Christendom als Judaïsme

Over de noodzaak van Torah-observantie in het Christendom 

Wanneer in het Christendom de G’d van Israel wordt aangenomen door (gelo­vigen uit) de volken, en als gevolg daarvan het polytheïsme verdwijnt, wordt de omgang van de mens met de wereld een andere. Voorheen, in het poly­theïsme, werd, grosso modo gesproken, deze omgang op een concreet levens­terrein (bijv. landbouw, geslachtelijke betrekkingen, voedsel, kleding, enz.) op rituele wijze gereguleerd door de (aard van de) goden van het onder­havige levensterrein. Door deze rituele regels en gewoonten worden de betref­fende levensterreinen geheiligd. Zij worden toegewijd aan de goden, en zo ontvan­kelijk gemaakt voor hun zegen. 

Wanneer nu deze goden wegvallen, en de onmiddellijke relatie met de G’d van Israel bij de volken gestalte begint aan te nemen, dan verdwijnt daarmee, dit is de keerzijde, het gehele complex van de genoemde rituele levensaanwij­zingen en taboes van de polytheïstische cultuur.

De vraag die dan opkomt luidt: komt er voor deze cultuur iets in de plaats, en zo ja wat? Dit is geen vrijblij­vende vraag. Integendeel, het is de prangende vraag naar een in concreto houdbare levenswijze onder het mono­theïsme. Het is ook de vraag naar de wijze waarop de onderscheiden levens­terreinen in deze nieuwe G’dsrelatie geheiligd zullen kunnen worden. Hoe worden deze levensterreinen toege­wijd aan de G’d van Israel, teneinde geschikt te zijn voor het ontvangen van zijn zegen? 

In Israel zelf, in het Jodendom, is dit geen probleem. Israel bezit in de Torah een complex van rituele levensaanwijzingen van zijn G’d. Israel wordt juist vrijgemaakt van afgoderij en heidendom, doordat de hoogste G’d, HaSjeem, zijn Torah bekend maakt en oplegt. De vele goden van het heidense verleden verdwijnen, maar de vele wetten en instellingen van de Torah komen daarvoor in de plaats, opdat ieder levensterrein op een bijzondere, aan dit levensterrein aangepaste wijze, gewijd kan worden aan HaSjeem, de G’d van Israel. Wordt nu echter, zoals in het Christendom gebeurd is, de G’d van Israel aan­vaard door de volken buiten Israel, terwijl niet tevens het gehele complex van de rituele levensaanwijzingen van de Torah wordt aanvaard, dan heeft dit grote gevolgen. Want nu wordt wel het polytheïsme en het daarmee verbonden complex van levensaanwijzingen verlaten, evenwel zonder dat er voor het laatstgenoemde iets in de plaats komt.  

Weliswaar moet men dit enigszins nuanceren: in het Christendom wordt niet geheel de Torah afgewezen, de zedewet wordt (zij het ook slechts gedeeltelijk) aanvaard. Niettemin blijft staande dat al de rituele wetten van de Torah, zoals de spijswetten, de kledingwetten en de reinigingswetten, in het Christendom terzijde worden gesteld (afgezien van enkele relicten). De ritueel gereguleerde omgang met de wereld wordt daarmee door het Christendom losgelaten. In plaats daarvan stelt men de “vrijheid in Christus”. Het handelen volgens de “vrijheid in Christus” is weliswaar bedoeld als een door G’ds Geest bezield handelen, als vervulling van de Torah. Deze bedoe­ling of intentie blijft echter leeg of vruchteloos, want een vervulling, in de zin van een volmaakte, boven elk legalisme uitgaande betrachting van de Torah, heeft tot onmisbare voorwaarde dat er inderdaad een in concrete geboden gespecifi­ceerde Torah voorligt, die vervuld zou dienen te worden. En die is er nu juist volgens het christelijke gezichtspunt niet meer. Vervulling van een in feite afgeschafte Torah is echter in tegenspraak met zichzelf. Dit blijkt daaruit, dat de “vrijheid in Christus”, naar haar effect beschouwd, het tegendeel oplevert van haar oorspronkelijke intentie. Het handelen volgens deze christelijke vrijheid loopt bij gebrek aan concrete aanwij­zingen uit op willekeurig, Torah-loos handelen. En dit is eigenlijk reeds G’d-loos handelen.

Men handelt niet meer volgens hogere aanwijzingen, die niet uit het te behandelende zelf zijn af te lezen. Integendeel, men handelt, zij het aanvan­kelijk onder de religieuze bedekking van de christelijke vrijheid, zoals het uitkomt. Dit betekent dat het handelen volgens hogere aanwijzingen, op grond van openbaring, zeer sterk wordt ingeperkt, en gereserveerd voor een speciaal domein: het ethische domein. Het willekeurige handelen, dat in de omgang met de wereld overheerst, kan nog wel een tijdlang door een christelijke devotio­nele houding worden overstraald, en in zijn willekeur getemperd. Er komt echter onvermijdelijk een moment waarop dit willekeurige, Torah-loze han­delen zich van zijn eigen willekeur bewust wordt. Wanneer dit geschiedt, komt er een systematische bezinning op gang over de principes van dit handelen als zodanig. Deze systematisering van het willekeurige handelen loopt uit op de opkomst van het moderne, technische handelen. Door de systematisering van de willekeur worden de mogelijkheden van de tempering van deze willekeur, vanuit christelijke devotie, steeds geringer. De systematisering dicht als het ware de hiaten waardoor nog het licht van de openbaring kon binnenvallen. De christelijke devotie heeft tegen deze gang van zaken geen verweer dat daadwerkelijk iets kan uitrichten, juist omdat deze devotie is losgeraakt van de binding aan de Torah, en zich slechts als gevoels­vroomheid kan uiten. 

Het enige recept tegen dit fatale gebrek in het Christendom, als gevolg waar­van deze religie zichzelf saeculariseert, lijkt dus te zijn het zich keren tot en het aannemen van het gehele complex van levensaanwijzingen dat de G’d van Israel zijn volk heeft geschonken, de Torah. Dit standpunt brengt ook weer zijn eigen moeilijkheden met zich mee. Ik stip hier slechts de volgens mij voornaamste moeilijkheden aan, en geef een sugges­tie voor hun oplossing. 

De eerste moeilijkheid is de questie van het onderscheid tussen Israel en de overige volken. Worden de bijzondere roeping en de plaats van Israel niet miskend, wanneer de volken gaan leven volgens de levensaanwijzingen van de Torah? In bijzonderheden: Wanneer gelovigen uit de volken, Christenen, Sjabbat en de bijbelse hoogtijden gaan vieren, kosjer gaan eten, de kleding­voorschriften van de Torah gaan uitvoeren (zoals het dragen van een talliet), verdwijnt dan niet althans alle zichtbare onderscheid tussen deze gojiem en de Joden? En is deze opheffing van onderscheid wel zo gewenst? 

Daar staat tegenover dat er maar één Torah is, dat dus het leven volgens de aanwijzingen van HaSjeem slechts op één wijze mogelijk is. Er is blijkbaar slechts één uiteindelijke vorm van waarachtige menselijkheid. Toch behoeft dit volgens mij niet te leiden tot een voortijdige, gevaarlijke opheffing van het onderscheid tussen Israel en de volken. In de eerste plaats is Israel de uitverkoren instantie van waaruit de Torah onder de volken wordt verspreid. Wanneer de volken zich tot de Torah keren, zullen de wijzen uit Israel de leermeesters der volken zijn in het uitvoeren van de geboden, want uit Sion zal de Torah uitgaan zoals geschreven staat. In de tweede plaats zijn veel Torahwetten exclusief voor Israel, namelijk die wetten welke slechts uitvoerbaar zijn in het land Israel. Israel is uiteindelijk bestemd tot het leven in dit land. In de derde plaats is daar de (openbare) afwijzing door Israel (i.h. bijzonder door de Joodse orthodoxie) van Jezus als de Mes­sias. Dit laatste maakt een groot onderscheid. Deze afwijzing heeft tot gevolg dat ook in de ballingschap Israel en de overige volken niet worden vermengd. Deze niet-vermenging draagt bij tot het behoud van Israel volgens de apostel Paulus, wanneer hij stelt dat op deze wijze (d.w.z via het geheimenis van de gedeel­telijke verharding, bestaande in de afwijzing van Jezus als Messias) geheel Israel gered zal worden (Rom.11:25-26).

Deze afwijzing krijgt dus vanuit het vooraf­gaande een positieve beteke­nis. De Joodse afwijzing van Jezus als de Messias kan deze positieve betekenis verkrijgen doordat er op een dieper niveau een religieuze verbondenheid tussen Jezus en het Joodse Volk blijft bestaan. Deze verbondenheid blijft bestaan op het niveau van de levenspraktijk, de Torah. Deze verbondenheid is zo groot, dat zij zelfs bij een expliciete afwijzing van Jezus’ messianiteit in stand blijft. De Torah van Mozes is namelijk een navolging van of een partici­patie aan de levende Torah, de Torah in persoon, die Jezus is.  Bij de uitdrukke­lijke belijdenis treedt een verschil aan de dag tussen de religie van Christus (te verstaan als de religie die Jezus zelf uitoefende) en de christelijke religie (te verstaan als de religie die de uitdrukkelijke navolgers van Jezus uitoefenen).

Dit verschil treedt echter niet op in de Joodse religie. De Joodse religie is identiek met de religie van Christus, en daardoor is deze religie te verstaan als navolging van Jezus. Let wel, deze wijze van navolging van Jezus is alleen mogelijk voor het Joodse Volk — althans voorzover het niet de Nieuwtestamentische kennis van Jezus bezit — en precies daarin bestaat de afzondering van dit Volk. De overige volken, de gojiem, moeten Hem uitdrukkelijk leren kennen en belijden, en kunnen eerst vanuit deze uitdrukkelijke binding aan Hem tot de beoefening en vervulling van de Torah komen. Via de binding aan Jezus worden zij, de gojiem, op Israel geënt. De Joodse afwijzing van Jezus heeft in diepste wezen tot doel de gojiem, de volken, te verlokken Hem aan te nemen. De afwijzing dient als lokmiddel, omdat op deze wijze Jezus in eerste instantie op algemene wijze kan worden voorgesteld en aangeboden. Dus als iets dat is losgemaakt van de particulariteit en exclusiviteit van het Jodendom. Bij diepere kennismaking blijkt echter dat degenen die in Jezus geloven uitgekomen zijn uit de volken, en geestelijkerwijs (d.i. in religieuze zin) in Israel zijn ingevoegd. Waar deze invoeging in Israel de concrete gestalte aanneemt van het uitvoeren van de Torah-voorschriften, voltrekt zij zich onder de leiding van dat deel van het Joodse Volk, dat zich onder de gojiem begeeft, om hen te onderwijzen, het zgn. messiasbelijdende Jodendom. Dit is een klein deel van het Joodse Volk, dat het offer brengt van de losmaking van het Volk, terwille van het heil van de gojiem. Slechts een klein deel van het Joodse Volk is echter in de situatie van de ballingschap messias­belijdend. Het grootste deel houdt zich voorlopig afzijdig, teneinde de identiteit van het Joodse Volk zuiver te bewaren. De messiasbelijdende Joden zijn apart gestelde eerstelingen, waarin, zoals Paulus zegt, geheel Israel wordt geheiligd (Rom.11:16). 

Langs deze weg wordt dus de moeilijkheid van het onderscheid tussen Israel en de volken opgelost. Het grootste deel van Israel blijft door zijn afwijzing van Jezus van de volken afgescheiden, totdat alle volken ertoe bereid zijn vanuit hun geloof in Jezus hun liefde tot Israels G’d tot uiting te brengen in de volbrenging van de Torah. Eerst als antwoord op deze bereidheid zal Israel bekend maken wie zijn Messias is. Een voortijdige erkenning en belijdenis van Jezus als de Messias zou namelijk maken dat Israel zou worden verzwolgen door de Christenheid, met massale assimilatie als gevolg. 

De tweede moeilijkheid in het door mij voorgestelde standpunt is het probleem van de culturele verscheidenheid. Worden de volken wel als volken gezegend, wanneer zij zich gaan gedragen zoals Israel? En: Is de Torah wel geschikt als levenswijze voor de volken? Leidt tenslotte het volgen van de Torah door de volken er niet toe dat er een eenvormige Joodse cultuur zich over de aarde verbreidt, en de verscheidenheid en veelkleurigheid van de culturen der volken verdwijnt? 

Om met het laatste te beginnen: ik denk inderdaad dat de betrekking tot de G’d van Israel voor de volken met zich meebrengt, op den duur althans, dat zij als de Joden worden. En wel omdat de betrekking tot HaSjeem geen andere religieuze inspiratie in een cultuur toelaat: “gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben”. En indien het zo is dat de uiteindelijke radix van culturele verscheidenheid ligt in een verscheidenheid van cultus, in een onder­scheid van religieuze oriëntatie, zoals sommigen menen, dan is volgens mij duidelijk dat het onderscheid van de culturen die met de openbaring uit Israel hebben kennis gemaakt slechts voorlopig kan zijn. Een definitief onderscheid betekent immers dat naast deze openbaring uit Israel nog een andere religieuze levenswortel werkzaam is in het leven van de betreffende volken. Maar dat wordt vanuit Israel nu juist gezien als afgoderij, en doet afbreuk aan het volkomen gestalte krijgen van de relatie met HaSjeem. Hieruit moet dan wel volgen dat de Torah ook geschikt is als complex van levensaanwijzingen voor de volken, en dat de volken juist als volken worden gezegend, wanneer zij het onderwijs uit Israel willen aannemen. De hierboven geschetste visie is om drie redenen aantrekkelijk. Ten eerste omdat zij een fundamentele interne moeilijkheid in het Christendom tot een oplossing brengt; ten tweede omdat zij aan het ongeloof van het Jodendom in de messianiteit van Jezus een positieve functie weet te geven; ten derde omdat zij, door het Christendom te verstaan als een Judaïsme, uitzicht biedt op een werkelijke, inhoudelijke verzoening van Jodendom en Christendom.

17 Tammoez 5756 (4 juli 1996) 

Advertisements

2 Responses to “Christendom als Judaïsme”


  1. 1 Levi Zoutendijk July 16, 2012 at 7:50 am

    Machtig mooi. Maar hoe rijm je uw overtuigeing in een tesjoeva (bekering) naar Tora door Christenen als voorwaarde tot de wederkomst met Jesjoea’s retorische uitspraak of hij nog wel geloof vinden zou?

    • 2 messianic613 July 18, 2012 at 3:24 am

      Waarschijnlijk schuilt de door u geconstateerde moeilijkheid in de volgende passage:

      Het grootste deel van Israel blijft door zijn afwijzing van Jezus van de volken afgescheiden, totdat alle volken ertoe bereid zijn vanuit hun geloof in Jezus hun liefde tot Israels G’d tot uiting te brengen in de volbrenging van de Torah. Eerst als antwoord op deze bereidheid zal Israel bekend maken wie zijn Messias is.

      Met deze passage bedoel ik echter niet te ontkennen dat het misverstand tussen Israel en de volken pas volledig zal worden opgeheven met de Wederkomst van de Messias. Degenen voor wie dit misverstand nu gedeeltelijk is opgeheven zijn de Messiasbelijdende Joden en de Torah-getrouwe gelovigen uit de volken. De Messiasbelijdende Joden zijn het joodse misverstand over Jezus te boven gekomen. De Torah-getrouwe gelovigen uit de volken zijn het gojse misverstand over de Joden en het misverstand over de joodsheid van Jezus te boven gekomen.

      Voor de volkerenwereld in zijn geheel zullen de misverstanden ten aanzien van het joodse volk en Jezus’ joodse identiteit pas worden opgeheven door middel van de oordelen die volgens de Apocalyps over de wereld zullen komen vlak voor de Wederkomst, in het bijzonder de Grote Verdrukking. Voor het nog ongelovige deel van Israel geldt hetzelfde met betrekking tot de identiteit van Jezus als de Messias van Israel.

      We kunnen erop vertrouwen dat al degenen die in de loop van de christelijke geschiedenis een waarachtig persoonlijk geloof hebben gehad in de G-d van Israel en in Jezus als de Messias, en een leven hebben geleid dat met dit geloof in overeenstemde, tot de uitverkorenen zullen worden gerekend, ook al waren zij bevangen in de bovengenoemde misverstanden omtrent de relatie tussen Jezus en het joodse volk.

      Naarmate de grote crisis van de eindtijd naderbij komt zal echter steeds duidelijker worden dat Joden en Christenen bij elkaar horen en dat de binding van de Christenen aan Jezus tevens inhoudt een binding aan Israel. We zien dit nu reeds in de ondersteuning van het joodse volk en en de joodse staat door evangelische Christenen, terwijl een ander deel van de Christenheid zich steeds meer afkeert van de staat Israel en het joodse volk, en, als gevolg daarvan, steeds meer afvallig wordt van de bijbselse waarheid.

      Deze schifting zal steeds sterker worden. Steeds meer zal het voor Christenen duidelijk worden dat het geloof in Jezus betekent dat men bij Israel hoort en dat de getrouwen uit het joodse volk en uit de andere volken bij elkaar horen. Tien mannen uit de volken zullen de slip grijpen van het kleed van een Jood (cf. Zach. 8:23). Naarmate dit inzicht toeneemt zal dit ook worden opgemerkt door de ongelovige wereld en zullen ook de verdrukkingen en vervolgingen toenemen, zodat Jezus’ waarschuwing: “Zal de Mensenzoon nog geloof vinden op aarde?” (Lk. 18:8) zeer terecht zal blijken.

      De Wederkomst zal plaatsvinden zodra het getal der uitverkorenen, en van degenen uit de volken die het Messiaanse Rijk zullen mogen binnengaan, vol zal zijn. Dan pas, en niet eerder, zal geheel Israel Jezus als Messias erkennen, en zullen de misverstanden tussen Israel en de volken worden opgeheven.


Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s





%d bloggers like this: