dat de Torah vijandschap ís. Het gaat hier om de vijandschap die door de Torah wordt opgeroepen, waartoe zij aanleiding geeft, en die gericht wordt hetzij op de dragers van de Torah, de Joden, hetzij op hen die een afkeer van haar hebben, de goyim. Dat de Torah aanleiding geeft tot zonde (en de hier beschreven vijandschap is beslist zonde) was reeds door Sha’ul in het licht gesteld in zijn Brief aan de Romeinen (5:12-21). Dit is echter niet aan de Torah te wijten, die heilig, rechtvaardig en goed is, maar aan de zondige aard van de mens.

 

         Dit laatste is echter niet zo duidelijk bij de bepalingen die de zgn. mondelinge Torah vormen. Het is niet uitgesloten dat Sha’ul deze mondelinge Torah mede op het oog heeft gehad met de formulering: de Torah der geboden in inzettingen. In dat geval zou de identificatie van de zo opgevatte Torah en de genoemde vijandschap verder kunnen gaan dan de stelling dat de Torah vijandschap oproept. De mondelinge Torah zou niet slechts aanleiding geven tot vijandschap; in zekere mate zou zij ook een uiting zijn van vijandschap.

 

         De m’chitzah of middelmuur der omtuining duidt, zoveel is nu wel duidelijk, op de Torah in haar functie van scheiding makende en vijandschap oproepende instantie tussen Jood en goy. En onder de Torah, of, preciezer gezegd, de Torah der geboden in inzettingen, kan in dit verband zowel de geschreven als de mondelinge Torah worden verstaan.

 

         Deze m’chitzah, die oorspronkelijk het heilige, het volk en het land Israel, afscheidde van het niet-heilige, de overige landen en volken, wordt door de Messias `gebroken’. Dit houdt in dat de Torah haar functie van scheidsmuur tussen de Joden en de goyim verliest. Wanneer ook buiten het gebied van de oorspronkelijke omheining, dat is Israel, geloof in G’d en liefde tot de Torah worden gevonden, verliest de scheidsmuur haar zin. Wanneer de genade­werking van Israels Messias ook de goyim bereikt, wordt de vijandschap van dezen tegen Israel teniet gedaan. De door de mondelinge Torah toegevoegde beperkingen in de omgang met de goyim verliezen dan eveneens hun functie. De aan de Messias verbonden goyim zijn niet langer heidenen. De Messias heeft immers beide groepen, Joden en goyim, in één lichaam met G’d verzoend door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft.

 

         De Messias heeft niet slechts de goyim, die heidenen waren, met G’d verzoend. De verzoening geldt beide, Joden en goyim. Wat dit betreft bestaat er geen onderscheid. Beide groepen hadden de Messias en diens verzoenings­werk op het kruis nodig, zowel wat betreft hun verhouding tot G’d als wat betreft hun verhouding tot elkaar.

 

         Op grond van deze gelijke noodzaak tot verzoening, zijn beide groepen op gelijke wijze door het werk van de Messias tot God gebracht, en hebben beide op grond daarvan de toegang door één Geest tot de Vader (Ef.2:18). Zodoende zijn de goyim niet langer vreemdelingen en bijwoners, maar mede­burgers der heiligen en huisgenoten G’ds (Ef.2:19).

 

         Dit laatste sluit aan op het eerder gestelde dat de goyim, die eertijds verre waren, in de Messias Yeshua nabij zijn geworden (Ef.2:13). Er wordt in deze en soortgelijke passages bij Sha’ul (vgl.Col.1:21-22) een subtiel evenwicht gehandhaafd tussen de gelijkwaardige positie van Messiasbelijdende Joden en Messiasbelijdende goyim in het lichaam van de Messias enerzijds, en hun ongelijkwaardigheid voor wat betreft hun oorspronkelijke verte of nabijheid ten opzichte van datgene waaraan zij deelhebben.

 

         De goyim waren ver van alle voorrechten van Israel, en hebben door de Messias eerst daaraan deelgekregen. De Joden waren nabij deze voorrechten, en hadden daaraan reeds deel. Maar door het verzoeningswerk van de Messias hebben zij daaraan deel op vernieuwde wijze. Hun Torah-observantie wordt niet langer door de vijandschap met de goyim bepaald. Zij ontvangt nieuwe bezieling en betekenis in het licht van de door de Messias aangebrachte verzoe­ning op het kruis, en van Zijn zending tot de goyim.

 

         Op grond van hun toebehoren aan de Messias hebben dus beide groe­pen op gelijke wijze deel aan de Torah, aan de verbonden der belofte, aan het burgerschap Israels, ja aan heel de onnaspeurlijke rijkdom van de Messias (Ef.3:8)

 

         Deze volledige gelijkwaardigheid van Joden en goyim in het lichaam van de Messias wordt door Sha’ul nader aangeduid door de woorden dat de goyim medeërfgenamen zijn, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten van G’ds belofte in de Messias, door het evangelie (Ef.3:6). Hij noemt dit een verbor­genheid die hem alleen, als gevangene van de Messias Yeshua voor de goyim, door openbaring van G’d is bekend gemaakt (Ef.3:1-3,8-9).

 

 

2.         De geopenbaarde verborgenheid

 

Er is hier inderdaad sprake van iets nieuws, een verborgenheid (Ef.3:3) welke eerst in de gevangenschapsbrieven van Sha’ul is te vinden. Het gaat hier dus om iets dat in de daaraan voorafgaande tijd van het boek Handelingen nog niet is te vinden. De volledige gelijkwaardigheid van Jood en goy in het lichaam van de Messias bestond niet, en kon niet bestaan, vóór Hd.28:28. In die tijd was G’ds voornemen gericht op het herstel van Israels Koninkrijk. Daartoe was een overblijfsel uit het joodse volk tot de Messias geroepen. De later (sinds Hd.10) toegevoegde goyim waren dienstbaar aan dit voornemen. Zij deelden in het kader van deze dienstbaarheid in de geestelijke zegeningen van (het overblijfsel) van Israel, in het bijzonder in de krachten van de toe­komende eeuw en in de gaven van de Ruach HaKodesh, zoals deze tijdens de Hande­lingenperiode werkzaam waren en werden uitgestort.

 

         In die tijd was de hoofddoel van de Messias het nationale herstel van Israel. Het doel van Zijn werkzaamheid ten behoeve van de goyim was een nevendoel, dat zelf weer deel uitmaakte van het hoofddoel. In de Efesebrief is de toewending van de Messias tot de goyim niet langer een nevenwerk­zaamheid, aangezien sinds Hd.28:28 de Messias tot de goyim is gezonden.

 

         Wat is dus het nieuwe, in vergelijking met vroeger? Het geheimenis der nu geopenbaarde verborgenheid bestaat hierin, dat gelovigen uit de Joden en gelovigen uit de goyim op grond van gelijkwaardigheid met elkaar verenigd zijn door hun vereniging met de Messias. En niet doordat de goyim worden inge­schakeld in het nationale heilsplan voor Israel. Men zou het ook zo kunnen zeggen: de gelovigen uit de goyim hebben niet langer een band met Israels Messias op grond van hun band met de messiaanse natie, Israel; integendeel, eerst op grond van hun band met Israels Messias, die tot hen is afgezonden, hebben zij een band met de gelovigen uit het volk Israel.

 

         Hiermee is het probleem van de onderlinge relatie van Joden en goyim in de Gemeente, het lichaam van de Messias, opgelost. Het probleem dat nu op­komt is dat van de relatie van deze Gemeente tot het volk Israel.

 

 

 

III.      DE GEMEENTE EN ISRAEL

 

 

Ook in de relatie van de Gemeente tot Israel is de Messias het centrum. De Messias, die het Hoofd is der Gemeente, is uit Israel.

 

 

1.         Het Jood-zijn van de Messias

 

`Messias’, of `Mashiach‘, is de koningstitel in Israel, waarmee de Gezalfde van HaShem wordt aan­geduid. Deze Messias is een Jood. Hij is geboren uit een joodse vrouw, Miryam (Gal.4:4), wat ook precies het halachische criterium voor Jood-zijn is. En daar we gezien hebben dat Jood-zijn een questie van geboorte is, staat daarmee de joodse identiteit van de Messias ondubbelzinnig vast.

 

         Sommigen stemmen in met het Jood-zijn van de Messias in zijn aardse bestaan, doch weigeren danwel aarzelen in te stemmen met Zijn Jood-zijn na Zijn opstanding. Jood- of goy-zijn zou iets zijn dat alleen betrekking heeft op dit sterfelijke leven. Hier is het volgende tegen in te brengen. In de eerste plaats dat de opstanding de geboorte niet teniet doet, maar vooronderstelt. Opstanding is pas mogelijk wanneer men gestorven is, en men kan alleen sterven als men geleefd heeft, en dus geboren is. Uit welk geslacht men gebo­ren is, en welke ouders en voorouders men heeft gehad, bepaalt dus nog steeds mede de onverliesbare identeit van de mens na de opstanding.

 

         Het vorige argument is op zich afdoende, maar in het geval van de Messias is nog een aanvullend argument mogelijk, op grond van het feit dat Hij de Koning van Israel is. Volgens de Torah van Moshe mag slechts een Israeliet het koningschap over Israel uitoefenen. Een vreemdeling mag niet als koning geaccepteerd worden (Dt.17:14-15). Zou nu Mashiach Yeshua sinds zijn ver­heerlijking geen Jood meer zijn, dan zou Hij van het koningsschap vervallen zijn, en zou het Hem niet geoorloofd zijn het koningschap over Israel te aan­vaarden in het toekomstige Messiaanse Rijk. Ook langs deze weg blijkt dus dat de Messias eens en voor altijd joods is. Zo wordt nogmaals bevestigd, dat Jood-zijn krachtens geboorte is, en dus onverliesbaar.

 

         Dit gegeven over de identiteit van de Messias heeft grote gevolgen. Het brengt met zich mee dat het Hoofd der Gemeente een Jood is. `In’ of `door’ de Messias is dus de Gemeente der Verborgenheid in betrekking gebracht tot Israel.

 

         Hoe deze betrekking evenwel valt te denken in het licht van de gebeur­tenissen van Hd.28:28 is niet zo eenvoudig in te zien. Sedertdien is, zoals we gezien hebben, de Messias op bepaalde wijze los­ge­maakt van Israel. De Mes­sias is niet langer tot Israel gezonden. Hij is gezonden tot de goyim. Op grond hiervan zou men de relatie van de Gemeente tot Israel kunnen proble­ma­tiseren of zelfs ont­kennen. Als de Mes­sias is losgemaakt van Israel, is dan de Gemeente, waarvan Hij het Hoofd is, niet evenzeer losge­maakt van Israel?

 

         Op dit punt moet opnieuw het onderscheid ingebracht worden tussen de Messiaanse bestemming en de fundamentele constitutie van Israel. Doordat de Messias tot de goyim werd gezonden, werd Hij losgemaakt van Israel voor wat betreft de oprichting van het Messiaanse Rijk. Dit Rijk werd aldus voor onbe­paalde tijd uit­gesteld. Door Zijn zending tot de goyim werd de Messias even­wel niet losgemaakt van de fundamentele constitutie van Israel als volk van G’d. Daarvoor zou Hij namelijk moeten worden losgemaakt van Zijn Jood-zijn, en dat is onmogelijk zoals hierboven is aangetoond. De Messias is een Jood, en als zodanig op onverbrekelijke wijze één met Israel. Dit heeft tot onvermij­delijk gevolg dat ook de Gemeente, waarvan Hij het Hoofd is, op bepaalde wijze met Israel verbonden is.

 

         Het Jood-zijn van de Messias brengt met zich mee dat Zijn betrekking tot G’d, voorzover dit Jood-zijn betreffend, is gebaseerd op dezelfde verbonden waarop Israels betrekking tot G’d is gebaseerd. Dit betekent dat deze ver­bonden voor de Gemeente, die het lichaam van de Messias is, eveneens een bepaalde relevantie zullen hebben, zij het niet dezelfde relevantie als voor Israel, hetgeen tot vervangingstheologie zou leiden. De relevantie van de verbonden voor de goyim zal uitsluitend gebaseerd kunnen zijn op de op hen gerichte zending van de Messias. Deze zending is anders van aard dan Zijn zending onder Israel.

 

 

2.         De zending tot de goyim

 

De sinds Hd.28:28 tot de goyim gezonden Messias zet niet onder hen dezelfde missie voort als Hij had onder Israel. De goyim zijn in eerste instantie nog heidenen, en moeten hun band met de G’d van Israel nog krijgen. Het gaat hier dus niet om de oprichting van een Messiaans Koninkrijk, doch om de constitutie van een Gemeente van goyim, die door middel van deze zending van de Mes­sias de G’d van Israel zullen gaan toebehoren, overeenkomstig de woorden van Yeshua tot Sha’ul:

 

          Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht van HaSatan tot G’d; opdat zij de vergeving der zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij (Hd.26:18).

 

En passant blijkt uit Hd.28:28 dat Jodenzending, in de betekenis van de opzet om het volk Israel te bekeren, in deze bedeling geen plaats heeft. De Messias Zelf is daarmee opgehouden, en is tot de goyim gezonden. Als Zijn navolgers zijn wij aan dit gegeven gebonden. Yeshua is in deze tijd niet gezonden tot het huis Israels als zodanig. Zijn zending is nu tot de goyim in universele zin, tot alle mensen. Dit betekent dat individuele Joden Hem kunnen gaan toebehoren, zo goed als individuele goyim. Maar Yeshua’s zending is nu niet op een volk in het bijzonder, dus ook niet op het joodse volk, gericht. De Gemeente der Verborgenheid is bijgevolg niet geroepen om zending te bedrijven onder het joodse volk.

 

         Om de relatie tussen de Gemeente en Israel goed in het oog te krijgen, moeten, zoals we hierboven reeds opmerkten, nader kennisnemen van de verbonden, waarop Israels betrekking tot G’d is gebaseerd. Vooral moet wor­den nagegaan of, en zo ja op welke wijze, deze verbonden ook betekenis kunnen hebben voor goyim, in het bij­zonder na de Handelingentijd.

 

 

 

IV.       DE GEMEENTE EN DE VERBONDEN

 

 

G’d heeft een aantal verbonden met Israel. Deze zijn in hoofdzaak het Abraha­mietische, het Mozaïsche, het Davidische en het Nieuwe Verbond. Al deze verbonden gelden in de eerste plaats voor Israel. Maar al deze verbonden vertonen ook een intrinsieke openheid naar de goyim.

 

 

1.         Het verbond met Avraham

 

Voor wat betreft het verbond met Avraham (Gen.17) is duidelijk gemaakt door Sha’ul, dat hij (Avraham) zou zijn een vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde, opdat ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde; En een vader der besnijdenis, hun namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen van het geloof van onze vader Avraham, dat in de voorhuid was (Rom.4:11-12). Zo zijn dan ook goyim Avra­hams kinderen, op grond van het feit dat zij door het geloof (Gal.3:7) het eigendom van de Messias zijn (Gal.3:29).

 

         We zien hier hetzelfde als bij Sha’uls betoog in Rom.11:1. Zowel daar als in Gal.3:7 (en 29) is sprake van argumenten die niet teniet gedaan kunnen worden door een verandering in bedeling. Als men zoon van Avraham is op grond van het feit dat men `uit het geloof’ is, dan is de gelovige ipso facto zoon van Avraham.

 

         Het verbond met Avraham is als zodanig niet afhankelijk van Israel. Eerder omgekeerd, aangezien het bestaan van Israel mede deel uitmaakt van de beloften van dit verbond (Gen.13:16). Israel is echter de instantie waarin de beloften van dit verbond worden bewaard en beschermd (Rom.3:2; 9:4-5). Israel is ook de instantie die geroepen is de zegeningen van dit verbond uit te delen aan de goyim. Het verbond met Avraham en de daarvan deel uit­makende beloften betreffen weliswaar mede de goyim, doch waren niet tot hen gericht, behoren hun niet toe.

 

         Hoe kunnen nu echter het verbond met Avraham en de daaraan ver­bonden zegeningen voortbestaan, gelet op het feit dat Messias is losgemaakt van Israel en tot de goyim is gezonden, zoals we hierboven hebben gezien?

 

         Hier blijkt de functie van het nieuwe, dat door Sha’ul is bekendgemaakt na de gebeurtenis van Hd.28:28. De tot de goyim gezonden Messias van Israel bevat in Zich alle geestelijke zegeningen in de hemel (eig. het overhemelse). Met deze zegeningen worden wij nu door God gezegend (Ef.1:3), recht­streeks in de Messias. Voor ons blijft dus gelden dat wij, door `in de Messias’ te zijn, zonen van Avraham zijn, want de Messias is Avrahams zaad (Gal.3:16). Op deze wijze blijft er een band met Israel, name­lijk in de Messias Zelf, maar geen afhanke­lijkheid van menselijk falen in Israel. Voor alle duidelijkheid zij nog opgemerkt dat geestelijke zegeningen in dit verband niet tegen­over stoffe­lijke of materiële zegeningen staan, maar reli­gieuze zege­ningen aanduiden.

 

 

2.         Het verbond met Moshe: de Torah

 

Voor wat betreft het verbond met Moshe, de Torah, is de openheid naar de goyim op het eerste gezicht minder duidelijk, doch deze blijkt uit het gegeven dat Israel is geroepen om een licht te zijn voor de goyim. De Torah zelf maakt duidelijk op welke wijze Israel een licht zou zijn, namelijk door het uitvoeren van haar instellingen:

 

          Ziet, ik heb u geleerd de inzettingen en rechten, zoals HaShem, mijn God, mij geboden heeft; opdat gij alzo doet in het midden des lands, waar gij naar toe gaat, om het te erven. Behoudt ze dan, en doet ze; want dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn voor de ogen der goyim, die al deze inzettingen horen zullen, en zeggen: Dit grote volk alleen is een wijs en verstandig volk! Want wat groot volk is er, dat de goden zo nabij zijn als HaShem, onze God, zo dikwijls als wij Hem aanroepen? En wat groot volk is er, dat zo rechtvaardige inzettingen en rechten heeft, als deze ganse Torah is, die ik heden voor uw aangezicht geef? (Dt.4:5-8)

 

         We weten niet in hoeverre (groepen van) goyim rondom het heilige land zijn aangetrokken door het licht dat uitging van Israel. Maar stel dat een of andere groep, bijvoorbeeld een handelsmissie van heidenen, onder de indruk was gekomen van de levensstijl van de Torah en van de grootheid van de G’d van Israel. Wat zouden de wijzen van Israel deze heidenen geantwoord hebben op hun vraag of zij in deze dingen konden delen? Zouden zij gezegd hebben dat dit onmogelijk was? Dat G’d alleen de G’d van Israel was? Of zouden ze, op grond van hun kennis van het verbond met Avraham een ander antwoord gegeven hebben? Zouden ze gezegd hebben dat de goyim weliswaar dezelfde G’d konden aanbidden als de Israelieten, maar dat de Torah alleen voor Israel was? Echter, hoe zou dit kunnen, gezien het feit dat deze heidenen juist door het licht van de Torah waren aange­trokken tot het aanhangen van de G’d van Israel? Het licht van de Torah was zeker bedoeld om uit te stralen over de goyim, zoals de besproken tekstplaats uit D’varim stelt. Hoe zou Israel anders een licht voor de goyim kunnen zijn? Dit wordt bevestigd door de profeet Yesha`yahu (Jes.56). Veel duidelijker wordt dit nog in het boek Handelingen, waar de gelovige goyim expliciet de gelegenheid wordt geboden van Torah-instructie. Onder inachtneming van de vier grondregels van Ya`akov werden zij in staat gesteld te participeren in de synagoge, en zo verdere kennis van de Torah op te doen (Hd.15:20-21). Wanneer we bedenken dat Yeshua de levende Torah is, de Torah in persoon, ligt deze gedachte nog meer voor de hand.

 

         Ook in verband met de Torah blijkt de zin van de verdere openbaring aan Sha’ul. De Messias is Degene waarin al G’ds wijsheid en kennis, waar­onder de Torah, verborgen zijn (Col.2:3). In de Messias hebben wij deel aan de Torah, want ook zij behoort tot de geestelijke zegeningen die ons in Hem worden gegeven. De levenswijze van de Torah is een participatie aan het leven van de Messias, zowel aan het leven van de Messias tijdens Zijn verblijf op aarde als aan het hemelse leven van de verheerlijkte Messias. Via deze Torah hebben Joden en goyim in de Gemeente niet alleen een zeer concrete onder­linge band; zij hebben daarin eveneens een band met het volk van de Torah, Israel.

 

 

3.         Het verbond met David

 

Er is zelfs sprake van een aandeel van de goyim in het verbond met David, het verbond van het koningsschap (2.Sam.23:5). Dit kan worden opgemaakt uit de door David geuite zinsnede in antwoord op G’ds belofte van het eeuwige koningschap van zijn huis (2.Sam.7:16). Hij zegt: V’zot torat ha’adam: en dit is de torah des mensen, waarmee geïmpliceerd lijkt dat G’ds belofte aangaande het koningschap van het huis van David behoort tot zijn raadsbesluiten voor wat betreft de bestemming der mensheid. Het koningschap van het huis van David is bestemd tot een zegen over de gehele mensheid, en dus dienstbaar aan de vervulling van de belofte aan Avraham, door de uiteindelijke nakome­ling van David, Yeshua HaMashiach. In het B’rit Chadashah wordt de relatie tot dit koningschap van het huis van David vooral duidelijk in de uitdrukking dat de gelovige `in Mashiach‘ is. `Mashiach‘ is de titel van de koning in Israel. `In Mashiach‘ drukt dus in ieder geval uit dat de gelovige een zeer nauwe band heeft met deze Koning.

 

         Uit de aan Sha’ul gegeven openbaring na Hd.28:28 blijkt dat de Ge­meente aan de Messias is gegeven tot een Hoofd over alle dingen (Ef.1:22), dus als delend in Zijn macht (Col.2:10). Dit hoofdschap over alle dingen sluit het Davidische koningschap in, zoals de hogere heerschappij de lagere insluit.

 

 

4.         Het Nieuwe Verbond

 

Tenslotte hebben goyim aandeel aan het Nieuwe Verbond. Dit verbond, dat geen zelfstandig verbond is maar de vernieuwing van de voorafgaande ver­bonden, wordt gesloten met het huis van Israel en het huis van Y’hudah, maar wordt in de Handelingentijd toegankelijk gemaakt voor goyim, op grond van hun geloof in de bloedstorting van Yeshua, de grondslag van het Nieuwe Verbond.

 

         Een van de grootste zegeningen van het Nieuwe Verbond is de ver­geving van de zonden (Jer.31:34). Op grond van de bloedstorting van de Messias hebben de gelovigen nu, Joden zowel als goyim, reeds deel aan deze zegen (Ef.1:7). Deze zegen komt niet over hen doordat het Nieuwe Verbond met hen gesloten zou zijn, of doordat zij in de oprichting ervan zouden zijn ingeschakeld. Deze zegen komt over hen doordat de Messias de zegeningen van dit Verbond, waarvoor Hijzelf de grondslag gelegd heeft, nu reeds vermag uit te delen aan allen die Hem toebehoren. En aan de grondslag van dit Ver­bond, de bloedstorting van de Messias, hebben wij deel immers deel (Col.1:14).

 

 

 

V.        CONCLUSIES

 

 

De zending van het heil G’ds tot de goyim, in het slot van het boek Hande­lingen, betekent voor lange tijd het einde van de pogingen om Israel tot zijn bestemming te brengen van Messiaanse natie en het als G’ds Koninkrijk te herstellen. Deze zending markeert het begin van een nieuwe bedeling, waarin de geestelijke zegeningen van Israel ten goede kunnen komen aan iedere gelovige, Jood of goy, op grond van de band van de gelovige met de Messias, onafhankelijk van het falen van het volk Israel. Daarmee is de relatie met Israel zelf niet verdwenen. De Messias Zelf is een Jood, en het punt van uitgang bij Zijn zending tot de goyim is Israel, waarheen Hij ook eens zal terugkeren.

 

         De relatie van de gelovige uit deze bedeling tot de geestelijke zege­ningen van Israel, de verbonden en de Torah, is een relatie van participatie. Voor de gelovige goyim houdt dit in dat zij, zonder Israel te vervangen, kunnen en mogen deelnemen aan de heilsgoederen van Israel, zoals deze hen in de Messias worden aangereikt. De verbonden zijn niet met hen gesloten, maar op grond van het werk van de Messias komen de zegeningen van deze verbonden binnen hun bereik. De Torah is niet aan hen gegeven, maar wordt in de Mes­sias voor hen toegankelijk als G’ds wijsheid.

 

         Het is mijn overtuiging dat alleen deze interpretatie van het bedelings­onderscheid van Hd.28:28 recht doet aan het Schriftgegeven dat wij in de Messias gezegend zijn met álle geestelijke zegeningen in het overhemelse (Ef.1:3). Alleen op deze wijze krijgen deze geestelijke zegeningen concrete betekenis en praktische zin. Het dagelijks leven kan geheiligd worden door een specifiek godsdienstige vormgeving, terwijl de lichamelijkheid en de daarmee corresponderende sociale en culturele aspecten van het geloof niet worden verwaar­loosd in een onwezenlijk spiritualisme. Dit lijkt te worden bevestigd door 2.Tim.3:16-17, waar wordt gesteld dat heel de Tanakh (inzon­derheid dus de boeken van de Torah) G’dgeademd is, en nuttig tot lering, tot weerlegging, tot verbetering, tot onderwijzing in de gerechtigheid; opdat de mens G’ds volmaakt zij, tot alle goed werk toegerust.

 

Beek bij Nijmegen, 26 juni 2001    

                          5 Tammuz 5761

Why Shavuos is always on Sunday (2)

Historical Remarks on the Pharisees and the Sadducees in the Times of Messiah

The following is a long quote from Daniel Chwolson’s book: Das letzte Passamahl Christi und der Tag seines Todes nach den in Übereinstimmung gebrachten Berichten der Synoptiker und des Evangelium Johannis. Although it was published a hundred years ago (H. Haessel Verlag — Leipzig 1908), and is partly antiquated now, it is still worth considering. This work contains a passage that contains important historical arguments for the position that the Sadducees and not the Pharisees were in charge of the Temple in the days of Yeshua. It argues that the Omer in those days was counted by the Sadducean method, and begun on the first Sunday after Passover, according to the literal interpretation of Lev. 23. It dismisses the arguments drawn from the Septuagint version of Lev. 23 in favour of the Pharisaic position. Because of the importance of the matter we decided to republish this passage here, in the original German (pp. 59–67) as well as in an English translation (forthcoming).

Information about Daniel Chwolson can be found in the Jewish Encyclopedia, at http://www.jewishencyclopedia.com/view_friendly.jsp?artid=506&letter=C

Chwolson’s German text

Zum Schlusse wollen wir hier noch zwei Stellen in den Evangelien besprechen, die zwar in keiner directen Beziehung zu der vorliegenden Abhandlung stehen, aber wohl in einer indirecten; wir meinen die Stelle im Ev. Johannis XIX, 31, wo von dem Sabbat, an welchem Christus im Grabe lag, gesagt wird: en gar megalè hè hèmera ekeinou tou sabbatou, und Ev. Luc. VI, 1, wo ein gewisser Sabbat sabbaton deuteroprôton genant wird. Lightfoot meinte, jener Sabbat im Ev. Joh. wurde deshalb so genannt 1) weil er ein Sabbat, 2) weil er der 15., also ein grosser Festtag war und 3) erat dies, quo oblatus manipulus primitialis, secundum praeceptum, Lev. XXIII, 11. Eine ähnliche Erklärung findet man nun auch bei den neueren Commentatoren.

In mehreren Codd., so wie auch in der syrischen Uebersetzung fehlt zwar in Luc. 6, 1 das Wort deuteroprôton; man kann aber, so glauben wir, an der Echtheit dieses Wortes nicht zweifeln, da es doch viel wahrscheinlicher ist, dass ein unverständliches und scheinbar unsinniges Wort weggelassen, als das ein solches von irgend Jemandem hinzugefügt worden sei. Die Bedeutung dieses Wortes, welches nur noch ein einziges Mal bei Eusth. vita Eutych. N. 95 für den Sonntag nach Ostern, deuteroprôtè kuriakè, gebraucht wird, war schon den Kirchenvätern nicht recht bekannt und wurde von ihnen verschieden gedeutet. Hieronymus richtete sich mit einer Anfrage über die Bedeutung dieses Wortes an Gregor von Nazianz, der ihm versprach in einer Predigt darüber auszusprechen, was aber, wie es scheint, niemals geschehen ist. Scalinger, dem Casaubonus und viele Neuere beistimmen, meint, dass darunter der Sabbat, welcher in die Osterwoche fällt, zu verstehen sei. Andere sagen, dass damit der zweite Sabbat nach dem zweiten Ostertage, dem Tage der ’Omerschwingung, gemeint sei, im Sinne von deuteron tôn prôtôn. Andere wieder geben andere Erklärungen, die Holtzmann nur als «Rathversuche und Einfälle» ansieht. Sprachlich glaubte man meistens jenen sonderbaren Ausdruck deuteroprôton dadurch zu erklären, dass jener Sonnabend der erste Sabbat war nach dem zweiten Tag des Osterfestes, an welchem, wie man glaubt, der ’Omer dargebracht wurde. Aber abgesehen von der Frage, ob diese Erklärung überhaupt sprachlich möglich sei, ist sie aus sachlichen Gründen mehr als unwahrscheinlich; denn wenn der ’Omer immer am zweiten Tage des Osterfestes dargebracht wurde, gleichviel auf welchen Tag der Woche derselbe auch fiel, so hätte ja das Zählen der Sabbate gar keinen Sinn, sondern man hätte dann nur, wie dies noch heute von den Juden geschieht, die Wochen zu zählen, da die Sabbate an und für sich als solche bei dieser Zählung gar keine rolle spielen. Jener Ausdruck bei Lukas kann daher nur aus einer Zeit herstammen, wo man, in Folge einer gesetzlichen Bestimmung, die Sabbate und nicht die Wochen zählte. Wann war dies aber der Fall und warum geschah es? Dies wollen wir hier weiter untersuchen.

Es ist bekannt, dass in Bezug auf die Auffassung von mimacharot ha shabbat bei der Darbringung des ’Omers (3 Mos. 23, 11. 15 und 16) drei verschiedene Ansichten herrschten. Die Boethusäer (vgl. oben, p. 28, Anmk.), mit denen die Samaritaner und Karäer bis auf den heutigen Tag übereinstimmen, fassten diese Worte buchstäblich auf und behaupteten, dass damit der Sonntag, welcher auf den in das Osterfest fallenden Sabbat folgt, gemeint sei. Dieser Ansicht gemäss musste auch das Pfingstfest immer auf einen Sonntag fallen, was bei Samaritanern und Karäern bis heute wirklich der Fall ist. Da nun die Zählung an einem Sonntag anfing und an einem Sabbat endigte, so zählte man da natürlich die Sabbate. Die Pharisäer dagegen behaupten, dass unter diesem Sabbat der erste Osterfeiertag zu verstehen und dass mit mimacharot ha shabbat der 16., d.h. der zweite Tag des Osterfestes, gemeint sei. Die Angaben, die man bei Philo und Josephus findet, stimmen mit dieser Annahme überein. Die dritte Auffassung, welche in der syrischen Uebersetzung der angeführten Stelle (V, 11) und in dem Buche der Jubiläen ihren Ausdruck findet, geht dahin, dass man unter jenen Worten den 22. zu verstehen habe, also den ersten Tag nach dem siebenten Tag des Osterfestes. Nach dieser Auffassung richten sich noch jetzt die Falascha.

Welche von diesen drei Meinungen die richtige sei, kann uns hier gleichgültig sein; was uns aber interessiert ist die Frage: welche Meinung im praktischen Leben die herrschende war? Geiger, Wellhausen, Delitzsch, Schürer und wohl noch manche Andere meinen, dass die Auffassung der Pharisäer die von Alters her im praktischen Leben recipirte war und dass die Boethusäer hierin nur eine theoretische Opposition gemacht hätten, die auf das praktische Leben gar keinen Einfluss ausgeübt hätte. Als Beweis dafür macht man geltend, dass schon die 70 angeblich nach der Ansicht der Pharisäer übersetzten, dass Philo und Josephus als die Zeit für die Darbringung des ’Omers den zweiten Ostertag angeben, also wie die Pharisäer. Was die 70 anbetrifft, so will ich doch sehr bezweifeln, dass dies der Fall sei; denn verschiedene Handschriften der 70 bieten an den betreffenden Stellen Lesarten dar, die Frankel allerdings, aber ohne jede Bedründung, für werthlos erklärt, aber meines Erachtens eher ursprünglich sind als die unserer Ausgaben, und welche gar nicht mit der pharisäischen Auffassung übereinstimmen. Das Zeugniss des Josephus, das unbedingt ganz positiv ist, gilt nur für seine Zeit, d.h. für das letzte Jahrzehnt des Tempelbestandes, und zu dieser Zeit wurde bestimmt in dieser, wie auch in vieler anderer Beziehung, nach der Auffassung der Pharisäer gehandelt. Was Philo’s Zeugniss anbetrifft, so werden wir weiter unter darüber sprechen. Im Gegensatz zu der angeführten Meinung von Geiger und der Anderen glauben wir, dass die Auffassung der Boethusäer die herrschende und maassgebende war und dass die Pharisäer ihre  Ansicht erst in späterer Zeit und nach hartem Kampfe zur Geltung gebracht haben. Hier unser Beweis dafür.

In dem alten, historisch vollkommen zuverlässigen Festkalender, [...], findet sich die Notiz, dass man die Tage vom 8.—22. Nissan als Halbfeste eingesetzt hätte zum Andenken an den Sieg, welchen die Pharisäer über die Boethusäer errungen haben in Bezug auf die Deutung von mimacharot ha shabbat. Ist es aber denkbar, dass man ein achttägiges Fest eingesetzt haben würde zum Andenken eines theoretischen Sieges in der Schule, der für das praktisch-religiöse Leben gar keine Bedeutung hatte?

Ein Sieg setzt immer einen Kampf voraus; ein Sieg, der ganz besonders gefeiert wird, zu dessen Andenken eine achttägige Feier für alle Zeiten eingesetzt wurde, setzt einen vorangegangenen schweren und harten Kampf voraus. Stellen wir uns die Situation vor, wenn man, nach Geiger und den Anderen, annimmt, das die Auffassung der Pharisäer die im praktisch-religiösen Leben von Alters her allgemein recipirte war. Wer hat denn den Kampf begonnen? Die Pharisäer hatten ja nicht die geringste Ursache einen solchen heraufzubeschwören. Die Sadducäer hatten wohl Grund es zu thun; aber es fehlte ihnen doch an jeder Veranlassung dazu, da in der betreffenden Angelegenheit in der Praxis angeblich niemals nach ihrer Ansicht gehandelt wurde. Wozu denn also der schwere Streit mit den Pharisäern? Dazu kommt noch eine andere Frage. Wodurch denn haben die Pharisäer ihren Sieg errungen? Durch gelehrte Argumente, vor denen die Sadducäer sich gebeugt und durch welche sie sich für besiegt erklärt haben? Letzteres war, wie wir gleich sehen werden, durchaus nicht der Fall und konnte es auch nicht sein. Wir kennen diese Argumente für die Ansicht der Pharisäer. Vier Tannaïm, welche noch zur Zeit des Tempels gelebt haben und zum Theil Schüler des Rabban Jochanan ben Zakkai, eines Hauptkämpfers gegen die Sadducäer, waren, bringen, ein Jeder für sich, ihre Beweise für die Ansicht der Pharisäer vor. Spätere Tannaïm aus dem zweiten Jahrhundert treten mit noch anderen Argumenten für die Richtigkeit dieser Ansicht ein. Sind aber alle diese Beweise so schlagend und überzeugend, dass die Sadducäer vor ihnen die Waffen strecken und sich für überzeugt erklären mussten? Wollte ich sagen, dass sie es durchaus nicht waren, so könnte man meinen: ich sei ein sündhafter Mensch, dem es an den gebührenden Respect vor rabbinischer Exegese und Deutung fehlt. Aber ein ganz anderer Mann als ich, dem es an diesen Respect durchaus nicht fehlt, der einer der stärksten Säulen des babylonischen Talmuds war, — ich meine den Amôrâ Rabbâ, [...], der, während der ersten Hälfte des 4. Jahrhunderts, gegen zwanzig Jahre Vorsteher der Hochschule zu Pumbedita war —, übte eine fast vernichtende Kritik gegen alle diese Argumente aus und lässt nur zwei von ihnen als auch für ihn überzeugend gelten. Und vor solchen Argumenten sollen die Sadducäer freiwillig sich gebeugt und durch sie sich für überzeugt und besiegt erklärt haben? Nein, es war kein theoretischer Schulkampf, man kämpfte nicht mit Deutungen und exegetischen Argumenten, sondern mit der Faust, und der Kampf muss sehr hart gewesen sein; denn eine aristokratisch-klerikale Partei, welche das sogenannte historische Recht auf ihrer Seite hat und im Besitze der Gewalt ist, lässt sich nicht leicht dieselbe aus den Händen winden. Von dem erwähnten R. Jochanan ben Zakkai wird auch erzählt, dass er einem Hohenpriester, der nicht recht nach seiner pharisäischen Geige tanzen wollte, ein Stück vom Ohre abgezwickt hat, um ihn dadurch (nach 3 Mos. 21, 17 ff.) unfähig zum Tempeldienst zu machen. Dies war freilich kein argumentum ad oculos, aber ein handgreifliches argumentum ad aures.

In jenem Festkalender werden noch einige andere Festtage aufgezählt, welche zum Andenken an Siege über die Sadducäer eingesetzt wurden; aber alle diese Siege hatten eine praktisch-religiöse Bedeutung. Ja, in der Mishnah ist auch von gewissen, von Seiten der Pharisäer ergriffenen Maassregeln die Rede, um sogar den Schein zu vermeiden, als ob die Ansicht der Boethusäer irgend eine Berechtigung hätte. Die Boethusäer waren auch so erbittert über ihre Niederlage, dass sie für schweres Geld falsche Zeugen mietheten, welche falsch bezeugten, dass sie den Neumond zu der und der Zeit gesehen hätten, um die pharisäische Kalendercommission irre zu führen, damit das Wochenfest ihrer Ansicht gemäss auf einen Sonntag fiele. Hätten sie denn dies gethan und sich einer schweren Strafe von Seiten der Pharisäer ausgesetzt, wenn die Lehre derselben in Bezug auf jenes Fest von Alters her die allein praktisch geübte gewesen wäre? Nein, ihre Niederlage muss eine ganz positive praktisch-religiöse Bedeutung gehabt, und in jüngster Zeit stattgefunden haben, d.h. zu der Zeit, wo die Pharisäer das Uebergewicht im Synhedrion erlangt und die sadducäischen Hohenpriester sich unter ihr Joch beugten, was gegen 60 nach Christi Geburt geschehen sein dürfte. Die Pharisäer mussten also wohl einen harten Kampf gegen <die> Boethusäer durchgekämpft haben, bis sie ihre Ansicht für die Praxis durchsetzten. Es ist auch oben vielfach darauf hingewiesen worden, dass bei den Samaritanern und Karäern viele alte Auffassungen der mosaischen Gesetze sich erhalten haben, und es frägt sich nun, wie diese dazu kamen, das Pfingstfest nach der Ansicht der Boethusäer bis auf den heutigen Tag zu feiern, wenn man annehmen wollte, dass man nach derselben niemals im praktischen Leben gehandelt hätte?

Aus dem Gesagten gelangt man, glauben wir, zu folgenden Resultaten. Die Ansicht der Pharisäer mag schon in alter Zeit ihre Vertreter gefunden haben, weshalb sie auch in Alexandrien aufgenommen werden konnte. Gelehrte Pharisäer sind oft nach Alexandrien gekommen und haben daselbst längere Zeit verweilt; und da die daselbst wohnenden Juden religiös selbstständig waren und ihr eigenes Synhedrion hatten, so ist es möglich, dass sie zu irgend einer Zeit die Auffassung der Pharisäer in Bezug auf mimacharot ha shabbat angenommen hatten. Das, was Philo darüber sagt, mag vielleicht nur alexandrischer Brauch gewesen sein. In Palästina dagegen herrschte in alter Zeit die Auffassung nach dem natürlichen Sinne des Wortes, wonach mit mimacharot ha shabbat der Sonntag gemeint sei, und diese Auffassung hat sich, wie gesagt, auch bei den Samaritanern erhalten. Ob auch die Karäer ihre mit der der Boethusäer übereinstimmende Auffassung jener Worte aus alter Zeit, wie so manches Andere, haben, oder ob sie diese erst in späterer Zeit (nachdem Anan die zerstreuten antitalmudischen Elemente um sich gesammelt und sie zur Secte der Karäer organisiert hat) angenommen, lasse ich dahingestellt sein. Da hier nicht die Sadducäer überhaupt, sondern speciell die Boethusäer als Gegner der Pharisäer genannt werden, so führt mich dies zu der Vermuthung, dass die Letzteren zur Zeit der Königin Alexandra, welche ihnen günstig war, vielleicht auch zur Zeit des schwachen Hyrkan II., wirklich ihre Ansicht zur Geltung gebracht, und dass die Sadducäer später, mit Hilfe der, ihren Standpunkt einnehmenden, mächtigen Boethusäer, seit etwa 25 vor Chr. Geb., die praktische Wiedereinführung ihrer Auffassung durchgesetzt haben. Durch diese Annahme würde sich auch die Angabe Philo’s leicht erklären. Es ist aber eben so gut möglich, dass die Auffassung der Pharisäer immer nur eine theoretische Bedeutung gehabt hatte und dass die Letzteren ihre Meinung erst in dem letzten Jahrzehnt des Tempelbestandes, wo es ihnen, wie gesagt, mehr und mehr gelungen ist, im Synhedrion und auch sogar in Angelegenheiten des Cultus im Tempel, die Gewalt an sich zu reissen, zur praktischen Geltung gebracht haben.

Da wir oben nachgewiesen haben, dass zur Zeit Christi alle Handlungen in Bezug auf das Passaopfer nicht nach den Ansichten der Pharisäer, sondern nach denen der Sadducäer vollzogen wurden, so ist man wohl auch zu der Meinung berechtigt, dass zu jener Zeit auch die boethusäische oder sadducäische Auffassung von mimacharot ha shabbat im praktischen Leben die herrschende war and dass man somit den ’Omer wenigstens damals, vielleicht aber auch immer, an dem Sonntage dargebracht hat, welcher auf den in die Osterwoche fallenden Sabbat folgte. Nimmt man dies an, wozu man wohl aus den angegebenen Gründen vollkommen berechtigt ist, so erlangt man ein volles Verständniss jener beiden Verse. Der Sabbat des Osterfestes bekam dann eine grosse Bedeutung; denn er war, wie wir gleich sehen werden, der erste der 50 zu zählenden Tage, weshalb er auch der grosse Sabbat  genannt wurde; dann zählte man sieben Wochen and zwar nicht Wochen als solche, sondern nach den sieben Sabbaten, von denen der erste nach dem Osterfeste wirklich deuteroprôton war.

Um das eben Gesagte klar zu machen, will ich das mittheilen, was Petermann von der jetzigen, darauf bezüglichen Praxis der Samaritaner berichtet «Das zweite Fest im Jahre, sagt derselbe, welches sich an das vohergehende (Fest des 14. Nisan, Opferung des Passaopfers) unmittelbar anschliesst, ist das der ungesäuerten Brote, der Matzot. Als Feiertag darin gelten der erste Tag wie der letzte, und der grosse Sabbat, welcher dazwischen fällt. Dieser kann aber auch auf den letzten Tag dieses Festes fallen, dessen erster Tag zugleich der des Pesach ist, und dann hat dieses Fest nur 2 Festtage». «Der grosse Sabbath, heisst es bei ihm weiter, welcher in das Fest der Mazzoth fällt, ist zugleich der erste der [...], der 50 Tage oder 7 Sabbathe bis an das Pfingstfest, Schebuoth. Jeder dieser 7 hat einen besonderen Namen und dieser erste heisst auch [...], «der Sabbath des Meeres», weil an diesem Tage hauptsächlich das Lied der Mirjam nach dem Durchzug der Kinder Israel durch das rothe Meer abwechselnd gelesen wird». Hier mache ich noch auf einen Punkt aufmerksam. Die Angabe über die Zählung der 7 Wochen ist im Pentateuch nicht ganz klar; denn während es 3 Mo. 23, 15 heisst, das man vom Tage der Darbringung des ’Omer volle sieben Wochen zählen sollte, heisst es Vers 16: «bis zum nächsten Tag des siebenten Sabbats sollet ihr fünfzig Tage zählen». Die Rabbinen suchen diese Schwierigkeit auf ihre Weise zu beseitigen. Die Samaritaner wichen dieser Schwierigkeit dadurch aus, dass sie den grossen Sabbat, d.h. den Sabbat der Osterwoche, den Tag vor der Darbringung des ’Omers, als den ersten der zu zählenden Sabbate rechneten.  Die Juden verfuhren offenbar auf dieselbe Weise, da auch sie, wie aus dem Evang. Johannis zu ersehen ist, den Sabbat der Osterwoche den grossen Sabbat nannten und ihn wohl gleichfalls als den ersten der fünfzig Tage ansahen, worauf sie den ersten Sabbat nach Ostern, mit dem die Zählung der sieben Sabbate begonnen hatte, mit Recht «den zweiten ersten Sabbat» genannt haben.

Ist die oben gegebene Erklärung jener beiden Stellen richtig — und ich bin fest überzeugt, dass sie es ist — so kann man daraus, wie ich glaube, eine Folgerung von weittragender Bedeutung ziehen. Josephus erwähnt nur die pharisäische Auffassung von mimacharot ha shabbat und sagt, dass der ’Omer am zweiten Tage des Osterfestes dargebracht wurde. Da seine Berichte von den religiösen Gebräuchen, die im Tempel verrichtet wurden, sich meist auf das letzte Jahrzehnt des Tempelbestandes beziehen, so kann man sicher annehmen, dass die pharisäische Auffassung jener Worte schon vor 60 nach Chr. durchgedrungen und zur praktischen Geltung gelangt ist. Wir wissen auch sonst, dass es einem sadducäischen Hohenpriester schlecht ergangen ist, als er, gegen 62 n. Chr., den Versuch machte, im Tempel eine Ceremonie gegen die Ansicht der Pharisäer zu vollziehen. Wir wissen ferner aus Josephus, dass die sadducäischen Priester während der letzten Jahre des Tempelbestandes sich, wenn auch widerwillig, vor der Uebermacht der Pharisäer beugten und, gegen ihre eignen Ueberzeugungen, nach den Meinungen der Letzteren handelten. Man kann daher mit Sicherheit annehmen, dass jene pharisäische Ansicht über den Tag, an welchen der ’Omer dargebracht werden soll, spätestens um 60 n. Chr. zur praktischen Geltung gelangt ist. Ist dies der Fall, so müssen die beiden Berichterstatter, von denen die angeführten Verse im Ev. Johannis und Evang. Luc. herrühren, nicht viel später als um 50–55 n. Chr. gelebt haben; denn die Benennungen: «der grosse Sabbat» und sabbaton deuteroprôton, «der zweite erste Sabbat», welche beide Berichterstatter nur im Vorbeigehen und ohne jede Absicht gebrauchen, haben, wie wir gesehen, nur dann einen Sinn, wenn man den ’Omer immer an einem Sonntag dargebracht und dann nicht sieben Wochen, sondern sieben Sabbate gezählt hat; denn nach der pharisäischen Auffassung war der in’s Osterfest fallende Sonnabend ein Sabbat wie jeder andere, und dan zählt man nicht nach Sabbaten, sondern nach Wochen, wie die Juden es heute noch thun, wobei der Sabbat als solcher gar keine Rolle spielt. Jene beiden Berichterstatter lebten somit noch ganz in der alten Anschauungen und bedienten sich einer, später ganz aus dem Gebrauch gekommenen und daher unmöglichen Terminologie; besonders kann man sich nicht gut denken, dass irgend ein Mensch einen so unsinnig scheinenden Ausdruck wie sabbaton deuteroprôton gebraucht haben würde, wenn derselbe nicht ein allgemein bekannter und ein allgemein üblicher terminus technicus gewesen wäre, der aber später, nach dem Siege der pharisäischen Auffassung ein Unding und unmöglich wurde. Jene beiden Berichterstatter haben somit nicht später als um 50–55 n. Chr. gelebt und können Augenzeugen gewesen sein von dem, was sie uns berichten. Die lechthenta und prachthenta (hupo tou Christou), von denen Papias spricht, mag man wirklich schon kurze Zeit nach dem Tode Jesu aufzuzeichnen begonnen haben. 

 

English Translation

In concluding, we want further discuss here two places in the Gospels which, although they are not directly related to the present essay, yet are related to it in an indirect manner; we have in view the places in the Gospel of John 19:31, where the Sabbath on which Christ was in the sepulchre is referred to as: en gar megalè hè hèmera ekeinou tou sabbatou (for that Sabbath day was an high day) and in the Gospel of Luke 6:1, where a certain Sabbath is called sabbaton deuteroprôton (the second first Sabbath). Lightfoot supposed that the Sabbath in the Gospel of John was so called 1) becasue it was a Sabbath, 2) because it was the 15th and therefore a great feast day, and 3) erat dies, quo oblatus manipulus primitialis, secundum praeceptum, Lev. XXIII, 11 (it was the day before the offering of the first sheaf, according to the precept of Lev. 23:11). A similar explanation is found in the newer commentators

In some codices, and also in the Syrian translation, the word deuteroprôton is absent in Luke 6:1. However, we believe that one cannot doubt the authenticity of this word, since it is far more probable that an uncomprehensible and seemingly senseless word was omitted than that it was added by someone. The meaning of of this word, which is used only once more by Eusth. vita Eutych. N. 95 for the Sunday after Easter, deuteroprôtè kuriakè, was already somewhat unknown to the Church fathers and was interpreted by them in different ways. Jerome requested about the meaning of this word at Gregor of Nazianz, who promised him to mention it in a sermon, but this apparently never happened. Scalinger, who is supported by Casaubon and many later ones, is of the opinion that the Sabbath within the Easter week is to be understood thereby. Others say, that the second Sabbath after the second day of Easter, the day of the waving of the Omer, is signified by it, in the sense of deuteron tôn prôtôn (second of the first). Others again give different explanations, which are considered by Holtzmann only as «trying proposals and ideas». In most cases one believed to be able to explain the perculiar expression deuteroprôton linguistically by the fact that this particular Saturday was the first Sabbath after the second Easter day, on which, it is believed, the Omer was brought. Apart from the question, however, whether this explanation is possible at all from a linguistic point of view, it is more than improbable for substantive reasons; because, if the Omer was always brought on the second day of the Easter feast, independently on which day of the week it was, then counting the Sabbaths would be completely senseless. In that case one had only to count the weeks, as it still happens by the Jews nowadays, since the Sabbaths as such have no function in this count at all. This expression in Luke can therefore only originate from a time in which, in consequence of a legal regulation, the Sabbaths were counted, not the weeks. Now we will try to find out at what time and why this was the case.

It is known that there were three viewpoints related to the conception of mimacharoth ha Shabbat in the offering of the Omer (Lev. 23:11, 15 and 16). The Boethusians (cf. the note on p. 28), with which the Samaritans and the Karaites agree until nowadays, conceived these words literally, and maintained that thereby would be meant the Sunday which follows the Sabbath within the Easter week. According to this viewpoint Pentecost would have to fall always on a Sunday as well, and this is actually the case with Samaritans and Karaites until nowadays. Since the count started on a Sunday and ended on a Sabbath, one counted the Sabbaths of course. The Pharisees on the contrary maintained that by this Sabbath was to be understood the first feast day of Easter, and that by mimacharoth ha Shabbat was meant the 16th, i.e. the second day of the Easter feast. The statements found in Philo and Josephus are in accordance with this supposition. The third conception, which finds its expression in the Syrian translation of the cited place (:11) and in the Book of Jubilees, goes in the direction that one has to understand by these words the 22nd, and thus the first day after the seventh day of the feast of Easter. Today this conception is still followed by the Falasha.

Which of these three opinions is the correct one can be a matter of indifference to us here; what is of interest to us however is the question which opinion prevailed in practical life. Geiger, Wellhausen, Delitzsch, Schürer and many others think that the conception of the Pharisees was the one received in practical life and that the Boethusians made only a theoretical opposition against it, which was without any practical consequence. To prove this it is validated that the LXX already translated according to the viewpoint of the Pharisees, and that Philo and Josephus indicate the second Easter day for bringing the Omer, just like the Pharisees. Concerning the LXX I would like to doubt very much that this is the case, because several manuscripts of the LXX give text variants for the passages in question. Although these are without any foundation declared worthless by Frankel, yet in my view they are rather more original than those in our editions, and not at all in conformity with the Pharisaic conception. The testimony of Josephus, which is unconditionally positiv, obtains only for his own time, i.e. for the last decade of the Temple standing, and at that time in this matter as well as in many others the conception of the Pharisees was the one acted upon. Regarding Philo’s testimony, we’ll consider it further below. In opposition to the opinion put forward by Geiger and others we believe that the conception of the Boethusians was the prevalent and leading one, and that the Pharisees carried through their view only in later time and after a tough battle. Here follows our proof of it.

In the old, historically completely reliable festive calendar [...], is found the notice that the days from Nisan 8–22 were instituted semi-feast days in commemoration of the victory won by the Pharisees over the Boethusians with regard to the interpretation of mimacharot ha Shabbat. Is it conceivable, however, that an eight day celebration was instituted in commemoration of a theoretical victory in the schools that was of no importance at all for practical religious life?

A victory always presupposes a battle. A victory that is celebrated exceedlingly, in remembrance of which an eight day celebration for all times was instituted, presupposes a difficult and hard foregoing battle. Let us imagine the situation, if, with Geiger and others, one assumes that the viewpoint of the Pharisees was the commonly received from of old in practical religious life. Who had started the battle then? The Pharisees did not have the slightest reason to provoke it. The Sadducees had good grounds to do so, but they lacked the motive, because practically in the matter at hand their opinion was never acted upon. What was the use then to have such a fierce battle with the Pharisees? Over and above that another question comes up. By what means have the Pharisees won their victory? By means of learned arguments, for which the Sadducees have bowed and declared themselves vanquished? As we will see, the latter regularly was not the case, nor could it be. We know these arguments for the opinion of the Pharisees. Four Tannaim, who had lived in the time of the Temple and some of whom were students of Rabban Yochanan ben Zakkai, one of the champions against the Sadducees, bring forward each their own proofs for the opinion of the Pharisees. Later Tannaim of the second century take up the cudgels for the rightness of this opinion with still other arguments. Are all these proofs so conclusive and convincing that the Sadducees had to lay down their arms and declare themselves convinced? When I say that as a whole they were not, one could think of me as a sinful man who lacked due respect for rabbinic exegesis and interpretation. But a wholly different man, who didn’t lack this respect and who was one of the strongest pillars of the babylonian Talmud — I mean the Amora Rabba [...], who during the first half of the 4th century for nearly twenty years was president of the academy of Pumbedita — uttered an almost destroying criticism against all these arguments and left intact only two of them as being convincing unto him. And for such arguments the Sadducees would have voluntary bowed and declared themselves convinced and vanquished by them? No, it was no theorical school battle, and the battle was not fought with interpretations and exegetical arguments but with the fist, and the battle must have been very hard; because an aristocratic-clerical party with the so-called historical right on its side and in the possession of power will not lightly be found compliant to let go of these. The just mentioned R. Yochanan ben Zakkai is said to have pinched off the ear of a High Priest unwilling to dance at his pharisaic fiddle. Surely this wasn’t an argumentum ad oculos but a palpable argumentum ad aures.

(To be continued)

The arguments brought forth by Chwolson make it clear that the assumption that the Pharisees were in charge of the Temple ritual in Yeshua’s days is very improbable. Chwolson’s historical reconstruction, and his explanation of John 19:31 and Luke 6:1 show a convincing simplicity and elegance, and corroborate his intuition that the process of overthrowing Sadducean power was a hard and fierce battle for the Pharisees.

Yet there remain questions to be asked here as well. Some of the most interesting of them are: 1) For what reason exactly the Pharisees had their own opinion on the subject of the Omer count, and: 2) For what reason did they found it important to fight for it so fiercely and tried to subject the whole Jewish nation to their peculiar interpretation of mimacharot ha shabbat, an interpretation that seems to have little or no foundation in the Hebrew Bible?

Gentile Torah Observance: Common Objections

A Collection of Commonly Used Theological Arguments Against Full Torah Observance by Gentile Christians

 

The following is a collection of arguments against the theological position that endorses or encourages full Torah observance by Gentile believers in Messiah Yeshua. It is our purpose to study each of these arguments in detail, and, in articles that will follow, to comment on them, and, if possible, to refute them or to give counter arguments. This stock-taking of arguments will be clarifying for discovering the proper position of Gentile believers in the Messianic Community in regard of the much debated question whether they should be Torah observant.

 

To be clear in this matter, it is not our own position that Gentiles should refrain from Torah observance, nor is it our position, at the moment, that Gentiles are obliged to become Torah observant. We are simply trying to analyse all the relevant arguments in this difficult question, and possibly to attain at a biblically sustained solution.

 

 

1. Blurring the Jew-Gentile distinction

The distinction Jew-Gentile is blurred out by Gentile Torah observance. Full Torah observance by Gentiles threatens the distinctiveness of the Jewish people. The Jewish people is a distinct nation that should keep its caracteristic features even within the context of the Messianic Community. When Yeshua the Messiah reconciled the two (Jew and Gentile) in one Body (Eph. 2:15-16), this presupposes that the two are and remain distinct. Their harmonious unity in Messiah does not make them the same.

 

2. Prohibition of Circumcision

Paul prohibits circumcision for Gentiles. If such a fundamental commandment as circumcision is prohibited for Gentiles it is at least probable that other ritual commandments are discouraged or prohibited as well. In Paul’s letters not a singular instance is found where Gentiles are encouraged or commanded to keep the ritual commandments. Sometimes it is said for example that Paul is encouraging the Corinthians to keep Passover in 1 Cor. 5:8. However, this verse is perhaps not dealing with kosher lePesah but about the “leaven of malice and wickedness” and “the unleavened bread of sincerity and truth”. Paul is attending his readers to the moral commandments by pointing to the Passover sacrifice of Messiah (5:7), that is the Crucifixion. He tells them they are living now in the post-Crucifixion era, that is figuratively in the time-period of unleavened bread. There seems to be evidence enough that Paul was not teaching Torah (in the sense of the ritual commandments) to Gentiles. The Passover Seder could only be celebrated legitimately in Jerusalem, not in Corinth. And every male involved in its official celebration would have to be circumcised. The Corinthian Gentiles could have a meal of Messiah of course, but not the Seder as commanded in the Torah.

 

3. Circumcision versus Conversion

It is said by Thomas Lancaster (The Mystery of the Gospel) and Tim Hegg (Fellow Heirs) that the prohibition of circumcision by Paul is only a prohibition of the rabbinic conversion ritual, not a prohibition of circumcision as such. Paul however seems to prohibit circumcision for Gentiles in general terms and without exceptions. In the writings of Paul there is not found a distinction between two kinds of circumcision. As “the circumcision” for Paul is a shorthand term for the Jewish nation in its (temporal) covenantal status and responsibility, a circumcised Gentile is an oxymoron, for by covenantal circumcision a Gentile is incorporated into Israel, the Jewish people.

 

4. “Staying in the Condition in which one was Called” (I Cor. 7:18-24)

Paul explicitly says that each member of the Messianic Community must stay in the condition he was in when he was called (1 Cor. 7:18-24). This excludes the option of a circumcision “later on” of the Gentile members. Paul clearly prohibits circumcision and he warns the wannabe circumcised Gentile that, as soon as he gets circumcised, he is kept to fulfil all of the Torah. In other terms, Paul warns the wannabe circumcised Gentile that by circumcision he incorporates himself into Israel (and consequently becomes a proselyte Jew — Gal. 5:3). This implies that Paul recognizes the rabbinic conversion ritual as valid. There is no indication in Paul’s letters that he acknowledges a category of circumcised non-Jews.

 

5. Two Kinds of Circumcision

If one says that Paul does not want Gentiles to undergo circumcision because he does not want them to become Jews according to the conversion standards of the established Judaism of his days, that is probably right. But that still does not allow Gentiles to get circumcised by way of what Lancaster and Hegg call “the simple commandment of Scripture” over against circumcision as a conversion ritual. Paul never makes this distinction between two kinds of circumcision. He does not want the Gentiles getting circumcised because in his eyes this would imply conversion. For it is clear that to get circumcised in a covenantal way is to become a member of the community of the circumcised. Now the community of the circumcised is Israel according to Paul. The Jewish people is called “the circumcision”. A circumcised Gentile therefore becomes an Israelite, a member of the Jewish people, and thus a Jew. There is no need at all to distinguish between two kinds of circumcision. And there is also no evidence that Paul ever questioned the legitimacy of the conversion ritual as such. That this ritual is not found in Scripture is no argument. As a Pharisee Paul recognized many of the developed customs as legitimate. There is for example no marriage ritual found in Scripture either. Would that imply that the ritual marriage celebration and contract are null and void? Hardly. Paul simply does not want the Gentiles to become circumcised, because he wants them to receive the blessing of Abraham in Messiah as Gentiles, so that the truth of the Shema shines forth, that the One G’d of Israel (“Hear o Israel, HaShem is our G’d…”) becomes known as the One G’d for all mankind (“… HaShem is One”). He is, as Paul says, not the G’d of the Jews only, but of the Gentiles also. By becoming circumcised, however, the Gentiles would become included in the community of the circumcised, and become Israelites. They would no longer receive their blessing as Gentiles. They would thereby declare that G’d is the G’d of the Jews only. This may be the major point of Paul’s prohibition of circumcision, and thus of full Torah observance, for Gentiles.

 

6. “One Law for the Homeborn and the Stranger”

It is not convincing to deduce from the often cited formula that there shall be one law for the born Israelite and for the stranger, that the circumcised Gentile remains a Gentile. This sentence is simply a warning against discrimination within Israel, of making a distinction, as if there were two classes of Israelites. There is only one class of Israelites, that is what the Torah is saying by this formula. The circumcised stranger is fully absorbed by the Jewish people. He is called a stranger only because he is no descendant of Jacob. And it is obvious that his descendants (or the fourth generation of them) are Jewish. They are all members of the same nation. Nowadays Gentile members of the Messianic Community however do not (have to) become members of the Jewish nation. They remain members of their own nations. They only partake of the spiritual blessings of the Jewish people, not of Jewish peoplehood. This was different in times before Messiah. But the position thas favours full Torah observance for Gentile members of the Messianic Community inevitably leads to the absorbtion of the Gentile believers into the believing remnant of Israel. Even if the circumcised Gentiles are still considered to be Gentiles, this will no longer be the case within a few generations. The posterity of these Gentiles will be considered Jewish, if their parents follow the commandments of the Torah and circumcise their sons at the eight day. There is no longer any practical difference between them and the Jewish members. The difference between Jew and Gentile is reduced to a difference in descent only. But as this difference in descent is not expressed by visible distinctions anymore, it becomes a hidden difference. All members of the Messianic Community will be considered Jewish. And this surely leads to the result that the wrong message is communicated that the Gospel of Yeshua the Messiah is something for Jews only. This seems to be a very problematic consequence of the “One People, one Torah” view.

 

7. Only Jews are Israelites

If a Gentile member of the Messianic Community does not become a Jew, then he is not an Israelite, for Israelites are Jews and only Jews are Israelites. But if a Gentile believer is no Israelite, he is unable to recite the first half of the Shema. He cannot say to himself: “Hear o Israel, HaShem is our G’d…” for he is not Israel. The Gentile is not an Israelite. He cannot replace Israel or the Israelites. Only an Israelite, a Jew, can legitimately recite the Shema. This proves that a Gentile is not called to full Torah observance, except when he becomes a Jew, because reciting the Shema is one of the commandments. But becoming a Jew is what Paul forbids for Gentile members of the Messianic Community. A Gentile may recite however the formula of Zecharia (sometimes called the Gentile’s Shema): “HaShem shall be King over all the earth. In that day HaShem shall be One and His Name One”.

 

8. Replacement Theology

If Gentile members of the Messianic Community were able to fulfil all the commandments of the Torah, Israel could be replaced by the Gentile part of the Messianic community. Full Torah observance for Gentiles implies Replacement Theology. A restoration of the Jewish people is no longer needed in this scheme, for Gentiles can take things over. But as this is simply not true, because of G’ds faithfulness to His people Israel, Gentiles are not in the position to fulfil all the commandments.

 

9. Gentiles in the Temple Contrary to Paul

If Gentiles were called to full Torah observance and were to be circumcised “later on” while remaining Gentiles as is suggested by Lancaster and Hegg, this would in Paul’s days have resulted in Gentiles visiting the Temple, entering the court of the Israelites and bringing sacrifices as if they were Israelites. Bringing Gentiles into the Temple was exactly what Paul was charged of by his Jewish accusers and that accusation was vehemently denied by him, according to Luke (Acts 21:28; 24:6; sed contra: 25:8). Now, one may ask, if Gentiles were encouraged by Paul to full Torah observance, would this accusation not have been true? Gentiles dressed like Jews, wearing tzitzit for example, would have been discovered and exposed by the Jewish people as counterfeit Jews and copy cats. This would have resulted in gravely deepening the already existing tensions between the Messianic Community and the Jewish people, and it would have fueled the distrust of the Jewish people and its leadership against the “Messianics”. Consider two cases: (1) A non-circumcised Gentile Christian wearing tzitzit. For Jews this would be an impostor, because tzitzit symbolize full Torah observance (Num. 15:39). That implies of course circumcision. So an uncircumcised Gentile wearing tzitzit is clearly a Gentile who tries to hide his Gentile identity, and thus an impostor. (2) A circumcised Gentile wearing tzitzit. This Gentile would perhaps, even if he had not followed the conversion procedure of the Rabbis, be benevolently considered a Jew. However, this would be contrary to Paul’s teaching that Gentiles ought to remain Gentiles. But in case this Gentile were not considered a Jew, because of not following the proper procedure of rabbinic conversion, he too would be considered an impostor or faker by the Jewish people. How would Paul be able then to defend himself against his accusers if he really encouraged the Gentile believers to act in this way?

 

10. The Paradox of I Cor. 7:19

I Cor. 7:19 at first sight seems to be paradoxical. First Paul states that circumcision is nothing and uncircumcision is nothing, and then he states that keeping the commandments is something. This second statement seems to imply that Gentiles must be circumcised because circumcision is one of the commandments. However, when Paul says: “circumcision is nothing and uncircumcision is nothing, but keeping the commandments” this does not necessarily mean that both the circumcision (the Jews) and the uncircumcision (the Gentiles) have the same set of commandments, but simply that each group is to fulfil the set of commandments it is bound to. Paul distinguishes for instance between commandments for masters and for slaves, for men and for women, for parents and for children, so why not between commandments for Jews and for non-Jews?

 

11. The Apostolic Council of Acts XV

The interpretation of Acts Ch. XV is very important concerning the issue of Gentile Torah-observance. Lancaster and Hegg interpret Acts 15:21 as implying that Gentiles are encouraged to embrace the entire Torah at their own pace. This interpretation however is not the only one possible. Perhaps the explanation of this verse is that Moses will not be forgotten when the Gentiles enter the community of the redeemed, because “of old time Moses hath in every city them that preach him.” That would imply that Gentiles need not to take upon themselves the ritual commandments (Chukim), because the Jews do them already in every city. The verse would thus be about the priestly function of the Jewish people (Ex 19:5-6), not about Gentiles learning the ritual commandments from the weekly (=Sabbath) Torah reading. Gentiles would visit the Sabbath services of course as far they were able to, and learn to lead an ethical life, but that does not imply they kept the Sabbath commandments. In many cases this was even not possible because their social circumstances were very different from those of the Jews, especially when they were slaves of non-Jewish masters.

 

This interpretation seems to be supported by Acts Ch. XXI, where we find no possibility at all in favour of the opinion that expects Gentiles to follow the ritual commandments. In this chapter the division is very simple. Jewish believers are to follow the entire Torah and the customs (21:21 & 21:24), whereas Gentile believers are to follow instead the four regulations of the Jerusalem Council against idolatry (21:25). There is no mention at all in this chapter about Gentiles hearing Torah readings. If this however was so important, why is it not mentioned?

 

12. “Inclusion in Israel”

It is often stated by Lancaster and Hegg that Gentile believers are included in (or become part of) Israel. Paul however never directly says this. Paul’s vision seems to be that Gentiles are included in the Body of Messiah on equal footing with the Jewish believers, without becoming Jews and without becoming “Israel” or “Israelites”. They are received in the Body of Messiah as Gentile members. When Paul says that Gentiles are ingrafted in the Olive Tree of Israel as Gentile branches, this does signify their partaking in the blessings from the root (the Patriarchs, especially Abraham). It does not in any way signify the Gentiles becoming “Israelites” or “spiritual Israelites”. They remain wild branches (i.e. Gentiles). Paul upholds firmly that it is still a great advantage to be a Jew (Rom. 3:1-2: “much in every way!”, Rom. 9:4). As Mark Nanos says in his book: The Mystery of Romans (178-179): “Paul’s concern was to clarify that the Law was not for the Christian Gentiles as though they were now Jews, for that would compromise that G’d is the G’d of the Gentiles equally (with Christian Jews who keep Torah) in Christ Jesus (Rom. 3:27-31; 4:16).” It is of course to be seen whether Nanos’ interpretation of the letter to the Romans is tenable in its entirety. But it is cristal-clear that Paul never calls Gentiles by the name of Israelites. Gentiles are not Israel, but are called to worship with Israel (not as part of Israel, but together with Israel), as the Psalm says: “Rejoice Gentiles, with His people”. It is therefore simply impossible that Gentiles are called to full Torah observance, for the Torah is given to Israel. Gentiles are, as was said concluded above, unable, as Gentiles, to recite the Shema, which says: “Hear o Israel: …” Gentile recitation of the Shema prayer would be a strange kind of Replacement Theology. Gentiles calling themselves Israel, which they simply are not. But if Gentiles as Gentiles are unable to recite the Shema, then clearly they are not called to full Torah observance.

 

13. A sociological Argument

The visible distinctions that are part of the Torah, e.g. wearing tzitzit, will cause people that see Gentile Christians involved in them think they are Orthodox Jews instead of followers of Yeshua. Believers cannot by their own Torah-practice and use of Jewish symbols undo 2000 years of Jewish denial of Yeshua being the Messiah. Everyone knows that “Jews don’t believe in Jesus”. Thus tzitzit, kippah and observances such as Sabbath will be perceived by others simply as “Jewish”, not as signs or witnesses for Yeshua, in fact more probably as denials of Yeshua. In the Kingdom Age this will be different of course, but we are not in the Kingdom now. One cannot make Jewish symbols having a Messianic significance simply by wishing them to have it. Symbols can only do their job if they are perceived by the world at large in the same way as by the people that use them. But the only ones who see in Jewish symbols a witnessing for Yeshua are Messianic Jews and Torah observant Gentiles themselves. Only in the Kingdom period this will be different, for all Israel will at that time believe in Yeshua as the Messiah.

 

14. The Great Commission

The “Great Commission” of the Lord Yeshua in Mt. 28:20 is sometimes cited in favour of Torah observance by Gentiles, in conncection with Mt. 5:17-19. The text of the Great Commission however does not necessarily mean that the Gentiles are to follow all of the Torah. It is very well possible that it means: “teaching them to observe all things whatsoever I commanded you [that they should observe]”, or: “teaching them to observe all things whatsoever I commanded you [to teach them]”.

 

Christendom als Judaïsme

Over de noodzaak van Torah-observantie in het Christendom 

Wanneer in het Christendom de G’d van Israel wordt aangenomen door (gelo­vigen uit) de volken, en als gevolg daarvan het polytheïsme verdwijnt, wordt de omgang van de mens met de wereld een andere. Voorheen, in het poly­theïsme, werd, grosso modo gesproken, deze omgang op een concreet levens­terrein (bijv. landbouw, geslachtelijke betrekkingen, voedsel, kleding, enz.) op rituele wijze gereguleerd door de (aard van de) goden van het onder­havige levensterrein. Door deze rituele regels en gewoonten worden de betref­fende levensterreinen geheiligd. Zij worden toegewijd aan de goden, en zo ontvan­kelijk gemaakt voor hun zegen. 

Wanneer nu deze goden wegvallen, en de onmiddellijke relatie met de G’d van Israel bij de volken gestalte begint aan te nemen, dan verdwijnt daarmee, dit is de keerzijde, het gehele complex van de genoemde rituele levensaanwij­zingen en taboes van de polytheïstische cultuur.

De vraag die dan opkomt luidt: komt er voor deze cultuur iets in de plaats, en zo ja wat? Dit is geen vrijblij­vende vraag. Integendeel, het is de prangende vraag naar een in concreto houdbare levenswijze onder het mono­theïsme. Het is ook de vraag naar de wijze waarop de onderscheiden levens­terreinen in deze nieuwe G’dsrelatie geheiligd zullen kunnen worden. Hoe worden deze levensterreinen toege­wijd aan de G’d van Israel, teneinde geschikt te zijn voor het ontvangen van zijn zegen? 

In Israel zelf, in het Jodendom, is dit geen probleem. Israel bezit in de Torah een complex van rituele levensaanwijzingen van zijn G’d. Israel wordt juist vrijgemaakt van afgoderij en heidendom, doordat de hoogste G’d, HaSjeem, zijn Torah bekend maakt en oplegt. De vele goden van het heidense verleden verdwijnen, maar de vele wetten en instellingen van de Torah komen daarvoor in de plaats, opdat ieder levensterrein op een bijzondere, aan dit levensterrein aangepaste wijze, gewijd kan worden aan HaSjeem, de G’d van Israel. Wordt nu echter, zoals in het Christendom gebeurd is, de G’d van Israel aan­vaard door de volken buiten Israel, terwijl niet tevens het gehele complex van de rituele levensaanwijzingen van de Torah wordt aanvaard, dan heeft dit grote gevolgen. Want nu wordt wel het polytheïsme en het daarmee verbonden complex van levensaanwijzingen verlaten, evenwel zonder dat er voor het laatstgenoemde iets in de plaats komt.  

Weliswaar moet men dit enigszins nuanceren: in het Christendom wordt niet geheel de Torah afgewezen, de zedewet wordt (zij het ook slechts gedeeltelijk) aanvaard. Niettemin blijft staande dat al de rituele wetten van de Torah, zoals de spijswetten, de kledingwetten en de reinigingswetten, in het Christendom terzijde worden gesteld (afgezien van enkele relicten). De ritueel gereguleerde omgang met de wereld wordt daarmee door het Christendom losgelaten. In plaats daarvan stelt men de “vrijheid in Christus”. Het handelen volgens de “vrijheid in Christus” is weliswaar bedoeld als een door G’ds Geest bezield handelen, als vervulling van de Torah. Deze bedoe­ling of intentie blijft echter leeg of vruchteloos, want een vervulling, in de zin van een volmaakte, boven elk legalisme uitgaande betrachting van de Torah, heeft tot onmisbare voorwaarde dat er inderdaad een in concrete geboden gespecifi­ceerde Torah voorligt, die vervuld zou dienen te worden. En die is er nu juist volgens het christelijke gezichtspunt niet meer. Vervulling van een in feite afgeschafte Torah is echter in tegenspraak met zichzelf. Dit blijkt daaruit, dat de “vrijheid in Christus”, naar haar effect beschouwd, het tegendeel oplevert van haar oorspronkelijke intentie. Het handelen volgens deze christelijke vrijheid loopt bij gebrek aan concrete aanwij­zingen uit op willekeurig, Torah-loos handelen. En dit is eigenlijk reeds G’d-loos handelen.

Men handelt niet meer volgens hogere aanwijzingen, die niet uit het te behandelende zelf zijn af te lezen. Integendeel, men handelt, zij het aanvan­kelijk onder de religieuze bedekking van de christelijke vrijheid, zoals het uitkomt. Dit betekent dat het handelen volgens hogere aanwijzingen, op grond van openbaring, zeer sterk wordt ingeperkt, en gereserveerd voor een speciaal domein: het ethische domein. Het willekeurige handelen, dat in de omgang met de wereld overheerst, kan nog wel een tijdlang door een christelijke devotio­nele houding worden overstraald, en in zijn willekeur getemperd. Er komt echter onvermijdelijk een moment waarop dit willekeurige, Torah-loze han­delen zich van zijn eigen willekeur bewust wordt. Wanneer dit geschiedt, komt er een systematische bezinning op gang over de principes van dit handelen als zodanig. Deze systematisering van het willekeurige handelen loopt uit op de opkomst van het moderne, technische handelen. Door de systematisering van de willekeur worden de mogelijkheden van de tempering van deze willekeur, vanuit christelijke devotie, steeds geringer. De systematisering dicht als het ware de hiaten waardoor nog het licht van de openbaring kon binnenvallen. De christelijke devotie heeft tegen deze gang van zaken geen verweer dat daadwerkelijk iets kan uitrichten, juist omdat deze devotie is losgeraakt van de binding aan de Torah, en zich slechts als gevoels­vroomheid kan uiten. 

Het enige recept tegen dit fatale gebrek in het Christendom, als gevolg waar­van deze religie zichzelf saeculariseert, lijkt dus te zijn het zich keren tot en het aannemen van het gehele complex van levensaanwijzingen dat de G’d van Israel zijn volk heeft geschonken, de Torah. Dit standpunt brengt ook weer zijn eigen moeilijkheden met zich mee. Ik stip hier slechts de volgens mij voornaamste moeilijkheden aan, en geef een sugges­tie voor hun oplossing. 

De eerste moeilijkheid is de questie van het onderscheid tussen Israel en de overige volken. Worden de bijzondere roeping en de plaats van Israel niet miskend, wanneer de volken gaan leven volgens de levensaanwijzingen van de Torah? In bijzonderheden: Wanneer gelovigen uit de volken, Christenen, Sjabbat en de bijbelse hoogtijden gaan vieren, kosjer gaan eten, de kleding­voorschriften van de Torah gaan uitvoeren (zoals het dragen van een talliet), verdwijnt dan niet althans alle zichtbare onderscheid tussen deze gojiem en de Joden? En is deze opheffing van onderscheid wel zo gewenst? 

Daar staat tegenover dat er maar één Torah is, dat dus het leven volgens de aanwijzingen van HaSjeem slechts op één wijze mogelijk is. Er is blijkbaar slechts één uiteindelijke vorm van waarachtige menselijkheid. Toch behoeft dit volgens mij niet te leiden tot een voortijdige, gevaarlijke opheffing van het onderscheid tussen Israel en de volken. In de eerste plaats is Israel de uitverkoren instantie van waaruit de Torah onder de volken wordt verspreid. Wanneer de volken zich tot de Torah keren, zullen de wijzen uit Israel de leermeesters der volken zijn in het uitvoeren van de geboden, want uit Sion zal de Torah uitgaan zoals geschreven staat. In de tweede plaats zijn veel Torahwetten exclusief voor Israel, namelijk die wetten welke slechts uitvoerbaar zijn in het land Israel. Israel is uiteindelijk bestemd tot het leven in dit land. In de derde plaats is daar de (openbare) afwijzing door Israel (i.h. bijzonder door de Joodse orthodoxie) van Jezus als de Mes­sias. Dit laatste maakt een groot onderscheid. Deze afwijzing heeft tot gevolg dat ook in de ballingschap Israel en de overige volken niet worden vermengd. Deze niet-vermenging draagt bij tot het behoud van Israel volgens de apostel Paulus, wanneer hij stelt dat op deze wijze (d.w.z via het geheimenis van de gedeel­telijke verharding, bestaande in de afwijzing van Jezus als Messias) geheel Israel gered zal worden (Rom.11:25-26).

Deze afwijzing krijgt dus vanuit het vooraf­gaande een positieve beteke­nis. De Joodse afwijzing van Jezus als de Messias kan deze positieve betekenis verkrijgen doordat er op een dieper niveau een religieuze verbondenheid tussen Jezus en het Joodse Volk blijft bestaan. Deze verbondenheid blijft bestaan op het niveau van de levenspraktijk, de Torah. Deze verbondenheid is zo groot, dat zij zelfs bij een expliciete afwijzing van Jezus’ messianiteit in stand blijft. De Torah van Mozes is namelijk een navolging van of een partici­patie aan de levende Torah, de Torah in persoon, die Jezus is.  Bij de uitdrukke­lijke belijdenis treedt een verschil aan de dag tussen de religie van Christus (te verstaan als de religie die Jezus zelf uitoefende) en de christelijke religie (te verstaan als de religie die de uitdrukkelijke navolgers van Jezus uitoefenen).

Dit verschil treedt echter niet op in de Joodse religie. De Joodse religie is identiek met de religie van Christus, en daardoor is deze religie te verstaan als navolging van Jezus. Let wel, deze wijze van navolging van Jezus is alleen mogelijk voor het Joodse Volk — althans voorzover het niet de Nieuwtestamentische kennis van Jezus bezit — en precies daarin bestaat de afzondering van dit Volk. De overige volken, de gojiem, moeten Hem uitdrukkelijk leren kennen en belijden, en kunnen eerst vanuit deze uitdrukkelijke binding aan Hem tot de beoefening en vervulling van de Torah komen. Via de binding aan Jezus worden zij, de gojiem, op Israel geënt. De Joodse afwijzing van Jezus heeft in diepste wezen tot doel de gojiem, de volken, te verlokken Hem aan te nemen. De afwijzing dient als lokmiddel, omdat op deze wijze Jezus in eerste instantie op algemene wijze kan worden voorgesteld en aangeboden. Dus als iets dat is losgemaakt van de particulariteit en exclusiviteit van het Jodendom. Bij diepere kennismaking blijkt echter dat degenen die in Jezus geloven uitgekomen zijn uit de volken, en geestelijkerwijs (d.i. in religieuze zin) in Israel zijn ingevoegd. Waar deze invoeging in Israel de concrete gestalte aanneemt van het uitvoeren van de Torah-voorschriften, voltrekt zij zich onder de leiding van dat deel van het Joodse Volk, dat zich onder de gojiem begeeft, om hen te onderwijzen, het zgn. messiasbelijdende Jodendom. Dit is een klein deel van het Joodse Volk, dat het offer brengt van de losmaking van het Volk, terwille van het heil van de gojiem. Slechts een klein deel van het Joodse Volk is echter in de situatie van de ballingschap messias­belijdend. Het grootste deel houdt zich voorlopig afzijdig, teneinde de identiteit van het Joodse Volk zuiver te bewaren. De messiasbelijdende Joden zijn apart gestelde eerstelingen, waarin, zoals Paulus zegt, geheel Israel wordt geheiligd (Rom.11:16). 

Langs deze weg wordt dus de moeilijkheid van het onderscheid tussen Israel en de volken opgelost. Het grootste deel van Israel blijft door zijn afwijzing van Jezus van de volken afgescheiden, totdat alle volken ertoe bereid zijn vanuit hun geloof in Jezus hun liefde tot Israels G’d tot uiting te brengen in de volbrenging van de Torah. Eerst als antwoord op deze bereidheid zal Israel bekend maken wie zijn Messias is. Een voortijdige erkenning en belijdenis van Jezus als de Messias zou namelijk maken dat Israel zou worden verzwolgen door de Christenheid, met massale assimilatie als gevolg. 

De tweede moeilijkheid in het door mij voorgestelde standpunt is het probleem van de culturele verscheidenheid. Worden de volken wel als volken gezegend, wanneer zij zich gaan gedragen zoals Israel? En: Is de Torah wel geschikt als levenswijze voor de volken? Leidt tenslotte het volgen van de Torah door de volken er niet toe dat er een eenvormige Joodse cultuur zich over de aarde verbreidt, en de verscheidenheid en veelkleurigheid van de culturen der volken verdwijnt? Om met het laatste te beginnen: ik denk inderdaad dat de betrekking tot de G’d van Israel voor de volken met zich meebrengt, op den duur althans, dat zij als de Joden worden. En wel omdat de betrekking tot HaSjeem geen andere religieuze inspiratie in een cultuur toelaat: “gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben”. En indien het zo is dat de uiteindelijke radix van culturele verscheidenheid ligt in een verscheidenheid van cultus, in een onder­scheid van religieuze oriëntatie, zoals sommigen menen, dan is volgens mij duidelijk dat het onderscheid van de culturen die met de openbaring uit Israel hebben kennis gemaakt slechts voorlopig kan zijn. Een definitief onderscheid betekent immers dat naast deze openbaring uit Israel nog een andere religieuze levenswortel werkzaam is in het leven van de betreffende volken. Maar dat wordt vanuit Israel nu juist gezien als afgoderij, en doet afbreuk aan het volkomen gestalte krijgen van de relatie met HaSjeem. Hieruit moet dan wel volgen dat de Torah ook geschikt is als complex van levensaanwijzingen voor de volken, en dat de volken juist als volken worden gezegend, wanneer zij het onderwijs uit Israel willen aannemen. De hierboven geschetste visie is om drie redenen aantrekkelijk. Ten eerste omdat zij een fundamentele interne moeilijkheid in het Christendom tot een oplossing brengt; ten tweede omdat zij aan het ongeloof van het Jodendom in de messianiteit van Jezus een positieve functie weet te geven; ten derde omdat zij, door het Christendom te verstaan als een Judaïsme, uitzicht biedt op een werkelijke, inhoudelijke verzoening van Jodendom en Christendom.

17 Tammoez 5756 (4 juli 1996)