DE VERNIEUWING VAN HET VERBOND EN HET BLIJVEN VAN DE TORAH

Aantekeningen bij enige gedeelten van de brief aan de Hebreën

ontleend aan “Semitic Light on Hebrews” van James Trimm, “De verbonden en de wet” van S. van Mierlo, “Jewish New Testament Commentary” van David Stern, en “L’Épitre aux Hébreux” van C. Spicq

 

 

 1.             Inleiding

 

Nadat de auteur (in Heb. 9) gewag heeft gemaakt van het ritueel van de Grote Verzoendag, spreekt hij zich uit ten gunste van de tempeldienst. Hij doet dit door middel van een homiletische midrasj op Ps. 40:6-8 (Heb. 10:5-9); Jer. 31:33-34 (Heb. 10:16-17) en Hab. 2:3-4 (Heb. 10:37-38). Kernwoorden zijn hier: ‘behagen/wil’; ‘kom’; ‘Torah in het hart’; ‘zonde’ en ‘(geen) offerande’. De auteur begint deze midrasj door Ps. 40:6-8 te citeren (Heb. 10:5-10). Hij verknoopt deze passage met Jer. 31:34 (Heb. 10:16-18), door middel van de kernwoorden ‘zonde’, ‘in hun harten’ en ‘geen offer’. De wet in het hart (of ingewand) is ook een thema in Ps. 40, maar dit wordt afgekapt in het citaat in Heb. 10:5-10. De auteur besluit met het citeren van Hab. 2:3-4 (Heb. 10:37-38) door de kernwoorden ‘Hij die staat te komen’ en ‘geen behagen’. De context van Heb. 10 is dat de auteur zojuist over Jesjoea gesproken heeft met betrekking tot het ritueel van Jom Kippoer, in Heb. 8 en 9. In Heb. 10:1-3 stelt de auteur dat de offers blijven bestaan als een gedachtenis. De auteur verzet zich tegen degenen die zich tegen de tempel keren en moedigt het bijwonen van de tempeldienst aan (Heb. 10:25).

 

De kernwoorden van de midrasj laten zien wat het onderwerp van de auteur is: de offers, en dat wat aan G’d niet behaagt. De auteur beargumenteert dat het einde van de zondoffers in Ps. 40:6-8 en het plaatsen van de Torah in het hart (Ps. 40:8) de psalm-passage verbinden aan het sluiten van het nieuwe verbond in Jer. 31:31-34, dat nog moet geschieden. Volgens de auteur beschrijft Ps. 40 een tijd waarin niet langer zondoffers aangeboden zullen worden, omdat de zonde niet meer gedacht zal worden. G’d heeft geen behagen meer in zondoffers, aangezien zij resulteren uit zonden, welke hij, wanneer het nieuwe verbond daar is, niet langer zal gedenken. Deze offers zullen dus mogelijkerwijs eindigen met het komen van het nieuwe verbond (Heb. 11:18 zie ook Heb. 8:13). De auteur besluit door Hab. 2:3-4 en Hag. 2:6-7 te citeren. De bedoeling van dit citaat lijkt te zijn de wederkomst van de Messias en de vestiging van het nieuwe verbond voor ogen te stellen als de de vervulling, niet de afschaffing van de tempeldienst (Hag. 2:8-10).

 

 

2.         Uitleg van Heb. 10:1-38; 12:25-26

 

10:1a   Want de Torah heeft een schaduw van de toekomende goederen, niet het beeld zelf der zaken.

De auteur verwijst naar het feit dat de aardse tabernakel een schaduw van de hemelse is (zie Heb. 8:5; 9:11). Deze passage betekent niet dat de Torah niet zou moeten gehouden worden, aangezien zij een schaduw is. De Torah is nooit anders geweest dan een schaduw komende goede dingen, zelfs niet in de dagen van Moses.

 

10:1b             Daarom kan zij met dezelfde offeranden, welke men alle jaren gedurig opoffert, hen die daar toegaan, nimmermeer vervolmaken.

De jaarlijkse offers van de Grote Verzoendag zijn hier aangeduid.

 

10:3     Maar daarin geschiedt alle jaren een gedachtenis van zonden.

In plaats van te onderwijzen dat het systeem van de tempeloffers door Jesjoea afgeschaft is, vermeldt de auteur dat de offers dienen als een jaarlijkse gedachtenis van zonden.

 

10:5-10 = Ps. 40:6-8. Psalm 40:6-8 was waarschijnlijk als een bewijsplaats gebruikt door tegenstanders van de auteur. De Ebionieten waren gekant tegen de tempeldienst omdat zij geloofden dat Jesjoea het systeem van de offers had afgeschaft. Ook anderen, zoals de Essenen, verzetten zich tegen de tempel, omdat zij meenden dat de offerdienst werd beheerd en uitgeoefend door een corrupte priesterkaste. De auteur van de Hebreënbrief daarentegen neemt stelling ten gunste van de offerdienst.

 

10:18   Waar dan voor deze dingen vergeving bestaat, is er geen zondoffer meer nodig.

Inderdaad, er behoeft geen tweede werkelijk afdoend offer te worden gebracht, zoals het kruisoffer. Dit geschiedde eens en voor altijd (9:25-28). Doch de afschaduwing (10:1) van dit offer, die op zichzelf geen waarde heeft, moet dienst doen zowel vóór als nà het kruisoffer, als gedachtenis van de zonden.

 

Dat deze tekst niet leert dat er geen symbolische offers in de tempel meer moeten worden gebracht, blijkt bovendien uit het feit dat Heb. 10:5-7 valt onder het hierboven genoemde citaat uit Ps. 40:6-8. Toen de psalm werd geschreven, ten tijde van koning David, bestond uiteraard de offerdienst van de Torah. Aan deze psalm een argument ontlenen om de offerdienst voor afgeschaft te houden komt erop neer dat men de offerdienst minstens sinds koning David voor illegitiem houdt.

 

10:25   En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat temeer, als gij ziet dat de dag nadert.

Dit is een van de meest misbruikte passages in het Nieuw Testament. De passage heeft niets te maken met een ‘kerkdienst’ (een anachronisme) of met een dagelijkse of wekelijkse bijeenkomst van de plaatselijke gemeente. Neen, in overeenstemming met Heb. 10:1-4 moedigt de auteur de bijwoning van de tempelliturgie van de Grote Verzoendag aan. Hij doet dit met een kal v’chomer (= van licht naar zwaar) redenering, welke in 10:26 begint, en culmineert in 10:28-29.

 

10:28   Indien iemand de Torah van Mozes teniet gedaan heeft, sterft hij zonder barmhartigheid, onder twee of drie getuigen;

10:29   Hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden die de Zoon van God vertreden heeft, en het verbondsbloed waardoor hij geheiligd was, onrein geacht heeft, en de Geest der genade smaadheid heeft aangedaan.

De auteur heeft vroeger reeds (door een kal v’chomer) aangetoond dat de woorden van de Messias van tenminste gelijk gewicht zijn als die van de Torah (2:1-4). Hij heeft ook aangetoond dat het bloed van het nieuwe verbond van grotere betekenis is dan dat van het oude (9:13-14). Nu stelt hij dat zij die dit nieuwe verbond  verwerpen een tenminste even grote straf zullen ontvangen als degenen die het mozaïsche verbond van de Sinaï verwierpen.

 

10:37   Want nog een zeer weinig tijd en Hij, die staat te komen, zal komen en niet vertoeven.

10:38   Maar de rechtvaardige zal leven uit zijn getrouwheid, en indien hij zich onttrekt heeft Mijn ziel geen behagen in hem.

Zoals in het voorgaande reeds opgemerkt, haalt de auteur hier teksten (Hab. 2:3-4) aan welke in hun verband de tegenstelling laten zien tussen de Torahgetrouwheid en het zich onttrekken aan de Torah. Van degene die zich, in tegenstelling tot de rechtvaardige, onttrekt aan trouw aan de Torah wordt (in Hab.) gezegd (lxx): “als zijn ziel zich onttrekt (hetzelfde woord als in Heb. 10:38), heb Ik geen behagen in hem”. En: “maar de trotse man en de spotter, de man die grootspreekt, zal niets voltooien; hij die zijn begeerte verwijd heeft als het graf, en gelijk de dood is, die niet zat wordt, en tot zich verzamelt al de heidenen, en vergadert tot zich alle volken”.

 

De auteur wijst er in 10:27 op dat de Messias op het punt staat terug te keren uit het hemels heiligdom, zoals de hogepriester op Jom Kippoer terugkeert uit het binnenste van de tempel.

 

Tenslotte benut de auteur in 12:25-26, als uitloper van dit betoog een kal v’chomer argumentatie om het gewicht van Jesjoea’s boodschap ten opzichte van die van Mozes te beklemtonen.

 

12:25   Ziet toe, dat gij Hem, die spreekt, niet verwerpt; want indien dezen niet zijn ontvloden, die hem verwierpen die op aarde G’ddelijke antwoorden gaf, veelmeer zullen wij niet ontvlieden, zo wij ons van Hem afkeren, die van de hemelen is;

12:26   Wiens stem toen de aarde bewoog; maar nu heeft Hij verkondigd, zeggende: Nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook de hemel.

Zoals G’ds stem op de Sinaï de aarde bewoog, zo zal Hij, als gevolg van de gebeurtenissen rond Jesjoea, in de toekomst eenmaal zowel de aarde als de hemel bewegen, teneinde de beweeglijke dingen door onbeweeglijke te vervangen. In deze argumentatie citeert de auteur Hagg. 2:7. Deze tekst staat in het perspectief van een glorieus herstel van de tempeldienst, en van het toestromen van de volken. Opnieuw lijkt dus de bedoeling van de auteur te liggen in de vervulling, niet in de afschaffing van de tempeldienst.

 

Omdat de Hebreënbrief zo vaak wordt uitgelegd als een theologisch project dat de afschaffing van de tempeldienst zou bepleiten en rechtvaardigen, is het wellicht goed nog op enkele specifieke aspecten van de argumentatie van de auteur in te gaan.

 

 

3.         De kal v’chomer redenering

 

In de eerste plaats op de kal v’chomer redenering. Deze rabbijnse redeneervorm (de eerste interpretatieregel van Hillel en van Rabbi Jismaëel), ook bekend onder benamingen als a fortiori redenering, of redenering a minore ad maius, heeft altijd de strekking dat het grotere en meer gewichtige, dat in de redenering wordt afgeleid, stoelt op het kleinere en minder gewichtige waaruit het wordt afgeleid. Dit impliceert dat hoewel enerzijds het afgeleide inhoudelijk van hogere orde en groter gewicht is, anderzijds het uitgangspunt waaruit het wordt afgeleid formeel van hogere orde en groter gewicht is. In deze redenering houden het zwaardere en het lichtere elkaar dus in evenwicht. Het formeel lichtere is het inhoudelijk zwaardere en omgekeerd.

 

Het kan dus nooit zo zijn dat een kal v’chomer wordt aangewend teneinde het inhoudelijk gewichtige dat in de redenering wordt afgeleid, vervolgens te benutten ter kleinering of afschaffing van het inhoudelijk minder gewichtige waaruit het wordt afgeleid. Want dit inhoudelijk minder gewichtige is formeel gewichtiger, en zondermeer nodig, niet alleen om de afleiding te kunnen maken, maar ook om vervolgens het afgeleide te kunnen doen standhouden.

 

Wanneer de kal v’chomer zou kunnen worden benut om het lichtere te doen verdwijnen in of ten gunste van het zwaardere, zou zij als halachisch argument iedere waarde verliezen. Dan zou namelijk het lichtere voorschrift kunnen worden afgeschaft of opgeheven ten gunste van het zwaardere. De kal v’chomer wordt echter voortdurend in halachische argumentaties benut.

 

Om het gestelde te illustreren een kort voorbeeld van een halachische kal v’chomer. De questie is of men het Pesachoffer ook moet brengen wanneer Pesach op een Sjabbat valt, gezien het werkverbod van Sjabbat. Het antwoord (afkomstig van Hillel, Bab. Talm. Pesachim 66a) luidt bevestigend, en wordt als volgt beredeneerd. Het dagelijks offer, op het niet brengen waarvan de Torahwet geen strafbepaling vermeldt, wordt ook op Sjabbat gebracht. Dus moet zeker het Pesachoffer, op het niet brengen waarvan de Torahwet de strafbepaling van kareet (= uitroeing) vermeldt, op Sjabbat worden gebracht, wanneer Pesach op een Sjabbat valt.

 

Wie zou nu op grond van deze redenering willen beweren dat wanneer Pesach op een Sjabbat valt, het vervolgens niet langer nodig is op deze Sjabbat het dagelijks offer te brengen, aangezien het van zoveel zwaarder gewicht zijnde Pesachoffer dan reeds wordt gebracht? Dit zou betekenen dat men het lichtere, dat men als onbetwist uitgangspunt van de redenering had genomen, vervolgens laat opgaan of verdwijnen in het zwaardere dat eruit volgt. Maar met het verdwijnen van het uitgangspunt van de redenering verdwijnt rechtens ook het gevolg.

 

Een voorbeeld van een kal v’chomer in de Hebreënbrief is de stelling van de auteur dat de openbaring van de Zoon, die boven de engelen verheven is, niet mag worden verworpen (Heb. 2:1-4). Hij beredeneert deze stelling vanuit het gegeven dat het door engelen bemiddelde woord (de Torah) betrouwbaar geweest is, en dus a fortiori het woord van de boven de engelen verheven Zoon minstens even betrouwbaar is.

 

Deze redenering mag vervolgens niet gebruikt worden met het doel de Torah (het mindere) af te schaffen ten gunste van het woord van de Zoon (het meerdere). Want dit zou het gehele uitgangspunt van de redenering vernietigen, en uiteindelijk, via dezelfde logica, tot de conclusie leiden dat ook het woord van de Zoon geen stand kan houden. Het inhoudelijk lichtere, maar formeel zwaardere, waarop het afgeleide wordt gefundeerd, zou namelijk onderuit worden gehaald.

 

Het bovenstaande heeft tot gevolg dat overal waar de auteur redeneert a minore ad maius, dus volgens een kal v’chomer, het mindere en lichtere uitgangspunt niet verdwijnt in of ten gunste van het grotere en zwaardere dat wordt afgeleid. Dit heeft ondermeer tot gevolg dat de melchizedische priesterdienst van de Messias in het hemelse heiligdom niet mag worden uitgespeeld tegen de levitische priesterdienst, welke hier op aarde doorgaat zolang de eerste tent nog staat (Heb. 9:8).

 

 

4.         De afschaffing van de Torah van Mozes

 

Niettegenstaande het voorafgaande is het duidelijk dat de Hebreënbrief passages bevat die spreken van een afschaffing van de Torah. Nu gaat het erom na te gaan hoe en wanneer deze afschaffing aan de orde is, en en hoe zij zich verhoudt tot hetgeen we over het blijven van de Torah in verband met de kal v’chomer hebben opgemerkt.

 

7:18     Want de vernietiging van het voorgaande gebod geschiedt om zijn zwakheid en onprofijtelijkheid;

De auteur gaat verder, zoals hij gezegd heeft (6:1) dan de eerste beginselen van de leer van de Messias, en nodigt uit tot de volmaaktheid voort te varen. Welnu, de volmaaktheid wordt niet bereikt door het levitische priesterschap. Dit priesterschap vindt zelf zijn bestemming in het volmaakte, melchizedische priesterschap van de Messias. In verband met dit volmaakte priesterschap geschiedt er een verandering van de Torah (7:12) en een afschaffing van het voorgaande gebod (7:18). Want dit laatste kon volmaaktheid niet brengen (7:19; 9:9).

 

We hebben hier dus een tekstplaats gevonden die spreekt over het afschaffen van de Torah van Mozes. Nu komt het erop aan te bezien wanneer deze afschaffing geschiedt. Dit vinden we in 9:10, waar de instellingen van het Misjkan “inzettingen van het vlees” worden genoemd, “tot op de tijd der herstelling opgelegd”.

 

Het woord herstelling is de vertaling van ‘diorthôsis’, dat nergens anders in het Nieuwe Testament voorkomt. Wat de auteur met het herstel bedoelt valt echter op te maken uit 9:11, waar hij de volmaakte tabernakel stelt tegenover hetgeen tot de tegenwoordige schepping behoort. Deze tabernakel bestaat nu reeds, doch bevindt zich in de hemel (8:1), zoals ook blijkt uit 12:22-24. Deze tabernakel is het hemelse Jerusalem. Er zal echter een tijd komen, wanneer hemel en aarde zullen bewogen worden, en er een verandering zal plaatsvinden van de beweeglijke dingen, en alleen onbeweeglijke dingen zullen blijven.

 

12:27   En dit woord, “Nog éénmaal…” wijst op de verandering der beweeglijke dingen, die slechts gemaakt waren opdat zouden blijven de dingen die niet beweeglijk zijn.

Het levitische priesterschap behoort, met zijn steeds te herhalen offers, tot de orde van de beweeglijke dingen, aangezien de priesters zelf door de dood verhinderd werden altijd te blijven (7:23). Jesjoea’s priesterschap is daarentegen onvergankelijk, omdat Hij in eeuwigheid blijft (7:24). Wat is er nu in het kader van het betoog logischer dan aan te nemen dat het levitische priesterschap, en daarmee heel de in inzettingen bestaande Torah, zal blijven zolang de hierboven beschreven verandering van hemel en aarde tot een onbeweeglijke orde nog niet heeft plaatsgehad?

 

 

Dit komt overeen met hetgeen we in de Apokalyps vinden over het neerdalen van het hemelse Jerusalem uit de hemel (Apok. 21:2-3). Deze gebeurtenis wordt gesitueerd ten tijde van de volkomen herschepping, dus wanneer alles tot volmaaktheid zal zijn gebracht.

 

Hieruit blijkt dat de “inzettingen van het vlees” slechts afgeschaft zullen worden op het einde van het messiaanse rijk. Dit komt ook overeen met de woorden van Jesjoea in Mt. 5:18, volgens welke er niets van de Torah of de profeten zal worden ontbonden zolang de tegenwoordige hemel en aarde bestaan.

 

De overige teksten die op een afschaffing of verandering van de Torah duiden zijn meest afkomstig uit de Tenach. We hebben reeds gezien dat men uit de aanhaling van Ps. 40 in Heb. 10 niet zulke drastische gevolgtrekkingen mag maken. Hetzelfde geldt voor de overige citaten uit de Tenach.

 

8:13     Als hij zegt: Een nieuw verbond, zo heeft Hij het eerste oud gemaakt; wat nu oud gemaakt is en verouderd, is nabij de verdwijning.

Als de auteur van Hebreën uit de passage over het nieuwe verbond in Jer. 31:31-34 het besluit trekt dat het eerste verbond “oud gemaakt” is (8:13), dan moet men deze veroudering reeds leggen ten tijde van de aangehaalde tekst, dus ten tijde van Jeremia. Door toen bij monde van deze profeet zo te spreken heeft G’d het eerste verbond “oud gemaakt”. Het ‘oude verbond’ is dus reeds oud (en verouderd) zo’n 600 jaren vóór het optreden van Jesjoea. Vanzelfsprekend betekent dit niet dat men het niet meer zou moeten houden! Bovendien zijn de bewoordingen in Heb. 8:13 zodanig dat blijkt dat het oude verbond nog niet was verdwenen.

 

De passage betekent niet dat G’d het mozaïsche verbond heeft afgeschaft of zal afschaffen. Het oude verbond is oud en verouderd omdat het niet werd gehouden door de Israelieten, zoals blijkt uit Heb. 8:7-9. Daarin wordt zijdelings de zwakheid openbaar van de Torah zelf met betrekking tot haar onderhorigen. Weliswaar hebben dezen door hun gedrag de zegeningen van de Torah onwerkzaam gemaakt. Maar de gang van zaken bewijst indirect dat de Torah het effectieve vermogen mist om haar onderhorigen tot G’d te brengen. Zij is niet in staat de kern van de mens, het hart, te vernieuwen tot een leven van gemeenschap met G’d (Dt. 29:4). Zij kan, zoals Paulus in de brief aan de Romeinen betoogt, deze vernieuwing slechts voorbereiden, door de overtreding bewust te maken en de behoefte te wekken aan de genade (Rom 5:12-8:4). Daarom werd een nieuw verbond, of beter een verbondsvernieuwing, nodig.

 

Het nieuwe verbond zal van kracht worden bij de wederkomst van de Messias. De traditionele opvatting dat het verbond reeds werd gesloten bij de laatste Pesachseider van Jesjoea met zijn leerlingen is slechts gedeeltelijk juist. De leerlingen werden toen weliswaar, als vertegenwoordigers van het volk, verbonden met het bloed van het nieuwe verbond, dat op het kruis vergoten zou worden, maar het verbond werd nog niet in de openbaarheid en met het gehele volk opgericht. Jesjoea zal eerst uit de beker van het verbond drinken bij de oprichting van het Koninkrijk, dat is bij zijn wederkomst in heerlijkheid (Mt. 26:29). De leerlingen, en allen die door middel van hen geloven zouden, werden reeds geestelijkerwijs in het nieuwe verbond ingevoerd, ter voorbereiding van hun zending om als apostelen van de Messias heel het huis Israels tot hetzelfde geloof te brengen, en zo geschikt te maken voor het van kracht worden van het nieuwe verbond.

 

Het van kracht worden van het nieuwe verbond, bij de oprichting van het messiaanse rijk, betekent niet de afschaffing, maar de vervulling van de Torah. Het oude verbond is niet identiek met de Torah, maar is slechts de (onvolkomen) wijze waarop de Torah op Sinaï werd geopenbaard, als een uitwendige wet, die niet noodzakelijk gepaard ging met een inwendige vernieuwing van de mens door de genade. Het van kracht worden van het nieuwe verbond, dat is de inwendige vernieuwing van Israel, betekent dan ook op geen enkele wijze een afschaffing van de Torah, doch juist de vervulling ervan. Dan eerst zal, uit kracht van de verbinding van het volk met het offer van de Messias, de genadewerking aanwezig zijn om de Torah te houden en om haar zó te houden dat zowel Israel als de volken tot hun eindbestemming worden gebracht.

 

Het nieuwe verbond voert dus niet tot de afschaffing van het mozaïsche verbond, doch is de vervollediging ervan. Het houdt in dat de besnijdenis van het hart werkelijkheid zal worden voor geheel Israel. Dit zal gebeuren door de inwerking van G’ds Geest, welke inwerking in beginsel is mogelijk gemaakt door de dienst van Jesjoea de Messias.

 

Men moet de passages over het oude en het nieuwe verbond dus niet zo met de Torah verbinden, alsof de verbondsvernieuwing en het afschaffen van de Torah zouden samenvallen. De Torah zal slechts afgeschaft worden, zoals hierboven reeds gezegd, bij het vergaan van hemel en aarde, dus na het messiaanse rijk. Zij blijft dus van kracht zolang de tegenwoordige hemel en aarde bestaan. Men kan zelfs zeggen dat zij ook daarna blijft bestaan, doch in getransformeerde toestand. In de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, de eeuwige toestand, is alles in overeenstemming met de diepste intentie van de Torah. Dit betekent 1) dat de Torah dan haar karakter van gebod verliest, daar zij het hart van de mens dan volkomen beheerst, en 2) dat alles in haar wat nog een onderweg zijn naar de bestemming veronderstelt wegvalt, aangezien alle dingen tot hun bestemming zijn gekomen.

 

Advertisements

0 Responses to “DE VERNIEUWING VAN HET VERBOND EN HET BLIJVEN VAN DE TORAH”



  1. Leave a Comment

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s





%d bloggers like this: