De Verwarring over de Omertelling en het Wekenfeest

 

door

Geert ter Horst

 

 

berachot-haOmer

Beracha voor het tellen van de Omer

1. Inleiding: De verandering in de gemeente Beth Yeshua

 

Het behoeft weinig betoog dat de messiasbelijdende wereld verdeeld is over de bijbelse datum van het Wekenfeest (Sjavoe‘ot), en, in verband daarmee, over de begindatum van de Omertelling. Sommige gemeenten beginnen de Omertelling volgens rabbijns voorschrift op 16 Niesan en vieren bijgevolg Sjavoe‘ot op de traditioneel-joodse datum, 6 Siewan. Anderen menen dat de Omertelling altijd dient te beginnen op een zondag en volgens hen heeft het Wekenfeest geen vaste datum.

 

Dit is een van de halachische vraagstukken waarover veel verwarring bestaat. Die verwarring blijkt ook uit de verandering van standpunt in dit vraagstuk van de grootste en toonaangevende messiasbelijdende joodse gemeente in ons land, Beth Yeshua te Amsterdam. Terwijl in de IjarSiewan aflevering 5767 (mei 2007) van het periodiek van deze gemeente, Melach HaArets, de praktijk werd verdedigd dat de Omer op een zondag begint — ook wel de opvatting van de Boethusiërs of de Sadduceeën genoemd — blijkt men nu van opvatting  veranderd te zijn en de rabbijnse praktijk van de Omertelling te hebben overgenomen, welke historisch teruggaat op de opvatting van de Farizeeën.

 

In de IjarSiewan aflevering 5767 (2007) van Melach HaArets werd gesteld dat “het verschil” [tussen de messiasbelijdende en de tradionele datum van het Wekenfeest] is gelegen in de interpretatie van vers 11b en vers 16 uit Wajikra (Leviticus) 23. Vers 11b: “De dag volgend op de feestelijke rustdag moet de priester de zijdelingse beweging [wuifoffer] ermee maken” (Dasbergvertaling). De verzen 15 en 16: “Jullie moeten tellen van de dag volgend op de feestelijke rustdag, van de dag dat jullie de Omer, bestemd voor de zijdelingse bewegingen, gebracht hebben; zeven volle weken moeten het zijn. Tot de dag volgend op de zevende week moeten jullie vijftig dagen tellen en dan een nieuw meeloffer voor de Eeuwige brengen” (Dasbergvertaling). De dag “volgend op de feestelijke rustdag” is de dag “daags na de sabbat” (NBG 1951), “de dag volgend op de feestelijke rustdag” (Dasberg). Die Sjabbat kan worden opgevat als: 1. de Sjabbat van het weekend dat valt in de week van de Pesach, of 2. de feestdag en Sjabbat die de Pesach zelf is. Het traditionele Jodendom heeft voor punt 2 gekozen. Dit is echter tegenstrijdig met de opdracht om vijftig dagen te moeten tellen en dan te moeten uitkomen op “de dag volgend op de zevende week”. Weken worden geteld vanaf hun eerste dag, zeg maar de zondag. Het einde van de zevende week is dus een Sjabbat (zaterdag). De dag die daarop volgt, is een zondag.”

 

In de onlangs verschenen IjarSiewan aflevering van dit jaar (5769 (2009)) worden echter plotseling de rabbijnse data van het Wekenfeest en van het begin van de Omertelling aangetroffen. Men schrijft daarover: “De precieze dag waarop we deze vijftig dagen beginnen te tellen is “de dag na de Sjabbat”, volgens Wajikra/Leviticus 23:15. ‘Sjabbat’ kan de betekenis hebben van ‘week’. In Jochanan/Johannes 19:31 staat over 15 Niesan geschreven dat de Sjabbat van die dag groot was. In dat geval is ‘Sjabbat’ de term voor een Sjabbaton, niet de wekelijkse Sjabbat. Dan vertalen we: tot de dag na de zevende week. In dat geval kan de vijftigste dag elke dag van de week zijn. Het begin van de Omertelling is dan niet gebonden aan de zondag. Zoals de bijbelse eerste dag van het Joodse Paasfeest ook niet gebonden is aan een zondag.”

 

Men ziet dat hier eigenlijk zonder gedegen onderzoek van de ene naar de andere opvatting van de Omer en het Wekenfeest wordt overgegaan. Men zou verwachten dat zo’n overgang niet zou plaatsvinden zonder een uitvoerige weerlegging van de opvatting die men verlaat en zonder een even uitvoerige bewijsvoering voor de opvatting waartoe men overgaat. Dit gebeurt in het bovenstaande echter allerminst. Er wordt maar wat op los geknutseld met uit hun verband gerukte teksten, en een op deze wijze verdedigde overgang naar de rabbijnse opvatting is natuurlijk niets waard en wordt waarschijnlijk alleen ingegeven door de motivering om in de lijn van de overheersende joodse traditie te staan en zich bij de conventionele praktijk aan te sluiten.

 

In de beide hierboven gegeven citaten uit Melach HaArets zitten nogal wat exegetische misvattingen opgesloten. Vóór deze bloot te leggen lijkt het ons echter beter eerst een poging te wagen om de bijbelse gegevens betreffende het begin van de Omer en de dag van het Wekenfeest opnieuw te bestuderen, en met name om een nauwkeurige exegese te geven van de relevante verzen uit het Boek Wajikra (Leviticus) hst. 23. Indien we daarin slagen kunnen we daarna wellicht met een verhelderd inzicht terugkeren naar de citaten uit Melach HaArets om mogelijk overgebleven misvattingen recht te zetten en een einde te maken aan de zojuist geschetste verwarring.

 

 

2. Een eerste aanwijzing: Een feestdag is geen Sjabbat

 

Eén van de zaken die opvallen bij een gedetailleerde bestudering van Lev. 23 is dat dit hoofdstuk een duidelijk onderscheid maakt tussen de wekelijkse Sjabbat en de andere vastgestelde hoogtijdagen van HaSjeem. Dit onderscheid vindt men overigens ook in de overige gedeelten van de Torah die handelen over Sjabbat en feestdagen. Nergens wordt een jaarlijkse feestdag Sjabbat genoemd. Voor de jaarlijkse feestdagen wordt soms wel een verwant woord, ‘Sjabbaton’ gebruikt, dat echter niet met ‘Sjabbat’ mag worden gelijkgesteld. Hierop is maar één schijnbare uitzondering, de Grote Verzoendag, welke ‘Sjabbat Sjabbaton’ wordt genoemd, en op deze uitdrukking zullen we nog terugkomen.

 

In de messiasbelijdende wereld is het echter schering en inslag om te spreken of ‘jaarlijkse Sabbatten’ (‘annual Sabbaths’ in de Angelsaksische literatuur), en in het algemeen om een feestdag een ‘Sjabbat’ te noemen, wat naar ik zal aantonen in de Heilige Schrift nergens gebeurt. De Schrift kent in deze zin geen jaarlijkse Sabbatten. De feestdagen die tradioneel in het Jodendom worden aangeduid als Jamiem Toviem — de eerste en de zevende dag van het Matsotfeest, de dag van het Wekenfeest, de dag van het feest der Trompetten (Rosj HaSjanah) en de feestdagen van het Loofhuttenfeest — worden nooit ofte nimmer met de term ‘Sjabbat’ aangeduid. Het spreken over jaarlijkse Sabbatten (of ‘annual Sabbaths’) is dan ook onjuist en misleidend.

 

Wanneer we precies nagaan voor welke dagen of tijden de Torah de term ‘Sjabbat’ gebruikt, dan vinden we dat, behalve voor de wekelijkse Sjabbat deze nog gebruikt wordt voor het Sjabbatsjaar (ofwel het zgn. Sjemita-jaar), dat is dus voor het zevende jaar, waarin de landbouwgrond in Erets Jisrael braak moet blijven liggen, en, zoals gezegd, voor het bijzondere geval van de Grote Verzoendag (Jom Kippoer). Dat zijn de enige dagen en tijdsperioden welke door de Torah ‘Sjabbat’ worden genoemd.

 

In het bijzonder wordt ook de tijdsperiode van de week, welke is gebaseerd op de Sjabbat, in de Torah niet met ‘Sjabbat’ aangeduid. Het Hebreeuws heeft een eigen woord voor week (Sjavoe‘a) dat niet verwant is met het woord ‘Sjabbat’. Natuurlijk kan men een tijdsperiode van zoveel weken óók aanduiden als een tijdsperiode van zoveel Sabbatten, maar dit spraakgebruik is niet omkeerbaar. Als men kan spreken over zeven weken als over zeven Sabbatten gaat dit alleen op indien het weken betreft die lopen van zondag tot en met Sjabbat. Een periode van zeven aaneengesloten Sabbatten beslaat dus wel zeven weken — hetgeen vanzelfsprekend is en in de aard van de zaak ligt opgesloten — maar daarom kan de term ‘Sjabbat’ de term ‘week’ nog niet vervangen of ermee gelijkgesteld worden. Want de betekenis van ‘Sjabbat’ is een geheel andere dan die van ‘week’ (Sjavoe‘a). ‘Sjabbat’ betekent ‘ophouden’, ‘rusten’, terwijl ‘Sjavoe‘a’ ‘zevental’ betekent. Bovendien kan iedere willekeurige periode van zeven aaneengesloten dagen ‘week’ (Sjavoe‘a) worden genoemd, ook als zij niet loopt van zondag tot en met de Sjabbat.

 

Deze eerste verkenning bevat al een aanwijzing voor het geval dat we willen onderzoeken. Indien de feestdagen van de ongezuurde broden (het Matsotfeest) niet met de term ‘Sjabbat’ worden aangeduid door de Torah, zullen er zwaarwegende exegetische (en wellicht andere) redenen moeten worden aangevoerd om een tekstinterpretatie en een daarop gebaseerde halachische praktijk ingang te doen vinden welke uitgaan van een terminologische gelijkstelling van feestdag en Sjabbat, en van een gelijkstelling van de zeven Sabbatten van Lev. 23:15-16 aan zeven weken met een willekeurige begindag.

 

 

3. Analyse van de termen ‘Sjabbat’ en ‘Sjabbaton’

 

Het onderscheid tussen Sjabbat en Jom Tov vinden we in Leviticus 23 duidelijk aangegeven. Dit hoofdstuk begint met een algemene oproep (23:1-2) om de vastgestelde tijden van HaSjeem, die heilige samenkomsten zijn, uit te roepen. Dan wordt (in :3) de wekelijkse Sjabbat geïntroduceerd als de eerste van deze. Daarna volgen aanwijzingen voor de andere feestdagen (vanaf :4). In 23:5-36 worden successievelijk de feestdagen vanaf Pesach tot en met Soekot behandeld. In ::37-38 worden algemene bepalingen gegeven voor de te brengen offers op deze dagen, en ook hier wordt de Sjabbat (in :38) duidelijk onderscheiden van de jaarlijkse feestdagen (in :37). In de volgende verzen (::39-43) worden bijzondere aanwijzingen gegeven voor het Loofhuttenfeest, en het hoofstuk besluit met nogmaals een algemene vermelding van de bijzondere tijden, op de wijze van een inclusio (:44).

 

De jaarlijkse feestdagen worden, zoals reeds opgemerkt, in deze tekst niet ‘Sjabbat’ genoemd. Somtijds, zoals in het geval van Rosj HaSjanah en Soekot, worden zij ‘Sjabbaton’ genoemd (Lev. 23:23, 39). De feestdagen van het Matsot– en het Wekenfeest worden hier echter op geen van beide wijzen aangeduid.

 

De termen ‘Sjabbat’ en ‘Sjabbaton’ geven een kenmerk van een bepaalde dag aan, niet die dag als zodanig. Zo is ‘Sjabbat’ niet de naam van de zevende dag van de week, maar de zevende dag wordt ‘Sjabbat’ genoemd naar een bepaald kenmerk van die dag, en zo worden ook bepaalde dagen ‘Sjabbaton’ genoemd naar een bepaald kenmerk van die dagen. Beide woorden, ‘Sjabbat’ en ‘Sjabbaton’ komen van dezelfde wortel, ‘Sh.b.t’, welke ‘ophouden’ of ‘rusten’ betekent. De zevende dag van de week wordt ‘Sjabbat’ genoemd, en dit woord wordt gevormd uit de werkwoordelijke Pi‘el stam, het intensivum van de actieve vorm van het werkwoord. ‘Sjabbat’ betekent daarom een ‘volkomen ophouden’ of een ‘volkomen rust’. Het woord ‘Sjabbaton’ lijkt wegens de -‘on’ uitgang afgeleid van de Qal (Pa‘al) stam die een gewone actieve vorm aangeeft. Volgens deze stam betekent dit werkwoord ‘ophouden’ of ‘rusten’ Een Sjabbaton is daarom een ophouden of rusten, terwijl een Sjabbat een volkomen ophouden of rusten is.

 

Ook de combinatie van deze twee woorden, ‘Sjabbat Sjabbaton’ komt voor, in Ex. 31:15, Lev. 23:3, 32. ‘Sjabbaton’ wordt hier gequalificeerd door ‘Sjabbat’ en men kan de combinatie vertalen als een ‘ophouden dat een volkomen ophouden is’, of als een ‘rust die een volkomen rust is’. De uitdrukking ‘Sjabbat Sjabbaton’ wordt alleen gebruikt voor de wekelijkse Sjabbat en voor Jom Kippoer. De uitdrukking beklemtoont dat de in een bepaald verband of op een bepaalde dag gevergde rust niet maar enkel een rust maar een volkomen rust moet zijn. Deze beklemtoning is in het kader van de voorschriften voor de feestdagen juist van belang voor de Grote Verzoendag, die hierin verschilt van de overige feestdagen. Terwijl voor deze dagen een rust is voorgeschreven die wordt omschreven als “geen dienstwerk zult gij doen” (Lev. 23:8, 21, 25, 35, 36), wordt de op Jom Kippoer vereiste rust aangeduid als “gij zult geen werk doen” (Lev. 23:31, vgl. :28, 29). Dit laatste werkverbod is hetzelfde als het werkverbod voor de wekelijkse Sjabbat, zoals blijkt uit Lev. 23:3.

 

Het onderscheid tussen het werkverbod dat geldt voor de Sjabbaton-dagen en het werkverbod dat geldt voor de Sjabbat–dagen is dus dat op de Sjabbat-dagen in het geheel geen werk is toegestaan, terwijl op de Sjabbaton-dagen geen dienstwerk is toegestaan. Dit onderscheid moet klaarblijkelijk volgens de Torah en krachtens Ex. 12:16 zo verstaan worden dat op de Sjabbaton-dagen voedsel bereid mag mag worden, terwijl dit op de wekelijkse Sjabbat en op Jom Kippoer niet is toegestaan. Het verschil tussen wel of geen voedselbereiding is het enige verschil tussen de werkverboden van Jom Tov en Sjabbat dat in de Torahtekst te vinden is. Volgens Ex. 12:16 geldt voedselbereiding als toegestaan werk voor de eerste en de zevende dag van het Matsotfeest, waaruit men kan afleiden dat voedselbereiding volgens de Torah wel werk maar geen dienstwerk is. Krachtens Lev. 23:24-25, 35-36, 39 is “geen dienstwerk” de rust die met de term ‘Sjabbaton’ wordt uitgedrukt. Hoewel de eerste en de zevende dag van het Matsotfeest en de dag van het Wekenfeest in Lev. 23 niet als ‘Sjabbaton’ worden aangemerkt wordt toch de Sjabbaton-rust, dus de onthouding van dienstwerk, op die dagen duidelijk geboden (Lev. 23:7-8, 21).

 

Nu wordt ook inzichtelijk waarom Jom Kippoer een ‘Sjabbat Sjabbaton’ genoemd wordt. We zien in Lev. 23 dat Jom Kippoer weliswaar een jaarlijkse feestdag is en geen wekelijkse Sjabbat, maar dat het werkverbod op Jom Kippoer even streng is als dat op de wekelijkse Sjabbat. Dit hangt ongetwijfeld samen met het gegeven dat Jom Kippoer een boetedag is, een dag waarvoor geldt: “dan zult gij uw zielen verootmoedigen” (Lev. 23:27), hetgeen volgens de traditie altijd is verstaan als een vastendag. Op deze dag voedsel bereiden ter wille van de dag zelf heeft dus geen zin, terwijl voedselbereiding ter wille van een andere dag reeds uitgesloten is door het Sjabbaton-werkverbod, dat alleen voedselbereiding voor de feestdag zelf toestaat. Het Jom Kippoer werkverbod is daarom even streng als het Sjabbat werkverbod.

 

Het onderscheid tussen de termen ‘Sjabbat’ en ‘Sjabbaton’ is dus een onderscheid tussen twee niveau’s van het werkverbod, en dit onderscheid wordt door de Torah op precieze wijze gehanteerd. De jaarlijkse feestdagen kunnen dus geen ‘Sjabbat’ genoemd worden, uitgezonderd, zoals zojuist aangetoond, de Grote Verzoendag.

 

 

4. “De volgende dag na de Sjabbat”

 

De voorafgaande analyse heeft grote consequenties voor de status van de eerste dag van het Matsotfeest. Op de daarop volgende dag begint volgens de rabbinale theorie de Omertelling. Volgens Lev. 23:15 begint deze telling op de dag van het beweegoffer van de garf van de eerstelingen, en dit beweegoffer is volgens de tekst “de volgende dag na de Sjabbat” (Lev. 23:11). Lev. 23:15-16 stelt: “Daarna zult gij u tellen van de andere dag na de Sjabbat, van de dag, dat gij de garve van het beweegoffer zult gebracht hebben; het zullen zeven volkomen Sabbatten zijn; Tot de andere dag, na de zevende Sjabbat, zult gij vijftig dagen tellen, dan zult gij een nieuw spijsoffer aan HaSjeem offeren”.

 

Volgens de rabbinale theorie begint de Omertelling altijd op 16 Niesan en moet de in Lev 23:11 & 15 aangeduide “dag na de Sjabbat” dus 16 Niesan zijn, met als gevolg dat de daar genoemde Sjabbat de eerste Jom Tov van het Matsotfeest moet zijn, 15 Niesan. Dit zou echter betekenen dat de eerste dag van het feest hier als ‘Sjabbat’ werd betiteld. Gezien de voorafgaande beschouwingen over de termen ‘Sjabbat’ en ‘Sjabbaton’ is dit echter geheel en al onaannemelijk. We hebben immers duidelijk gemaakt dat de jaarlijkse feestdagen niet ‘Sjabbat’ worden genoemd maar hoogstens ‘Sjabbaton’.

 

Het tekstverband van Leviticus 23 laat geen andere redelijke mogelijkheid toe dan dat de Sjabbat die in :11 genoemd wordt een wekelijkse Sjabbat is. De term ‘Sjabbat’ valt voor het eerst in :3 en daaropvolgende keer in :11. De in :11 genoemde Sjabbat wijst dus logischerwijze terug naar de in :3 genoemde Sjabbat, die de wekelijkse Sjabbat is. Bovendien is het woord ‘Sjabbat’ in :11 nog voorzien van het lidwoord, ‘HaSjabbat’, hetgeen betekent dat verwezen wordt naar een in de tekst reeds bekend veronderstelde Sjabbat, wat alleen de reeds eerder genoemde wekelijkse Sjabbat kan zijn.

 

Verder bewijs dat het hier alleen om een wekelijkse Sjabbat kan gaan vinden we in ::15-16. Volgens de daar gegeven aanwijzingen moeten er vanaf de dag na de zojuist genoemde Sjabbat zeven Sabbatten geteld worden. Indien we nu overeenkomstig de rabbijnse opvatting aannemen dat de Sjabbat die voorafgaat aan de eerste dag van de Omertelling niet de wekelijkse Sjabbat is maar een feestdag, namelijk de eerste Jom Tov van het Matsotfeest (15 Niesan), dan lijkt het geboden te zijn dat ook de zeven Sabbatten van ::15-16 zeven feestdagen zijn. Dat is echter onmogelijk. Er zijn geen zeven feestdagen tussen 15 Niesan en het Wekenfeest. De enige feestdag die in deze periode valt is de zevende dag Matsot, 21 Niesan. De rabbijnse opvatting wijkt daarom hier uit naar de verklaring dat de zeven Sabbatten zeven weken zijn, niet zeven feestdagen of zeven wekelijkse Sabbatten.

 

Deze laatste verklaring is echter zeer problematisch, om niet te zeggen volkomen onhoudbaar, en wel om de volgende redenen. In de eerste plaats heeft zoals reeds opgemerkt de term ‘Sjabbat’ in de Torah en in heel de Tenach nimmer de betekenis van ‘week’, en deze betekenis steunt zeker op geen enkel tekstgegeven in de context van Lev. 23. Natuurlijk kan men een zeker tijdsverloop in plaats van door een aantal Sabbatten evengoed aanduiden door een aantal weken — en bijgevolg kan men heel goed spreken van het Wekenfeest, zoals geschiedt in Dt. 16:9-10 — doch daaruit mag men geenszins besluiten dat men de term ‘Sabbatten’ van Lev. 23:15-16 mag vervangen door de term ‘weken’. Men vervangt de uitdrukking ‘zeven Sabbatten’ in deze tekst toch ook niet door ‘vijftig dagen’, al zijn zeven Sabbatten vijftig dagen?

 

In de tweede plaats ontstaat er door de vertaling van ‘Sjabbat’ door ‘week’ een onoplosbaar probleem in Lev. 23:15. Hier komt het woord ‘Sjabbat’ tweemaal in dezelfde volzin voor, de eerste keer in het enkelvoud en de tweede keer in het meervoud. Volgens de rabbijnse verklaring zou dit woord de eerste keer ‘feestdag’ betekenen en de tweede keer ‘week’. Er valt moeilijk iets onaannemelijkers te bedenken dan deze verklaring, volgens welke het woord ‘Sjabbat’ binnen één en dezelfde volzin twee verschillende betekenissen heeft, die bovendien beide niet de betekenis van dit woord zijn in heel de Torah en zelfs heel de Tenach. Indien het woord ‘Sjabbat’ de eerste keer dat het in de zin voorkomt zonodig ‘feestdag’ moet betekenen, moet het dit ook de tweede keer betekenen en dan zegt :15 dat “zeven volkomen feestdagen” moeten worden geteld, een lezing die we hierboven al als onmogelijk hebben afgewezen. Er zijn immers geen zeven feestdagen tussen Pesach en het Wekenfeest. Maar indien het woord ‘Sjabbat’ de tweede keer dat het in de zin voorkomt zonodig ‘week’ moet betekenen, moet het dit ook de eerste keer betekenen, en bij deze lezing gaat Lev. 23:15-16 als volgt luiden: “Daarna zult gij u tellen van de andere dag na de week, van de dag, dat gij de garf van het beweegoffer zult gebracht hebben; het zullen zeven volkomen weken zijn”. Wat de dag “na de week” is, is hier niet duidelijk. Deze lezing is evenmin mogelijk, aangezien zij het noodzakelijk maakt om in :11 het woord ‘Sjabbat’ ook door ‘week’ te vervangen, waardoor het onduidelijk wordt wat er in :11 bedoeld wordt. Gaat het hier om een volledige week van zondag tot en met Sjabbat, of gaat het hier om de week van het Matsotfeest?

Beide lezingen van de tekst zijn zo gekunsteld dat men zich onwillekeurig afvraagt hoe men de enige voor de hand liggende betekenis is van ‘Sjabbat’ over het hoofd heeft kunnen zien. En de rabbijnse uitleg, die de lezingen ‘feestdag’ en ‘week’ voor ‘Sjabbat’ combineert is de meest onwaarschijnlijke van alle. Indien het woord ‘Sjabbat’ in één en dezelfde volzin zowel ‘feestdag’ als ‘week’ moet betekenen en beslist niet, volgens zijn gewone betekenis, de wekelijkse rust op de zevende dag van de week mag aanduiden, dan heeft men van alle onwaarschijnlijke lezingen de onwaarschijnlijkste en van alle onmogelijke interpretaties de onmogelijkste uitgekozen. Daarmee is de rabbijnse uitleg van Lev. 23:11 & 15-16 en de daarop gebaseerde halachah betreffende het begin van de Omertelling (16 Niesan) en de datum van het Wekenfeest (6 Siewan) duidelijk gedisqualificeerd. Men houdt eenvoudig geen mogelijkheid van een consistente tekstlezing van Lev. 23 over indien men deze rabbinale exegese accepteert. Ze is niet alleen in strijd met de tekstgegevens van Lev. 23; ze is zelfs innerlijk tegenstrijdig.

 

 

5. Het traditionele beroep op Joz. 5:11

 

De rabbinale datum voor het begin van de Omer, Niesan 16, wordt vaak nader verdedigd met een beroep op het Pesach dat beschreven wordt in het Boek Jozua. Joz. 5:10-11 zegt: “Terwijl de kinderen Israels te Gilgal gelegerd waren, zo hielden zij het Pesach op de veertiende dag van die maand, in de avond, op de vlakke velden van Jericho. En zij aten van het overjarige koren van het land, de volgende dag van het Pesach, ongezuurde broden en gerooste aren, juist op diezelfde dag”. Men ziet in deze verzen vaak een aanleiding om te denken dat de dag die hier “de volgende dag van het Pesach” genoemd wordt de 16de Niesan was, de dag waarop volgens de rabbijnse uitleg van Lev. 23:10-14, 15-16 de Omer moest worden gebracht. Men verwijst dan in het bijzonder naar Lev. 23:14, alwaar gezegd wordt: “gij zult geen brood, noch geroost koren, noch groene aren eten, tot op die dag, dat gij de offerande van uw G-d zult gebracht hebben”. Uit het feit dat in Joz. 5:11 vermeld wordt dat de Israelieten koren en gerooste aren van het land aten leidt men dan af dat de Omer reeds was gebracht. In zijn artikel “Counting the Omer” (2002) heeft Tim Hegg nogmaals de rabbinale positie langs deze weg verdedigd. Hij vestigt er in het bijzonder de aandacht op dat de Israelieten pas op de 16de Niesan het land konden betreden, aangezien de 15de een Jom Tov was. En hij legt de uitdrukking “de volgende dag na het Pesach” uit als betreffend de 16de Niesan. De dag na het Pesach zou hier niet zijn de dag na de 14de Niesan, de dag waarop het Pesachlam geslacht werd, maar de dag na de aansluitende eerste feestdag van het Matsotfeest, 15 Niesan. Hegg baseert zich hiervoor op Dt. 16:1, waar het Pesach houden lijkt in te sluiten de viering van de eerste dag van het Matsotfeest.

 

Maar is deze gedachtengang aannemelijk en deze verdeding van de rabbinale positie inderdaad sluitend? Het schijnt mij toe dat dit allerminst het geval is. In de eerste plaats is het onjuist om te stellen dat de Israelieten pas op de 16de Niesan het land konden betreden wegens de Jom Tov van de 15de. Ze hadden volgens het relaas van de voorafgaande hoofstukken de Jordaan immers al overgestoken en waren dus reeds in het land. En is uit Dt. 16:1 af te leiden dat “de volgende dag na het Pesach” de 16de Niesan is? Deze afleiding is op zijn minst zeer twijfelachig. Er is daarentegen in de Torah zelf een rechtstreekse aanwijzing te vinden voor wat de uitdrukking “de volgende dag na het Pesach” [mimacharot haPesach] betekent. In Num. 33:3 vinden we exact dezelfde uitdrukking: “Zij reisden dan van Raméses; in de eerste maand, op de vijftiende dag van de eerste maand, de dag na het Pesach [mimacharot haPesach] trokken de kinderen Israels uit door een hoge hand, voor de ogen van alle Egyptenaren”. Volgens deze tekst is de dag na het Pesach de 15de en niet de 16de Niesan.

 

Wegens de exact gelijkluidende uitdrukking in de Torah zelf lijkt daarom de uitleg voor de hand te liggen dat de volgende dag na het Pesach in Joz. 5:11 de 15de Niesan is. De moeilijkheden die hiertegen gemaakt worden in verband met Lev. 23:14 zijn gemakkelijk op te lossen. Niet het eten van graan en graanprodukten zondermeer, maar het eten van de nieuwe oogst, wordt door deze tekst verboden vóórdat de Omer is afgesneden en ten offer gebracht. De Israelieten aten echter op die dag niet van de nieuwe oogst maar van het overjarige koren van het land, zoals de tekst zegt. Dat het hier inderdaad om de 15de Niesan gaat is temeer aannemelijk wegens het bijgevoegde “juist op dezelfde dag”. De aanhangers van de rabbijnse traditie willen ons doen geloven dat deze uitdrukking in verband staat met het “tot op die dag” van Lev. 23:14, en er dus op zou wijzen dat “de dag na het Pesach” hier de dag is waarop de Omer wordt gebracht. Volgens de rabbijnse uitleg zou dat natuurlijk de 16de moeten zijn. Maar veel waarschijnlijker is, dat het “juist op dezelfde dag” van Joz. 5:11 een reminiscentie is aan Ex. 12:41, alwaar we exact dezelfde uitdrukking aantreffen als in Joz. 5:11, b’etzem hajom. Deze uitdrukking is echter niet geheel en al gelijkluidend met die in Lev. 23:14, ad etzem hajom. In Ex. 12:41 gaat het om 15de Niesan, en wordt beklemtoond dat de Israelieten juist op de dag af na 430 jaren uitgetrokken zijn uit Egypte. In Joz. 5:11 wordt beklemtoond dat zij juist 40 jaren na de uittocht uit Egypte, opnieuw op de dag af, van het (overjarige) koren van het land gegeten hebben; “juist op diezelfde dag”, en dus op 15 Niesan.

 

 

6. Het beroep op de Septuagint

 

Met name christelijke of messiasbelijdende voorstanders van de rabbijnse data voor de Omertelling en het Wekenfeest hebben zich vaak voor de teksten uit Lev. 23 beroepen op het getuigenis van de Septuagint (LXX) vertaling. Dit beroep is echter in hoge mate een vergeefse zaak, daar de LXX, zoals we zullen zien, inhoudelijk sterk overeenstemt met onze tot nog toe op de masoretische tekst gebaseerde bevindingen. Hoewel de LXX in Lev. 23:15 “volkomen weken” heeft in plaats van “volkomen Sabbatten”, en zo dus een opening lijkt te bieden voor de rabbijnse opvatting, heeft deze editie in :15, net als de masoretische tekst, “de dag na de Sjabbat” (epaurion ton sabbatoon). In de vertaling van de LXX wordt bovendien het terminologische onderscheid tussen de Sjabbat en de feestdagen scherp gehandhaafd en worden de feestdagen geen ‘Sjabbat’ genoemd. Het griekse ‘Sabbatoon’ wordt gebruikt voor het hebreeuwse ‘Sjabbat’ en het griekse ‘Anapausis’ voor het hebreeuwse ‘Sjabbaton’. In 23:15 bestaat er dus in de LXX geen verwarring over de questie waar ‘Sabbatoon’ naar verwijst. Dit kan alleen de wekelijkse Sjabbat zijn.

 

De enige tekst die in de LXX een reëel probleem oplevert is Lev. 23:11. In plaats van “de volgende dag na de Sjabbat” heeft de LXX hier: “de volgende dag na de eerste” (tei epaurion tes prootes), en deze aanduiding lijkt inderdaad de rabbijnse Niesan 16 theorie te ondersteunen. “De eerste” verwijst dan naar “de eerste dag” (hemera te proote) van :7.

 

Uit deze tekst alleen kan echter niet afgeleid worden dat de LXX de rabbijnse theorie bevestigt. Verre van dat. Deze tekst bewijst hoogstens dat de LXX op dit punt geen duidelijkheid verschaft, of misschien ook inconsistent is. Het “de volgende dag na de eerste” (tei epaurion tes prootes) van Lev. 23:11 neemt immers niet het “de volgende dag na de Sjabbat” (tes epaurion toon sabbatoon) van 23:15 weg. Deze twee teksten kunnen moeilijk met elkaar in overeenstemming gebracht worden, maar waarom zou men deze ene tekst (23:11) zo’n groot gewicht geven dat het hierboven geconstateerde consequente taalgebruik doorheen de tekst van Lev. 23 wat betreft ‘Sjabbat’ (Sabbatoon) en ‘Sjabbaton’ (Anapausis) erdoor zou worden ontkracht? We weten dat de LXX allerlei revisies heeft ondergaan en het is niet uitgesloten dat het conflict rond de Omer ook in deze vertaling zijn sporen heeft nagelaten, zodat de rabbijnse opvatting zich mogelijkerwijze heeft kunnen geldend maken in Lev. 23:11. Het is echter evenmin uitgesloten dat Lev. 23:11 een geval van gewoon tekstbederf is, en dat er oorspronkelijk een uitdrukking heeft gestaan die de dag na de Sjabbat met de eerste dag (van de week) vereenzelvigde, zoals nu een pleonastische lezing van deze tekst zou doen door ‘epaurion’ in gedachten met ‘tes prootes’ te vereenzelvigen’. Hoe dit ook precies zij, duidelijk is dat het niet mogelijk is aan de tekst van de LXX een doorslaggevend of ook maar een krachtig argument te ontlenen om de rabbijnse Omertheorie te ondersteunen.

 

 

7. Welke Sjabbat? Een messiaanse interpretatie

 

De vraag die telkens gesteld wordt aan degenen die de Omer willen beginnen op de dag na de wekelijkse Sjabbat, luidt: Na welke wekelijkse Sjabbat moet worden begonnen met tellen? Deze vraag wordt zelfs tot inzet gemaakt van overwegingen die de bedoeling hebben de rabbijnse theorie alsnog als de enig juiste of althans als de enig praktisch uitvoerbare voor te stellen. Immers, indien er geen overtuigend antwoord gegeven kan worden op deze vraag, lijkt de rabbijnse opvatting — zelfs indien ze niet in overeenstemming kan worden gebracht met de tekst van de Torah — althans het voordeel te genieten van de duidelijkheid, zij het ook de duidelijkheid van een duidelijke fout.

 

In de Torah wordt de begindatum van de Omer in sterke mate aan agrarische omstandigheden gekoppeld. Uit de volgorde van de feesten in Lev. 23 wordt duidelijk dat de Omer niet geteld kan worden voorafgaande aan Pesach en er is ook geen traditie die deze gedachte ondersteunt. Er is echter niet een heel nauw verband tussen de passage over Pesach en het Matsotfeest (Lev. 23:5-8), en de passage over de Omer (Lev. 23:9-16). Met 23:9 begint een nieuw gedeelte van de tekst, dat niet direct aansluit bij het voorafgaande. Deze stand van zaken en het gewicht van de agrarische factor worden bevestigd door de instructies aangaande de Omer in Dt. 16:9. “Zeven weken zult gij u tellen; van dat men met de sikkel begint in het staande koren, zult gij de zeven weken beginnen te tellen.” Het beginpunt van de Omer wordt door deze tekst gefixeerd op “van dat men met de sikkel begint in het staande koren”. In verband met Lev. 23:9-11 ziet men hier in ieder geval een bevestiging van de Sadducese opvatting dat de Omer op een zondag begint. De bepaling van Dt. 16:9 is niet goed verenigbaar met de aanname van een vaste datum. Zodra het koren geschikt was om er de sikkel in te slaan kon de Omer worden gebracht. De Sjabbat waarna of de zondag waarop dit gebeuren moest kon blijkbaar variëren, afhankelijk van de toestand van de velden, maar zou uiteraard altijd vrij dicht volgen op Pesach.

 

De agrarische traditie wordt ook bevestigd door de gegevens van het Nieuwe Testament. In de eerste plaats is daar de belangrijke tekst van Lk. 6:1, waarover al veel te doen is geweest. “En het geschiedde op de tweede eerste Sjabbat, dat hij door het gezaaide ging; en zijn leerlingen plukten de aren, en aten ze, die wrijvende met de handen.” De uitdrukking “op de tweede eerste Sjabbat” (en sabbatooi diaporeuesthai) is natuurlijk zeer eigenaardig. Hoe kan er een tweede eerste Sjabbat zijn?

 

Sommige voorstaanders van de Farizese traditie leggen deze tekst zo uit dat de eerste Sjabbat hier de Jom Tov van Pesach is en de tweede Sjabbat de eerste wekelijkse Sjabbat na de Jom Tov. Anderen menen dat bedoeld is de eerste Sjabbat na de tweede dag van het Matsotfeest, dus de eerste Sjabbat na de 16de Niesan. De eerstgenoemde uitleg heeft echter het nadeel dat ze niet overeenstemt met het taalgebruik in het NT. Niet alleen de Tenach, ook het NT maakt nauwkeurig onderscheid tussen een Sjabbat en een Jom Tov, en de jaarlijkse feestdagen worden in het NT niet ‘Sjabbat’ genoemd. Indien we acht slaan op dit gegeven worden reeds tevoren een aantal uitlegmogelijkheden buitengesloten, en lijkt een verband met Lev. 23 en de Omertelling zich op te dringen, temeer omdat de tekst refereert aan de oogsttijd. De tweede uitleg heeft het nadeel dat het niet langer om een verband tussen twee Sabbatten gaat, dat toch door de uitdrukking lijkt te worden gelegd.

 

Indien de Omertelling altijd op een zondag begint is er echter alle reden om rond Pesach twee bijzondere wekelijkse Sabbatten te onderscheiden welke beide in zekere zin de eerste zijn. Namelijk de Sjabbat die onmiddellijk voorafgaat aan het brengen van de Omer en de Sjabbat die de eerste Sjabbat is van de zeven Sabbatten die geteld moeten worden. Op de Sjabbat onmiddellijk voorafgaande aan de Omer was het niet toegestaan van de nieuwe oogst te eten, en daarom vermeldt Lukas dat het in het in Lk. 6:1 verhaalde om de tweede eerste Sjabbat ging, namelijk om de Sjabbat die de eerste was van de reeks van zeven. Aangezien die Sjabbat na de Omer viel was er geen belemmering meer om van de oogst te eten voorzover het om het voorschrift van Lev. 23:14 ging. Het vervolg van Lukas’ verhaal gaat dan ook niet over die questie maar over de Sabbatswet als zodanig.

 

De tekst uit Lukas geeft ons echter geen precies antwoord op de vraag na welke wekelijkse Sjabbat de Omer werd gebracht. En sinds de verwoesting van de tweede Tempel speelt de agrarische factor uiteraard geen rol meer. De Omer garve kan niet meer worden gebracht en er zijn geen Tempelautoriteiten die de datum kunnen vaststellen. Wel is bekend dat de oude Sadducese traditie er de voorkeur aan gaf de Omer te offeren op de eerstvolgende zondag na Pesach in de strikte zin, dus op de eerste zondag na het brengen van het Pesachoffer van de 14de Niesan. En deze traditie lijkt in overeenstemming te zijn met de grote gebeurtenissen in het Nieuwe Testament die zich rondom Pesach afspelen in het leven van de Messias: zijn dood op de dag voorafgaande aan Pesach (14 Niesan), en zijn opstanding op de eerstvolgende zondag daarna. Vanuit een messiasbelijdend oogpunt moet in die gebeurtenissen de definitieve sleutel te vinden zijn voor de questies rond de Omer en het Wekenfeest.

 

De Messias werd volgens alle evangelien gekruisigd op de dag voorafgaande aan de Sjabbat (Mt. 27:62; Mk. 15:42; Lk. 23:54; Joh. 19:31), dus op een vrijdag. Deze vrijdag was in dat jaar tevens de dag voorafgaande aan het Pesach– of Matsotfeest. Dit blijkt uit Joh. 18:28 en 19:14. De kruisiging vond dus plaats op 14 Niesan, de dag waarop de Pesachlammeren werden geslacht ter herdenking van de Uittocht uit Egypte. De Messias werd op die dag gekruisigd als het ware Pesachlam, waardoor wij uitgeleid worden uit deze wereld en op weg gaan naar de komende wereld. Hij werd begraven juist vóór het ingaan van de Sjabbat die tevens de eerste Jom Tov dag van Pesach was.

 

De Messias zou volgens de lijdensaankondigingen in de evangelien verrijzen op de derde dag (Mt. 16:21; 17:23; 20:19; Mk. 8:31; 9:31; 10:34; Lk. 9:22; 18:33). Paulus bevestigt deze traditie van de verrijzenis op de derde dag (1 Cor. 15:4). Op die dag werd Yeshua, zonder bederf gezien te hebben (Hd. 2:31; 13:34-37) door de Vader uit de doden opgewekt als de eersteling van de ontslapenen (1 Cor. 15:20), als eersteling van geheel de oogst. De opstandingsdag was volgens alle NT getuigenissen een zondag, de dag na de Sjabbat (Mt. 28:1-7; Mk. 16:1-9; Lk. 24:1-7; Joh. 20:1-23). Deze zondag viel op 16 Niesan, en kan geen andere dag geweest zijn dan de eerste dag van de Omer.

 

Op het eerste gezicht lijken deze gegevens erop te wijzen dat de Sadducese en de Farizese traditie gelijkelijk bevestigd worden door de data van de dood en opstanding van Yeshua. Indien de kruisigingsdag 14 Niesan immers op een vrijdag viel, dan viel de Jom Tov dag van Pesach, 15 Niesan, samen met de wekelijkse Sjabbat. De daaropvolgende dag zou dus zowel de dag na de wekelijkse Sjabbat zijn, volgens de Sadducese interpretatie van Lev. 23:11 als de dag na de feestdag, volgens de Farizese interpretatie.

 

Deze gevolgtrekking is echter beslist onjuist. We hebben immers eerder reeds vastgesteld — en wel op grond van gegevens van de Torahtekst alleen — dat de dag van het brengen van de eerstelinggarve, de eerste dag van de Omertelling, altijd een zondag moet zijn, en bovenal dat de Farizese opvatting in flagrante strijd met de Torahtekst is. Op grond van de tekstgegevens van de Torah alleen is dus de Farizese interpretatie reeds geheel en al uitgesloten. Het enige overblijvende onduidelijke punt, dat nog om opheldering vroeg, was op precies wélke zondag de Omertelling  dient te beginnen. We hebben gezien dat de Torahtekst daarover geen definitief uitsluitsel geeft, omdat het begin van de telling afhankelijk is van agrarische factoren. De oude priesterlijke traditie is echter dat de Omer bij voorkeur dient te worden gebracht op de eerste zondag na Pesach in de strikte zin, dat wil zeggen de eerste zondag na het slachten van het Pesachlam. Dit is dus de eerste zondag na 14 Niesan. Deze zondag is de dag van de verrijzenis van Yeshua, die op 14 Niesan als het ware Pesachlam werd geslacht.

 

In de toekomst van het Messiaanse Rijk zal het begin van de Omer opnieuw afhankelijk zijn van agrarische factoren, aangezien dan de Tempel opnieuw zal functioneren. Maar die tijd zal ongetwijfeld zo gezegend zijn dat het land op tijd zijn opbrengst zal voortbrengen. We kunnen er dus gevoeglijk van uitgaan dat in die tijd de Omer altijd op het ideale tijdstip, de eerste zondag na 14 Niesan, zal kunnen worden gebracht. De messiaanse interpretatie van het juiste tijdstip, die door Yeshua’s dood en verrijzenis wordt bepaald, zal dan definitief bevestigd worden.

 

 

8. Besluit: De stellingname van Beth Yeshua

 

De belangrijkste fout die in de artikelen in Melach HaArets wordt gemaakt is de terminologische verwarring betreffende de wekelijkse Sjabbat en de jaarlijkse feestdagen, de Yamiem Toviem. Nergens in heel de Heilige Schrift worden de jaarlijkse feestdagen Sjabbat genoemd, zoals we uitvoerig hebben aangetoond — behalve in het uitzonderlijke geval van de Grote Verzoendag, die om goede redenen Sjabbat Sjabbaton wordt genoemd. Indien men dit voor ogen houdt is de Farizese interpretatie van Lev. 23:11 reeds uitgesloten, en is men voor het begin van de Omer gebonden aan de zondag. Wanneer nu in Joh. 19:31 staat dat de dag van die Sjabbat groot was, betekent dit in het geheel niet, zoals in het laatst geciteerde Melach artikel wordt gesteld  dat hier ‘Sjabbat’ wordt gebruikt in plaats van ‘Sjabbaton’. Het evangelie van Johannes bedoelt daarentegen te zeggen dat die dag (15 Niesan) een grote Sjabbat was, omdat in dat jaar de wekelijkse Sjabbat en de jaarlijkse feestdag van de eerste Jom Tov van Pesach samenvielen. Deze fout wordt in de hand gewerkt door een vertaling als die van Dasberg, die in Lev. 23:11 en 15 — althans de eerste maal dat dit woord in het laatstgenoemde vers voorkomt — het woord ‘Sjabbat’ door ‘feestelijke rustdag’ vertaalt. Dit is een tendentieuze vertaling.

 

Een tweede fout is de gedachte dat ‘Sjabbat’ de betekenis kan hebben van week. Deze betekenis is echter hoogstens een afgeleide betekenis en wordt in de Torahtekst zelf niet gevonden. Vanzelfsprekend telt men een reeks weken wanneer men een reeks Sabbatten telt, maar dit feit maakt Sabbatten nog niet tot weken. Ook het latere spraakgebruik om de dagen van de week naar de Sjabbat te herleiden (de eerste dag van de Sjabbat, de tweede dag van de Sjabbat, &c) betekent niet dat ‘Sjabbat’ met ‘week’ gelijkgesteld wordt. Dit spraakgebruik vooronderstelt immers steeds de wekelijkse Sjabbat als het oriëntatiepunt voor de plaats van de andere dagen. De term ‘Sjabbat’ behoudt hier dus zijn betekenis van wekelijkse Sjabbat. Ook deze fout wordt in de hand gewerkt door de Dasbergvertaling, die het woord ‘Sjabbat’ in Lev. 23:15-16 vanaf de tweede maal dat dit woord in deze passage voorkomt door ‘week’ vertaalt, wat in combinatie met de bovengenoemde vertaling door ‘feestelijke rustdag’ niet alleen tendentieus maar ronduit misleidend is.

 

Op grond van heel het voorafgaande, en in het bijzonder op grond van het daarin gegeven bewijs dat de Omertelling volgens de Torahtekst altijd op een zondag dient te beginnen, zou ik de messiasbelijdende  gelovigen van Beth Yeshua en andere gemeenten, die in dezen de rabbijnse traditie volgen of geneigd zijn te volgen, in overweging willen geven om de houdbaarheid van deze traditie nog eens te bezien in het licht van de Torah zelf. Het gaat hier per slot niet om een punt van ondergeschikt belang maar om een Torahgebod. Alleen indien dit gebod op de juiste wijze wordt uitgevoerd, wordt het tot een proclamatie van het licht van de Verrijzenis, waarvan het een afbeelding is.

Advertisements

37 Responses to “De Verwarring over de Omertelling en het Wekenfeest”


  1. 1 abg June 1, 2009 at 12:10 pm

    U zegt dat: “Wanneer nu in Joh. 19:31 staat dat de dag van die Sjabbat groot was, betekent dit in het geheel niet, zoals in het laatst geciteerde Melach artikel wordt gesteld dat hier ‘Sjabbat’ wordt gebruikt in plaats van ‘Sjabbaton’. Het evangelie van Johannes bedoelt daarentegen te zeggen dat die dag (15 Niesan) een grote Sjabbat was, omdat in dat jaar die dag de wekelijkse Sjabbat en de jaarlijkse feestdag van de eerste Jom Tov van Pesach samenvielen.”

    Hoe kan de 15e nissan in dat jaar op een sjabbat vallen?
    Dan is er toch veel meer wat niet klopt?

  2. 2 messianic613 June 1, 2009 at 2:27 pm

    Wedervraag aan ABG:

    Wat is er precies problematisch aan het samenvallen van de Jom Tov met de wekelijkse Sjabbat? Wat klopt er dan nog meer niet?

  3. 3 Highmastdon June 1, 2009 at 8:17 pm

    Het feit dat het niet op een sjabbat kan zijn is omdat het dan vanaf vrijdag tot zondag geen drie dagen en drie nachten zijn. En het is zo dat het niet kan omdat de vrouwen die de specerijen gingen halen in het ene evangelie voor de sjabbat deze gingen halen en in het andere evangelie ‘na’ de sjabbat. Om dit beiden te laten kloppen moet het dus zo zijn dat het een dag is die tussen twee sjabbatten valt. Dit kan alleen maar als die Jom Tov en Sjabbat niet tegelijk vallen.

    Want dan krijg je het volgende:

    Woensdag: Yeshua word veroordeeld en gekruisigd.
    -avond: Yeshua word voor de zon onder is (voor de sjabbat, (JomTov, sjabbat van pesach)) van het kruis af gehaalt en begraven.
    Donderdag: JomTov (sjabbat van Pesach)
    Vrijdag: Vrouwen halen de specerijen
    Zaterdag: Wekelijkse sjabbat
    Zondagochtend: Yeshua is opgestaan.

    Hierbij krijgen we dus de drie dagen en drie nachten compleet.
    Dwz: Woensdag > donderdag = 1 nacht
    do-dag > vrijdag = 1 nacht
    vrijdag > z-dag = 1 nacht

    De dagen idemdito.
    En op zondag na de sjabbat is HIJ opgestaan.

    • 4 messianic613 June 2, 2009 at 1:04 am

      De questie van de precieze weekdag van de kruisiging is op zichzelf onafhankelijk van de questie van het juiste begintijdstip van de Omer, waar het in het artikel om ging.

      Een van de moeilijkheden voor een kruisiging op woensdag is echter dat de term ‘Sjabbat’ in dat geval verstaan moet worden niet als de aanduiding van de wekelijkse Sjabbat maar als de aanduiding van een feestdag die volgens deze theorie niet op een wekelijkse Sjabbat viel, namelijk de Jom Tov van 15 Niesan. Dit is eenvoudigweg niet in overeenstemming met het taalgebruik in de Evangeliën. In de Evangeliën wordt een jaarlijkse feestdag nooit ‘Sjabbat’ genoemd. Daarom moet men aannemen dat in Joh. 19:31 inderdaad een wekelijkse Sjabbat bedoeld is, die groot genoemd wordt omdat hij samenviel met de Jom Tov van Pesach.

      Wat betreft de toebereiding van de specerijen schijnt het mij toe dat de vrouwen met de toebereiding daarvan begonnen vóór de Sjabbat, maar niet de tijd hadden om alles te kopen of de voorbereidingen te voltooien. Na de Sjabbat kochten zij meer specerijen en voltooiden hun toebereidselen. Overigens is uit Lk. 23:56 niet duidelijk of de daar beschreven volgorde — “…en wedergekeerd zijnde, bereidden zij specerijen en zalven; en op de Sjabbat rustten zij naar het gebod” — ook als een chronologische volgorde is bedoeld. Mogelijkerwijs bedoelt Lukas slechts aan te geven dat bij het bereiden van de specerijen en zalven de sabbatswet niet werd overtreden.

      Indien de woensdag theorie waar zou zijn, zouden de vrouwen beslist op vrijdag naar het graf zijn gegaan in plaats van te wachten tot zondag, mede in verband met de dan reeds ingetreden ontbinding.

      Het tellen van de dagen gebeurt in de Bijbel meestens inclusief. Indien woensdag de kruisising zou zijn zou deze dag als de eerste dag geteld moeten worden, en zou men volgens de inclusieve telling maar liefst vijf dagen krijgen. Dat is erg onwaarschijnlijk, mede gezien de in de lijdensaankondigingen vaak voorkomende uitdrukking ‘op de derde dag’ (cf. Mt. 16:21). Wie op vrijdag wordt gekruisigd en op zondag weer verrijst, verrijst op de derde dag.

      Voor verdere argumentatie zij verwezen naar enige hoofdstukken uit Bacchiocchi’s boek: The Time of the Crucifixion and the Resurrection. De woensdag theorie wordt behandeld in hoofstuk 3. Zie: http://www.biblicalperspectives.com/books/crucifixion/2.html
      De uitdrukking ‘drie dagen en drie nachten’ wordt behandeld in hoofdstuk 2. Zie: http://www.biblicalperspectives.com/books/crucifixion/1.html

      Shalom,
      Messianic613

    • 5 Marc P. October 28, 2014 at 11:17 pm

      Inderdaad heeft Yeshua zelf gezegd dat Hij volgens het teken van Jona, die drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster was, drie dagen en drie nachten in de buik van de aarde – het graf – zou zijn. Van vrijdag voor zonsondergang tot zondag na zonsopgang is dan een onmogelijkheid want er zijn dan maar twee nachten geweest. Het resterend “stukje dag” van de vrijdag en het amper begonnen “stukje dag” van de zondag, samen met de dag van de ‘Yom Tov Sabbat’ samen tellen tot drie dagen, zoals velen doen is toch maar een beschamende poging om vast te houden aan de “goede vrijdag – Pasen” doctrine van de RKK, waarbij men derhalve de derde ontbrekende nacht ook nog eens verzwijgt.

      Als Yeshua in het graf is gelegd voor zonsondergang op de woensdag, dan kan hij ook niet opgestaan zijn op zondagmorgen, want dan zijn er vier nachten. In dat geval is Yeshua opgestaan op de Sabbat voor zonsondergang, ten slotte is Hij niet voor niets Heer van de Sabbat. Hou er rekening mee dat NIEMAND de opstanding van Yeshua heeft gezien! Enkel de vaststelling werd gedaan op zondagmorgen. Dat de engel de steen verrolt was niet nodig voor Yeshua om te verrijzen, maar om het graf toegankelijk te maken voor de aankomende vrouwen. Yeshua deed zijn intrede als Lam van God in Jeruzalem op 10 Abib, de dag waarop ook de lammetjes werden binnengebracht. Als 14 Abib, de dag van de kruisdood een woensdag was, dan was 10 Abib een Sabbat, en dat klopt, want dat is de reden waarom Yeshua Jeruzalem binnen reed op een ezelsveulen dat nog nooit bereden, nog nooit gewerkt had, en niet hoefde te rusten.

      En er is nog een reden waarom de kruisdood “in de helft van de week”, op een woensdag, was: De zeventig weken profetie van Daniel 9.
      Na tweeënzestig weken wordt de “gezalfde” uitgeroeid, in de drieenzestigste week dus, en Hij, de Messias zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang en in de helft van de drieënzestigste week zal hij slacht- en spijsoffer doen ophouden, en dan nog zeven weken, de omertelling. Vanaf Yeshua’s doop in de Jordaan tot zijn intrede in Jeruzalem zijn precies tweeënzestig weken, dan is er één week, de lijdensweek, en in de helft van die week wordt Hij uitgeroeid om op het einde van die week op te staan uit het graf. Dan is het nog de zeven weken van de Omertelling tot de uitstorting van de Ruach Kodesh op Shavuot. Zeventig Weken missie, één van de lagen van de zeventig weken profetie van Daniël, volbracht.
      Een andere laag van deze profetie gaat over zeventig Jaarweken, 490 jaar dus. Die begint met eerst zeven weken, vanaf de tijd dat Artachsasta het bevel gaf om naar Jeruzalem te gaan en te heropbouwen (Ezra 7, 1 Abib, 457 BCE) tot de Tempel van Zerubbabel, en dan nog eens tweeënzestig weken tot de dag dat Johannes (de doper) verklaarde: “Zie! Het Lam Gods dat wegneemt de zonden der wereld!” (Joh. 1:29, 1 Abib 27 CE). Van deze laag blijft nog één jaarweek over die in de eindtijd wordt vervuld.

    • 6 messianic613 October 29, 2014 at 10:36 pm

      Onze stellingname wat betreft de dag en de datum van de kruisiging vindt u in het artikel: “De Kruisiging van Jesjoea was op een Vrijdag” en de discussie daarover in de comments, op deze website. De bijbelse gegevens stellen duidelijk de kruisiging op een vrijdag en de opstanding na afloop van de Sjabbat. Het enige punt waarover verschil van inzicht blijft bestaan is de datum van de kruisiging, namelijk of dit de 14de of de 15de Nisan was. Het idee van een kruisiging op woensdag is een fabel en is ontstaan door een verkeerde interpretatie van Mt. 12:40.

      Het argument gebaseerd op de 70 weken in de profetie van Daniel is onjuist. Het gaat daar duidelijk om 70 jaarweken. Iedere week staat voor 7 jaren. Deze profetie heeft met het vraagstuk van de precieze dag van de kruisiging niets te maken.

  4. 7 Rolf BLS De Jong July 18, 2012 at 4:58 pm

    Geert waarom spreek je over Ni(e)san Babylonisch en niet over Abib, (groene oren), Hebreeuws? ‘Abib’ bepaalt de start van het nieuwe (heilige) jaar, groet Rolf

    • 8 messianic613 July 19, 2012 at 4:19 pm

      Zowel ‘Abib’ als ‘Niesan’ zijn bijbelse namen voor de eerste maand. Niesan wordt gebruikt in Neh. 2:1 en Est. 3:7. In een halachische context is ‘Niesan’ de standaard benaming. ‘Abib’ wordt ook wel gebruikt, maar vrijwel alleen wanneer de vraagstukken over rijping van de aren ter sprake komen.

  5. 10 Brichtje May 3, 2016 at 2:21 pm

    U stelt dat de betekenis van Sjabat een ‘volkomen ophouden’ of een ‘volkomen rust’ is. Daarin kan ik mij vinden, maar u stelt ook dat omdat Leviticus 23:15 tweemaal in dezelfde volzin voorkomt; de eerste keer in het enkelvoud en de tweede keer in het meervoud; beide woorden dezelfde betekenis zouden moeten dragen (iets wat in het Hebreeuws zeker niet altijd het geval hoeft te zijn), wat ik een interessante opvatting vindt. Waar ik benieuwd naar ben is hoe u de term Sjabatot (de meervoudsvorm) in deze zin zou vertalen.

    U stelt namelijk dat het hier gaat om de weekenlijkste Sjabat (d.w.z. de zevende dag); in dat geval zou het vers volgens uw beredenatie vertaald dienen te worden met zoiets als: En jullie zullen voor jullie daags na de wekenlijkse Sjabat tellen, [dat is] vanaf de dag dat jullie de omer inbrengen om te bewegen (wuiven), zeven (complete, gehele, volledige) wekenlijkse Sjabatten zullen het zijn. Is dit correct?

    En hoe zou U dan Leviticus 25:4 vertalen? daar staat immers niet alleen Sjabat, maar dat het zevende jaar Sjabat Sjabaton is voor het land.

    • 11 Messianic613 May 5, 2016 at 12:39 am

      Het woord ‘Sjabbatot’ is eenvoudig het meervoud van ‘Sjabbat’ zoals ‘Torot’ het meervoud is van ‘Torah’. Er is geen enkele reden om hier aan een andere betekenis in het meervoud te denken. Zoiets zou de normale taalregels geweld aandoen. En zoals het enkelvoud ‘Sjabbat’ in het Nederlands wordt vertaald als ‘Sabbat’, zo wordt het meervoud “Sjabbatot’ vertaald als ‘Sabbatten’. Zie hiervoor bijv. de Statenvertaling, die dit letterlijk zo vertaalt.

      Lev. 25:4 wordt vertaald als: “In het zevende jaar zal voor het land een Sabbat van rust zijn, een Sabbat voor de Heer”.

      ‘Sjabbaton’ betekent ‘rust’ in algemene zin maar heeft niet de intensieve betekenis van ‘Sjabbat’. De combinatie ‘Sjabbat Sjabbaton’ benadrukt dat de bedoelde rust een volkomen rust of Sabbatsrust moet zijn. Deze uitdrukking wordt ook gebruikt in Lev. 23:32 voor de Grote Verzoendag, en in Lev. 23:3 voor de wekelijkse Sjabbat. Maar bijv. Lev. 23:24 vereist alleen een ‘Sjabbaton’, zonder de bijvoeging ‘Sjabbat’. voor het Feest van de Bazuinen. Deze feestdag is dus niet een ‘volkomen rust’ of ‘Sabbatsrust’, maar alleen een ‘rust’. Het werkverbod is niet zo intensief als voor de wekelijkse Sjabbat, maar komt overeen met het werkverbod van de overige feestdagen: Geen dienstwerk mag gedaan worden (vgl. Lev. 23:7).

      De samengestelde uitdrukking ‘Sjabbat Sjabbaton’ is natuurlijk enigszins pleonastisch. Omdat ‘Sjabbat’ al een volkomen ophouden aangeeft, zou de bijvoeging ‘Sjabbaton’ in strikte zin overbodig zijn. Men dient deze uitdrukking zo te lezen, dat de vereiste rust (‘Sjabbaton’) het karakter moet hebben van een volkomen rust (‘Sjabbat’). Het gaat dus om een beklemtoning.

      Er zijn slechts drie tijdsperioden die in de Bijbel ‘Sjabbat’ of ‘Sjabbat Sjabbaton’ worden genoemd: De zevende dag van de week, de Grote Verzoendag, en het agrarische Sabbatsjaar. In alle drie gevallen wordt een volkomen ophouden of rust vereist. De jaarlijke feestdagen — met uitzondering van Jom Kippoer —worden niet ‘Sjabbat’ genoemd, omdat anders het werkverbod voor de feestdag hetzelfde intensieve karakter zou krijgen als de wekelijkse Sjabbat.

      Als volgens Lev. 23:15-16 zeven Sabbatten moeten worden geteld, kunnen dit niet anders dan zeven wekelijkse Sabbatten zijn. Wat zouden ze anders kunnen zijn?

  6. 12 Brichtje May 5, 2016 at 8:25 pm

    Excuses voor de lange tekst; maar ik ben benieuwd wat je van deze punten vindt (p.s. niet mijn persoonlijke punten, maar in mijn persoonlijke zoektocht probeer ik alles goed na te gaan):

    Dit zijn JHWH’s vastgestelde samenkomsttijden; heilige samenroepingen welke jullie zullen convoceren op de [daarvoor] vastgestelde samenkomsttijden: (Leviticus 23:5) In de eerste maand, op de 14e van de maand op het moment dat deze overgaat op de 15e van de maand: Pesach (erev Pesach viering) voor JHWH. En op de 15e van deze maand: Chag HaMatsot voor JHWH, zeven dagen waarop jullie Matsot eten. Op de eerste dag [van deze zeven dagen; die begint op de 14e Nisan bij zonsondergang tot en met de 15e Nisan zonsondergang] zal er voor jullie een heilige samenroeping zijn…

    Volgens Ezechiël 45:21 is de week die op de Pesach (seideravond) volgt, dat wat het feest van de Matsot genoemd wordt.

    Exodus 12 leert:
    In de eerste maand op de 14e dag, in de avond [van de 14e op de 15e Nisan], zul je Matsot eten tot de 21e dag van de maand, in de avond. Zeven dagen zal er geen zuurdeeg in jullie huizen gevonden worden, want een ieder die het gedesemde (dat wat Chamets is; Zuurdeeg is het door gisting – fermentatie – verzuurd meeldeeg. Het ontstaat na enige tijd uit vers deeg op natuurlijke wijze dankzij de werking van bacteriën en natuurlijke gisten. Chamets is voedsel dat tarwe, gerst, haver, spelt of rogge bevat en vergist wanneer er water aan wordt toegevoegd)… Alles dat Chamets bevat zul je niet eten, in al jullie nederzettingen (plaatsen waar jullie leven en wonen) zullen jullie Matsot eten.

    In de periode van Pesach worden er Matses gegeten, Matses bevatten bloem, en bloem is gemaakt van graan. Wanneer er echter gekeken wordt naar Leviticus 23:14 staat er: ‘En brood (lechem), halfrijpe aren, geroosterde aren, zul je niet eten tot op deze huidige dag, tot jullie deze toenaderingsgave ingebracht hebben tot jullie G’d, een eeuwige inzetting in (en/of voor) al jullie generaties (d.w.z. van geslacht tot geslacht) in al jullie nederzettingen (waar je ook zult zitten; d.w.z. leven en wonen). En tellen zullen jullie voor jullie daags na de dag van rust en ophouden, [dat is] vanaf de dag dat jullie de omer inbrengen om te bewegen (wuiven), zeven Sjabatot Temimot zullen het zijn.

    Er lijkt sprake te zijn van een contradictie: men moet Matses eten, welke graan bevat, maar Leviticus 23:14 stelt duidelijk dat men geen graan mag eten. En hoewel dit gebod op het moment dat het gegeven werd gold voor een toekomstige tijd – daar zij zich in de woestijn bevonden en leefden van een voorziening in dagelijkse Manna dat volgens Exodus 16 gegeven wordt – doet dit niets af van de contradictie die er lijkt te zijn.

    Het geheel lijkt nog problematischer te worden als er in Jozua 5:11 bovendien expliciet vermeld staat dat: Zij aten van het (overjarig) graan van het land, daags na (de eerste dag van) de Pesach, Matsot en geroosterd graan op diezelfde dag.

    Lechem betekent in dit geval niet ‘gezuurd, gedesemd of gegist brood’ als tegengestelde van Matse dat ‘ongezuurd, ongedesemd of ongegist’ is. Lechem is hier simpelweg brood dat chamets bevat. Dit is onmiskenbaar en dat is ook de reden dat wij met de Pesach met een gerust hart de Matse kunnen zegenen en zeggen: “HaMotsi Lechem min ha’arets” ofwel “die het brood uit de aarde voorbracht.” Matse bevat net als gewoon brood graan, en is gemaakt van bloem, maar heeft zoals eerder gezegd geen tijd gehad om te chametssen. Lechem duid hier op ‘graan voor het maken van brood’, Kahlie op ‘graan dat bereid is om bloem van te maken’ en Karmel ‘verze of nieuwe graan’ verwijzend naar het graan van het nieuwe gewas. Leviticus 23:14 doelt in deze context genomen op brood (of andere producten) gemaakt van vers graan van het nieuwe gewas (de huidige oogst van het seizoen) die niet gebezigd mag worden voor voedsel tot de Omer van de eerstelingen bewogen is voor de Eeuwige.

    Is er dan enig bewijs te vinden dat wat ik hier stel ook zo is? Dat deze instructies voor een toekomstige tijd golden? Ik zeg van wel.

    Mozes sterft in het einde van het boek Deuteronomium en Jozua neemt het roer over. In Jozua 5:10-12 valt te lezen: Dat de kinderen Israëls gelegerd (gekampeerd stonden) waren te Gilgal, en zij het Pesach onderhielden op de 14e van de maand, in de avond, daar op de vlakten van Jericho. De dag na de Pesach aten zij van wat het land voortbracht, Matse en geroosterde graan op diezelfde dag. En het Manna hield op, daags nadat zij van de opbrengst van het land hadden gegeten.

    Zie vers 11: De dag na de Pesach aten zij van wat het land voortbracht, Matse en geroosterde graan op diezelfde dag. Dit is in volledige overeenstemming met de orde in Leviticus 23:14; de mensen, nadat zij overgestoken waren, aten van het nieuwe graan uit het land ‘de dag na Pesach.’ Hoewel het er niet staat, mogen wij aannemen dat het bewegen (wuiven) van de eerstelingen ook gebeurde in overeenstemming met Leviticus 23:11 op basis van het gegeven dat het de dag na Pesach is en zij nieuw graan eten. Het werd dus een altoosdurend, eeuwig en permanent gebod, dat het nieuwe graan uit de oogst van dat jaar/seizoen, niet gegeten mocht worden, totdat het graan van het beweegoffer (wuifoffer) gegeven was daags na de (1e dag) van Pesach. Tot het beweegoffer gemaakt werd echter, diende de Matse gemaakt te worden van het oude graan van de vorige oogst.

    Een andere uitleg welke ik vond is een zeer opmerkelijke:
    De Gaon van Wilna (18e eeuw) verklaart dat Leviticus 23:3 niet op Sjabat slaat, maar in feite op alle feestdagen van de Joodse kalender: ‘Zes dagen mag er arbeid verricht worden’ slaat volgens hem op de zes dagen van het jaar wanneer men Jom Tov (feestdag) vieren volgens de Tenach. Noodzakelijke werkzaamheden ter verhoging van de feestvreugde mogen worden uitgevoerd (zoals koken en dragen), maar echt werk is op een Jom Tov verboden. Deze Jamiem Toviem zijn volgens de Tenach: de eerste en laatste dag Pesach, de eerste dag Sjawoe’ot, de eerste dag Rosj HaSjana, de eerste dag Soekot en Sjeminie Atseret. Echter ; op de zevende dag’ wat duidt op de zevende Jom Tov, Jom Kippoer, is er een totale rustdag. Want op Jom Kippoer mag evinmin als op de Sjabat geen enkel werk – ook niets voor de feestvreugde – gedaan worden. Volgens deze uitleg is het vers ‘op de zevende dag, is het een heilige Sjabat’ een algemene inleiding op de voorschriften van Jamiem Towiem en wil de Tenach daarmee hun respectieve verlichtingen en verzwaringen aangeven.

    Welnu in dezelfde lijn kan de context van Leviticus 23:14-15 als volgt begrepen worden:
    de zeven Sjabatot Temimot slaan op het rusten en ophouden van het eten van brood en producten gemaakt van de aren en Chamets bevatten, zeven dagen van ‘compleet ophouden met eten van die producten’, ofwel de zeven dagen van Chag HaMatsot. Zeven (d.w.z. meerdere; dagen) Sjabatot (meerdere momenten waarbij de kwalificatie van rust en ophouden geld) Temimot (compleet en perfect, wat in dit geval slaat op de daad van rusten en ophouden).

    P.s. is er een mogelijkheid om vervolg vragen via de mail te kunnen stellen?

    • 13 Messianic613 May 6, 2016 at 12:24 pm

      Hoewel dat wat de profeet Ezechiel zegt over Pesach en het Matzotfeest volmaakt overeenstemt met de Torah, moeten we toch in het algemeen bij de uitleg van de Torah niet steunen op de profeten, maar veeleer omgekeerd, bij de uitleg van de profeten uitgaan van de Torah. De profeten steunen immers op de Torah en veronderstellen haar.

      Ik zie geen moeilijkheid of tegenstrijdigheid tussen Lev. 23:14 en de instructies voor Pesach. Volgens Lev. 23:14 mogen geen granen van de nieuwe oogst worden gegeten vóórdat men de Omer gebracht heeft. Dit staat op zich los van Pesach en het chameetsverbod. Het geldt voor het graan van de nieuwe oogst in het algemeen. Men mag daar niet van eten, onafhankelijk van de questie of het nu chameets of matze, of nog onverwerkt is (zoals losse graankorrels).

      Aangezien het Omer offer tijdens het Matzotfeest (na de Sjabbat) gebracht wordt, komt het chameetsverbod erbij. Maar deze twee geboden zijn onafhankelijk van elkaar. Zou dus bijv. de Omer nagelaten zijn, dan blijft het ook na afloop van het Matzotfeest verboden van de nieuwe graanoogst te eten.

      De uitleg van de Gaon van Wilna van Lev. 23:3 vind ik erg gekunsteld. Het gaat volgens deze tekst duidelijk over de zevende dag, dus de wekelijkse Sjabbat. Deze wordt als de belangrijkste bijzondere tijd (mo’ed) het eerst genoemd. Zonder deze zou de lijst van bijzondere dagen niet compleet zijn. En in 23:11 (‘de dag na de Sjabbat’), 23:15-16 (de instructie over de zeven Sjabbatot van de Omer), en in 23:37-38 (‘behalve de Sjabbatot van HaSjeem’) wordt hier duidelijk op teruggegrepen. De Sjabbat waarnaar 23:11 & 15 verwijzen is dan ook de Sjabbat van 23:3.

      Er zijn inderdaad wel zeven bijbelse Jamiem Toviem, en men kan Jom Kippoer speculatief als de Sjabbat beschouwen van deze groep feestdagen, maar dit is niet waar de tekst in Leviticus XXIII over gaat. De opvatting van de Gaon is een latere theologische speculatie, geen uitleg van de tekst. In de tekst zelf is hier niets over te vinden en deze uitleg kan men er onmogelijk uit afleiden. Dat wil niet zeggen dat deze speculatie van de Gaon geen waarde heeft. Zij kan interessant zijn vanuit een systematisch gezichtspunt, maar geen enkele exegeet zou haar als uitleg van Leviticus XXIII voor zijn rekening willen nemen. Zij is net zo iets als het toepassen van de zeven scheppingsdagen op de veronderstelde zeven tijdperken van de heilsgeschiedenis.

    • 14 Brichtje May 7, 2016 at 8:09 am

      “In ::37-38 worden algemene bepalingen gegeven voor de te brengen offers op deze dagen, en ook hier wordt de Sjabbat (in :38) duidelijk onderscheiden van de jaarlijkse feestdagen (in :37)”

      Staat er niet: Leviticus 23:37-39
      Dit zijn de gezette hoogtijdagen van de Eeuwige waarop jullie samengeroepen dienen te worden voor een Mikra Chodesj. Je zult een vuuroffer brengen voor de Eeuwige, een opgaand offer, spijsoffer, slachtoffer en plengoffers, naar het woord, elk op diens eigen dag – dit – apart van (of naast) de Sjabatten (Sjabatot, meervoud van Sjabat)   van de Eeuwige en apart van (of naast) de gaven van jullie en apart van (of naast) alle geloften van jullie, en apart van (of naast) al jullie vrijwillige offergaven, welke jullie aan de Eeuwige geven.

       

      Zegt de Eeuwige hier ondubbelzinnig, dat de gezette tijden die Hij hiervoor opnoemt, naast de wekelijkse Sjabatten (daarmee doel ik op de Sjabat; de zevende dag) van de Eeuwige zijn gegeven? De Sjabat in vers 15 verwijst volgens dit argument niet naar de wekelijkse Sjabat (de zevende dag), maar naar de dag na de dag uit vers 7..

    • 15 Messianic613 May 7, 2016 at 11:13 pm

      De in :15 genoemde Sjabbat kan niet naar de feestdag in :7 verwijzen want de feestdag van :7 is geen Sjabbat en wordt ook niet ‘Sjabbat’ genoemd. Zoals ik eerder aangetoond heb geldt voor alle hoogtijden en perioden die ‘Sjabbat’ worden genoemd dat er in het geheel geen werk mag gedaan worden. Maar de feestdag in 23:7 verbiedt alleen dienstwerk. Daarom is het duidelijk geen Sjabbat. Het verschil is dat op een feestdag eten bereid en gekookt mag worden (zie Ex. 12:16). Op een Sjabbat — de wekelijkse Sjabbat of de jaarlijkse Sjabbat van Jom Kippoer — mag dit niet.

      Hoe men kan menen dat de term ‘Sjabbat’ kan terugverwijzen naar ‘de eerste dag’ in :7 is mij een raadsel. Er staat in :15 (en in :11) duidelijk dat het gaat om een ‘Sjabbat’. Als je dan terug zoekt kom je bij :3 uit. Daar alleen wordt een Sjabbat genoemd, namelijk de wekelijkse Sjabbat.

      De reden waarom de wekelijkse Sjabbat is opgenomen in dit overzicht van de hoogtijden is wellicht omdat deze Sjabbat juist van belang is voor Omertelling en het Wekenfeest.

      Ik krijg de indruk dat je het overzicht van de jaarlijkse hoogtijden in Leviticus XXIII vanaf :4 hermetisch wilt afsluiten van de introductie van dit hoofdstuk met de vermelding van de Sjabbat. Maar dat is niet mogelijk. Want ook de Sjabbat behoort tot de hoogtijden, zoals blijkt uit :2.

    • 16 Brichtje May 7, 2016 at 2:16 pm

      Nog een vraag: als de Pesach (seideravond: 14/15 Nisan) begint op zaterdagavond (na de wekelijkse Sjabat), en het feest van Chag HaMatsot start en duurt tot zaterdagavond daar waar de 21e Nisan overgaat op de 22e Nisan. Dan zou daags na de Shabbat in dit geval de zondag zijn. Maar wat als de Pesach zou beginnen op zondagavond, en de zondag erop zou eindigen, zou men dan tot na de zondag erop (dus nog een week) wachten voordat men zou beginnen met het tellen van de omer?

      Verliest de omertelling dan niet juist al diens spirituele betekenissen (zoals de verbinding met Pesach/de Exodus en Matan Tora of thans de dag ervoor waarop men gereed moest staan om deze te ontvangen, of de dood van Jesjoea en de 50 dagen daarna)?

      En ik las ergens dat als Sjavoe’ot zou slaan op het tellen van Sjabatot (slaande op de wekelijkse Sjabat dwz de zevende dag) het feest dan Sjabatot zou hebben moeten heten, hoe kijkt u hiernaar?

    • 17 Messianic613 May 8, 2016 at 12:11 am

      Volgens de oude priesterlijke traditie valt de eerste Omer altijd binnen de week van Matzot. Dus als de 15de Niesan op zondag valt, wordt de Omer gebracht op deze zelfde zondag. Mocht de 15de Niesan op maandag vallen, dan wordt de Omer gebracht op de volgende zondag, die dan de 7de dag van het Matzotfeest is.

      Juist door deze wijze van tellen wordt de liturgische orde van de gebeurtenissen in verband met Jesjoea goed vastgehouden. De eerste Omer is altijd de viering van Jesjoea’s verrijzenis.

      Dit blijkt vooral uit het geval dat de 15de Niesan een zondag is, en de Jom Tov dus samenvalt met de eerste dag van de Omer. Aangezien de 14de Niesan dan op een Sjabbat valt, moeten het zoeken naar Chameets (Bedikat Chameets) en het verbranden van Chameets (Bioer Chameets) een dag vervroegd worden. Bedikat Chameets verschuift dan van de vrijdagavond naar de donderdagavond, en Bioer Chameets van de zaterdagochtend naar de vrijdagochtend.

      In verband hiermee verschuift ook de herdenking van Jesjoea’s Laatste Avondmaal van de vrijdagavond naar de donderdagavond, en de herdenking van de kruisinging van de zaterdag naar de vrijdag. De Sjabbat herdenkt dan Jesjoea’s grafrust en de viering van de Jom Tov direct na de Sjabbat sluit dan in de viering van Jesjoea’s verrijzenis.

      Als de 15de Niesan op een maandag zou vallen, zouden Bedikat Chameets en de herdenking van Jesjoea’s Laatste Avondmaal op de voorafgaande zaterdagavond, dus direct na Sjabbat vallen. Dan zou de kruisising zondag overdag herdacht worden met Bioer Chameets, en de herdenking van Jesjoea’s graflegging op zondagmiddag vlak voor het ingaan van de Jom Tov. Er zijn dan wat meer tussendagen vóórdat de Omer en de viering van de verrijzenis aanvangen, op de Jom Tov van de 7de dag, die in dit geval een zondag is. Maar het duidelijke verband tussen de Omer het Matzotfeest blijft gehandhaafd.

      In het huidige kalendersysteem komt deze laatste mogelijkheid echter bij mijn weten niet voor. Bedikat Chameets is nooit onmiddellijk na Sjabbat.

      Het lijkt mij nogal speculatief om te denken dat het Wekenfeest ‘Sjabbatot’ zou moeten heten als de Omer altijd op zondag begint. Het gaat erom dat men 7 volkomen Sjabbatot telt door middel van het tellen van 50 dagen (Lev. 23:15-16). Door 7 volkomen Sjabbatot te tellen — en die telt men alleen door telkens de 7 dagen van de week te tellen vanaf de zondag tot en met de Sjabbat — telt men immers de 7 weken die volgens Dt. 16:9-10 vereist zijn. Blijkbaar is de bedoeling van het tellen van de Sjabbatot volgens Lev. 23:15-16 dat de weken van Dt. 16:9 altijd ‘echte’ weken zijn, dat wil zeggen tijdseenheden die lopen vanaf de eerste tot en met de zevende dag, dus van zondag tot en met Sjabbat, en niet bijv. van dinsdag tot en met de volgende maandag, waarin twee opeenvolgende weken met elkaar vermengd worden.

  7. 18 Brichtje May 9, 2016 at 9:44 am

    Allereerst dank voor al uw reacties, deze hebben mij enorm opweg geholpen, maar ik wil nog een punt met u delen.

    Er staat er zoals eerder gesteld in Leviticus 23:13 ‘Sjeva Sjabatot temimot’, er staat niet ‘sjeva sjabatot tam – tamam’, maar temimot. Zowel sjabatot als temimot worden in meervoudsvorm geschreven, wat maakt dat temimot verwijst naar sjabatot. Als wij veronderstellen dat de ‘sjabatten’ hier verwijzen naar de wekelijkse sjabatten, dan is de betekenis van temimot onbegrijpelijk, omdat er niet zoiets bestaat in de geschriften als een complete of incomplete sjabat.

    Vandaar dat u wellicht ook stelt dat de zeven volkomen sjabatot, tijdseenheden zijn van zeven dagen, waarbij u zelf constateert dat dit gaat om perioden die lopen vanaf de eerste tot de zevende dag, dus van zondag tot en met de sjabat. En derhalve stelt u dat de sjavoe’ot in Deuteronomium, ook al kan een sjavoe’a een willekeurige periode van zeven aaneengesloten dagen ‘week’ worden genoemd, in dit specifieke geval verwijzen naar dezelfde tijdseenheid.
    Daarmee geeft u indirect de betekenis van ‘week’ aan sjabat, zij het dat u daarmee nogmaals de week van zondag tot en met sjabat bedoeld.

    In mijn beleving draagt Sjabat de betekenis van week in de zin dat het een rust of een reductie is van een tijdseenheid in relatie tot een maand / een Nieuwe Maan (Chodesj, dat zowel nieuwe maan als maand betekent). In de wijze waarop Chodesj naar nieuwe maan en maand verwijst, zo verwijst het Hebreeuwse woord Sjabat dan naar week. Derhalve kan Jesaja 66:23 ook gelezen worden als: ‘van maand tot maand, en van week tot week’, daar de Eeuwige elke dag van elke maand en elke dag van elke week aanbidding verdient en niet alleen op de sjabatten en de nieuwe maansvieringen.

    Leviticus 23:15 kan derhalve vertaald worden als ‘zeven weken, elk compleet’ en geeft geen enkele notie met betrekking tot de wekelijkse sjabat. Dit lijkt zo te zijn omdat er temimot gebruikt wordt i.p.v. het enkelvoudige tam of tamam. De zeven sjabatten worden niet beschreven als een enkele complete tijdseenheid, zoals het geval zou zijn als er tam of tamam zou hebben gestaan. Het gebruikt daarvoor in de plaats het woord temimot om aan te geven dat er net zoveel completen, volledigheden zijn als dat er sjabatot zijn, wat de sjabatot diens alternatieve betekenis geeft van ‘weken’ i.p.v. diens betekenis van wekelijkse sjabatten, welke nog maal altijd compleet zijn en een afgebakende tijdseenheid omvatten (van zonsondergang vrijdagavond tot zonsondergang zaterdagavond).

    Waar het om gaat is dat temimot enkel en alleen kan slaan op een betekenis van weken, om aan te tonen dat dit alleen de weken zijn van zondag tot en met sjabat vindt ik lastig, omdat sjabat daarmee de betekenis krijgt van de wekelijkse sjabat en daar kan temimot in dit geval niet naar verwijzen.

    • 19 Messianic613 May 10, 2016 at 3:07 pm

      Indien het zo zou zijn dat Lev. 23:15 willekeurige weken bedoelt die met elke dag kunnen beginnen, dan was het gebruik van de term ‘shavoe’ot’ (net zo als in Dt. 16:9) in plaats van ‘sjabbatot’ toch een veel logischer en inzichtelijker optie? Dan zou de toevoeging ‘temimot’ niet nodig zijn en zou ook het gebruik van ‘Sjabbat’ in :11 vermeden kunnen worden. In plaats van “de volgende dag na de Sjabbat” zou eenvoudig “de volgende dag na de eerste dag” (verwijzend naar “de eerste dag” van :7) gezegd kunnen worden, en in :16 “de volgende dag na de zevende week (shavoe’a)”. Daarmee zou de Farizeische opvatting klip en klaar bewezen zijn.

      Natuurlijk ligt in de terminologie ‘sjeva sjabatot temimot’ besloten dat het hier om weken gaat. Maar dit ligt aan de context en aan het gebruik van ‘temimot’, niet aan de betekenis van ‘Sjabbat’ als zodanig. ‘Sjabbat’ betekent op zich enkel een volkomen ophouden of rust en is eigenlijk ook zelfs niet de naam van de zevende dag van de week, maar geeft alleen het karakter van die dag aan, net zo als ze het karakter aangeeft van Jom Kippoer en van het zevende agrarische jaar.

      ‘Sjabbatot temimot’ kan dus heel wel een wijze zijn om weken aan te duiden. Een indicatie dat dit zo is ligt eenvoudig besloten in het feit dat als men zeven wekelijkse sabbatten telt men natuurlijk ook zeven weken telt. Deze indicatie wordt versterkt door de term ‘temimot’ die de volledigheid of volmaaktheid aangeeft van elk van deze weken. Het adjectief ‘volledig’ past hier inderdaad beter bij en is meer relevant voor de betekenis ‘week’, die een groep van dagen is, dan bij de betekenis ‘Sjabbat’ in de zin van de zevende dag, die geen groep is.

      De gevolgtrekking is dus correct dat het bij de zeven sabbatten gaat om zeven tijdseenheden die ieder afzonderlijk perfect of volmaakt zijn. Ze hebben deze perfectie of volmaaktheid echter ongetwijfeld omdat ze allemaal eenheden zijn die lopen van de eerste tot en met de laatste dag van de week, dus van zondag tot en met Sjabbat. Dat is de reden waarom het perfecte weken zijn, en dit wordt bevestigd door het mooie verband dat er op deze wijze ontstaat met de eerder genoemde Sjabbat van :11 (en de zevende Sjabbat van :16).

      De Torah gebruikt volgens mij de term ‘sjabbatot temimot’ juist om het verband aan te geven en vast te houden tussen (1) het beginpunt van de telling, die begint na een Sjabbat, (2) de telling zelf van de zeven weken, en (3) het eindpunt van de telling, dat weer is na een Sjabbat. Men kan niet vanuit de ‘sheva sjabatot temimot’ van :15 concluderen dat ook de term ‘Sjabbat’ hier simpelweg ‘week’ betekent. Want dan zou ‘Sjabbat’ in :11 ook ‘week’ moeten betekenen. Echter, “de dag na de Sjabbat” aldaar betekent beslist niet “de dag na de week”, niet volgens de oude priesterlijke uitleg, noch volgens de latere uitleg van de Farizeeën. En, zoals reeds aangetoond, de “eerste dag” van :7 is geen Sjabbat.

      Men kan dus de uitdrukking ‘sjabbatot temimot’ niet gebruiken om simpelweg de betekenis van ‘Sjabbat’ te wijzigen tot ‘week’. Want dan blijf je zitten met de Sjabbat die het uitgangspunt is van de telling (in :11). Die Sjabbat kan geen week zijn. En ook voor het slot van de telling, de zevende Sjabbat, is dit niet bevredigend, want deze Sjabbat wordt niet afzonderlijk aangeduid als een ‘volmaakte Sjabbat’ (in het enkelvoud), maar eenvoudigweg als ‘Sjabbat’, wat in de context opnieuw op een bepaalde dag duidt, en wel de zevende dag van de week, zoals eerder in :15, in :11, en in :3.

      ‘Temimot’ nuanceert of accentueert dus wel iets dat impliciet in de term ‘Sjabbat’ ligt opgesloten, namelijk de betekenis ‘week’, maar deze nuancering of accentuering is alleen mogelijk vanuit de gedachte dat hier inderdaad van de Sjabbat van de zevende dag sprake is. Alleen deze Sjabbat impliceert immers de betekenis ‘week’. De Sjabbat van Jom Kippoer bijv. impliceert deze betekenis helemaal niet. De juiste gedachte dat ‘sjabbatot temimot’ kan worden vertaald als ‘volkomen weken’ steunt dus op de aanname dat, tenminste in de onderhavige context, ‘Sjabbat’, in het enkelvoud genomen, de zevende dag van de week aanduidt.

  8. 20 Perez May 18, 2016 at 10:30 am

    Sjavoe’ot maakt geheel toevallig onderdeel uit van de Sjalosj Regaliem, de drie pelgrimsfeesten. Opvallend is dat Pesach en Soekot daar ook onderdeel van uitmaken, beide feesten, feesten betreffen die 7 dagen duren en dan een achtste dag kennen (althans in de Joodse visie die doorgaans gehanteerd wordt), ook opvallend is dat beide feesten verband houden en doen herinneren aan de uittocht uit Egypte; dus een historische achtergrond hebben, maar ook aan agrarische. In mijn ogen dient Sjavoe’ot logischerwijs een soortgelijke betekenis te hebben. Mag ik er daarbij op wijzen dat alle andere feesten die in Leviticus genoemd staan een duidelijke datum hebben.

    Met Pesach vindt de eerste gersteoogst plaats en wordt de uittocht uit Egypte herdacht. Met Sjavoe’ot vindt de tarweoogst plaats en wordt het geven van de Tora herdacht. En met Soekot het derde feest wordt de najaarsoogst binnengehaald en worden de jaren welke Israël door de woestijn trok en leefde in loofhutten (Soeka’s) herdacht.

    Drie feesten waarbij men te voet voor de Eeuwige dient te komen, het zijn de drie feesten waarbij men opgaat; naar mijn inziens, omdat ze onderdeel uitmaakte van het opgaan naar het beloofde land.

    Tot slot wil ik meedelen dat dit precies het onderscheid is tussen de Farizeeërs en de Sadduzeeërs, een onderscheid dat ook te markeren is de beginnende maanden voor een jaarcyclus. Sadduzeeërs lijken zich voornamelijk te hebben georiënteerd vanuit een agrarische jaarscyclus, welke begint met de maand Tisjrie, beginnend met de rijping van de gersteoogst en eindigt met de rijping van de tarweoogst. En derhalve zien zij Sjavoe’ot dan ook puur als een oogstfeest waar de Farizeeërs er een meer historisch uitgangspunt (beginnend bij de maand Nissan) op na hielden:

    “This meant that the Bible is here mandating a 49-day count which would commence on the Sunday after the first spring Sabbath and would conclude exactly seven weeks later on the Sunday which would be the Festival of the First Fruits; it would begin with the first ripened grain of barley and would conclude with the last ripened grain of wheat (bread). The other five species of fruit for which the Land of Israel is praised (grapes, figs, pomegranates, olives and hone-dates – Deut. 8:8) would ripen in the interim. For the Sadducees, these seven weeks comprised a separate and free-standing agricultural holiday , celebrating the special fruits of the Land of Israel and culminating in Shavuot, the Festival of the First Fruits which the Israelites would bring to the Holy Temple amidst great ritual pomp and circumstance. (see Mishnah, Bikkkurim).

    The Pharisees, on the other hand, were most anxious to add an important historical dimension to these seven weeks, aside from the agricultural one. Their Oral Tradition mandated that Shavuot , the Feast of the First Fruits at the conclusion of the seven week cycle, additionally (and perhaps even chiefly) commemorated God’s gift of the Torah with His Revelation at Sinai, which took place seven weeks after Passover; they were most anxious to stress the connection between physical freedom at Passover with the spiritual freedom at Shavuot, the necessary linkage between freedom and responsibility . For them, the significance of the 49 day count-down (or rather count-up) to Shavuot reflected the anxious anticipation and necessary individual and national preparation for their acceptance of God’s Torah.”

    Het is overigens Rabbijn Hirsch die beide perspectieven combineert:

    Rabbi Hirsch combines the historical and agricultural components of the holidays. The offering of the omer is intricately connected to the entrance to the land of Israel. The Torah states: “WHEN YOU ENTER THE LAND that I am giving you and you reap its harvest you shall bring the first omer of your harvest to the priest” (23:10). After expressing our ownership over the land of Israel and feeling a sense of freedom through the enjoyment of the fruits of our own labor we begin counting the days towards the giving of the Torah. Although living as a free and prosperous nation on our own land is of tremendous importance, it is not the ultimate national achievement. While other nations may satisfy themselves with physical material accomplishments, the goal of the People of Israel lies in the spiritual domain, in the establishment of a nation which lives according to the precepts of the Torah.

    • 21 Mike May 20, 2016 at 1:12 pm

      Exodus 16:32, getuigd ook van de verbinding met de tocht naar het beloofde land

    • 22 Messianic613 May 20, 2016 at 1:32 pm

      Perez,
      Ik neem aan dat in de eerste zin een “niet” is weggevallen dat deze zin moet luiden: “Sjavoe’ot maakt niet geheel toevallig onderdeel uit van de Sjalosj Regaliem, de drie pelgrimsfeesten”. Juist?

  9. 23 Brichtje May 20, 2016 at 2:16 pm

    Goede Dag,

    Nadat ik op de mail wat notificaties kreeg dat er nieuwe berichten waren gepost ben ik de door uw geposte reacties op mijn eerdere berichten opnieuw gaan doornemen, toen ik iets vreemds ontdekte: U schreef;
    “Volgens de oude priesterlijke traditie valt de eerste Omer altijd binnen de week van Matzot. Dus als de 15de Niesan op zondag valt, wordt de Omer gebracht op deze zelfde zondag.”

    Maar dan zou de term ‘daags na de shabbat’ geen verbinding hebben met de Pesach, aangezien deze shabbat dan niet binnen de pesach week viel. En in dezelfde redenering zouden we daags na de shabbat kunnen zien als de zondag na de 21e Nisan, maar in dat geval is de Pesachweek al afgelopen. Kunt u uzelf nogmaals nader verklaren? … p.s. als de omer wordt gebracht op dezelfde zondag als de 15e Nisan (let wel te verstaan in de ochtend van die zondag) overtreed men dan niet het rustgebod?

    • 24 Messianic613 May 22, 2016 at 2:54 pm

      Om te beginnen met het laatstgenoemde: Als het rustgebod van 15 Niesan een moeilijkheid zou zijn voor het brengen van de Omer volgens de Sadducese traditie, dan zou het rustgebod van de Sjabbat een nog grotere moeilijkheid zijn voor het brengen van de Omer volgens de Farizese traditie. Want volgens de Farizese traditie moet de Omer zelfs op de Sjabbat afgesneden worden als 16 Niesan op een Sjabbat valt. In de mathematische kalender van tegenwoordig komt dit geval weliswaar niet voor, maar toen het Sanhedrin nog bestond en de nieuwe maan mede door waarneming werd vastgesteld was dit een reële mogelijkheid. Dit is precies het punt in Menachot 10:3, alwaar gesteld wordt:

      «Wanneer het donker werd zou hij [de maaier] tot hen zeggen, “Is de zon onder gegaan?” Het volk zou antwoorden: “Ja!” “Is de zon onder gegaan?” Zij zouden [opnieuw] antwoorden: “Ja!” “Met deze sikkel?” Zij zouden antwoorden: “Ja!” “Met deze sikkel?” Zij zouden [opnieuw] antwoorden: “Ja!” “Met deze korf?” Zij zouden antwoorden: “Ja!” “Met deze korf?” Zij zouden [opnieuw] antwoorden: “Ja!”

      Op een Sjabbat zou hij tot hen zeggen: Op deze Sjabbat?” Zij zouden antwoorden: “Ja!” “Op deze Sjabbat?” Zij zouden [opnieuw] antwoorden: “Ja!” “Zal ik oogsten?” Zij zouden antwoorden: “Oogst!” “Zal ik oogsten?” Zij zouden [opnieuw] antwoorden: “Oogst!”

      Hij zou iedere vraag driemaal uitroepen en driemaal zouden zij antwoorden: “Ja!”, “ja!”, “ja!” Waarom zulk een omslachtigheid? Omwille van de Boethusiërs, want zij houden eraan vast dat het afsnijden van de Omer niet [per se] plaatsvindt op de dag die volgt op het feest [d.i. de Jom Tov], maar op de dag na de Sjabbat.»

      In werkelijkheid is het rustgebod echter geen probleem, voor de Farizese noch de Sadducese traditie, want beide tradities zijn het erover eens dat de verplichte ceremonies van de Tempel boven de rustgeboden van Sjabbat en Jom Tov uitgaan. Dit betekent echter ook dat men het rustgebod niet kan gebruiken om aan één der beide alternatieven de voorkeur te geven.

      Nu over de verbinding met Pesach. Deze is duidelijk aanwezig wanneer de Omer op 15 Niesan gebracht wordt, want in dat geval is de voorafgaande Sjabbat immers de dag van Pesach in de strikte zin van het woord, namelijk de dag waarop het korban pesach geslacht moet worden en de laatste gelegenheid is om chameets te verwijderen.

      Men kan de Sadducese opvatting samenvatten in de stelregel dat de Omer altijd gebracht wordt op de eerste zondag na 14 Niesan, dus na Pesach in de strikte zin. De Omer wordt dus altijd gebracht op een tijdstip nadat het korban pesach geslacht is en het chameetsverbod is ingegaan.

      Volgens een aantal exegeten vindt deze opvatting steun in Joz. 5:11, waar we zien dat de Israelieten voor het eerst produkten van het land eten op de dag na Pesach. Er is echter enige twijfel over de juiste vertaling van deze tekst. Sommigen vertalen hier: “Zij aten van het overjarige koren van het land, de volgende dag van het Pesach”, anderen: “Zij aten, daags na het Pesach, van de opbrengst van het land”. Dit houdt verband met een onzekerheid betreffende de betekenis van avur.

      Als deze tekst bedoelt te zeggen dat men zondermeer van de opbrengst van het land begon te eten dan sluit dit uiteraard in het eten van de nieuwe oogst en dit vereist het voorafgaande brengen van de Omer. Dan zou de Omer dus gebracht moeten zijn op deze zelfde dag na Pesach, d.i. de dag die direct volgt op 14 Niesan als genoemd in :10. Want hier wordt onder “Pesach” verstaan (de dag van) het brengen van het offer op 14 Niesan. “Daags na het Pesach” is dan 15 Niesan. Dit komt overeen met het taalgebruik van de Torah, want in Num. 33:3 vindt men exact dezelfde uitdrukking. Ook daar is “de dag na het Pesach” (Hebr. mimacharot haPesach) de 15de Niesan.

      Overigens dient men te bedenken dat de eis dat de Omer altijd binnen de week van het Matzotfeest dient te vallen niet uit de Torahtekst van Leviticus XXIII valt te bewijzen. Volgens de volgorde van de bijzondere tijden is het duidelijk dat de Omer moet beginnen na Pesach en op een dag na de Sjabbat, maar er is geen duidelijk tekstverband dat de precieze connectie aangeeft tussen enerzijds Pesach and Matzot, en anderzijds het brengen van de Omer. De precieze zondag van de Omer is een zaak van traditie en van praktische agrarische noodzaak. Volgens de oude priesterlijke traditie werd de Omer echter gebracht op de eerste zondag na 14 Niesan. Deze opvatting werd waarschijnlijk mede bepaald door Joz. 5:10-11.

      In zowel de Sadducese als de Fariseze opvatting is er dus op een bepaald punt een afhankelijkheid van traditie, aangezien de tekst van Leviticus XXIII niet over alle details uitsluitsel geeft. Het onderscheid is echter dat de Sadducese traditie verenigbaar is met de tekst van de Torah, terwijl de Fariseze traditie duidelijk in strijd is met de Torahtekst.

      Er is overigens een agrarisch verband tussen het chameetsverbod van Pesach en het begin van de nieuwe oogst. Want als rond die tijd de oude oogst helemaal op was — wat soms het geval was — dan zou men noodgedwongen het eerste graan van de nieuwe oogst ongezuurd eten.

  10. 25 Perez May 22, 2016 at 7:53 am

    @Messianic613: Dat klopt. “Niet” was weggevallen,

    Mag ik u vragen waarom u de discussies in bijvoorbeeld Menachot 65 en 66 uit de Talmoed (Gemara) – http://www.halakhah.com/pdf/kodoshim/Menachoth.pdf – en de verhalen omtrent de Miniem en de door uw aangehaalde Boethusiërs niet betrekt in uw vertelling?

    https://books.google.nl/books?id=odgXVAat1scC&pg=PA208&lpg=PA208&dq=Yaakov+Teppler+Birkat+haMinim+minim+counting+omer&source=bl&ots=S0LIey62ug&sig=Fbjt5X-UnsGiMzWkq70tWA8zYeY&hl=nl&sa=X&ved=0ahUKEwjE4enGku3MAhXHC8AKHSgqB34Q6AEIHTAA#v=onepage&q=Yaakov%20Teppler%20Birkat%20haMinim%20minim%20counting%20omer&f=false pagina 203 e.v.!

    De Boethusiërs waren zoals in velen geschriften blijkt niet de meest betrouwbare bron, en ook in deze kwestie is hun getuigenis alles behalve betrouwbaar gebleken.

    Dit wil overigens niet zeggen dat ik de agrarische waarde van de telling die zij erop nahielden niet waardeer, maar in dit geval acht ik de verbinding met de Pesach en de cultuur historische waardes die daarmee verbonden zijn aannemelijker en zie ik ook een visie zoals die van Rabbijn Hirsch een betere invulling en recht doen aan het nut van de omertelling.

    Tot slot is bekend dat er weken geteld worden, maar er staat niets voor niets geschreven dat men 50 dagen moet tellen! Ook hier wordt genoeg over gediscussieerd in de Talmoed en men is tot de conclusie gekomen dat zowel de weken als de dagen geteld moeten worden volgens de geschriften in de Torah. De dagen tellen wijst er voor mij juist op dat het onwillekeurige weken zijn, zoals de term Shavuot ook al aangeeft. Anders zou het nut van het tellen van de dagen wegvallen en kon men gewoon de Sjabbatten tellen.

    • 26 Messianic613 May 22, 2016 at 6:14 pm

      In het artikel ging het in de eerste plaats om een een aantal exegetische misvattingen omtrent Leviticus XXIII recht te zetten naar aanleiding van de Melach HaAretz publicatie van de gemeente Beth Yeshua. De talmoedische gegevens en discussies zijn bijzonder boeiend, en kunnen benut worden in nadere analyse, maar zijn secundair ten opzichte van de exegese van de Torahtekst.

      Wat de Talmoed en andere rabbinale geschriften betreft, en de verslagen die daarin nagelaten zijn van het conflict met de Boethusiërs (Sadduceeën), moet men bovendien bedenken dat deze vaak gekleurd zijn door de visie van de winnende partij. Alle informatie die wij hebben over de Boethusiërs zowel als over de Sadduceeën in het algemeen berust op bronnen die van Fariseze of latere rabbinale oorsprong zijn. De bitterheid van het geschil over de Omer is in deze bronnen nog duidelijk na te proeven en het verwondert dus niet dat de tegenpartij in donkere kleuren wordt afgeschilderd.

      Maar ik wil hier geen oordeel uitspreken over de historische betrouwbaarheid van de Talmoed in deze questie of van de rabbinale bronnen in het algemeen aangaande dit conflict. Het gaat mij in het artikel er namelijk niet om de Boethusiërs of Sadduceeën of welke partij ook te verdedigen maar enkel om de betekenis van de Torahtekst vast te stellen en een nauwkeurige exegese te geven van de beslissende verzen van Leviticus XXIII betreffende de Omer. De vaak genoemde corruptie van de Sadduceeën en de Boethusiërs kan niets afdoen van het feit dat ze in althans in deze questie gelijk hadden. Het gaat er immers niet om wie iets zegt, maar of wat gezegd wordt waar is.

      Het conflict heeft ongetwijfeld te maken met het pogen van de Farizeeën om halachische autoriteit over de priesterstand te verkrijgen. Dit pogen was in de eerste eeuw nog in volle gang. Toendertijd hadden de Farizeeën reeds nagenoeg de volledige controle over de Synagoge, dus over de dagelijkse halacha. Over de Tempel en aanverwante terreinen, zoals het Sanhedrin en de kalender, schijnen echter de Sadduceeën tot ongeveer het jaar 60 de overhand te hebben gehouden.

      De tegenstelling tussen een historisch-culturele en een agrarische interpretatie van de Omertelling vind ik onjuist. Landbouw is ook cultuur en in de Torah zijn de agrarische en de heilshistorische betekenissen van de opgangsfeesten altijd nauw met elkaar verbonden. Zonder het agrarische wordt het heilshistorische zweverig en zonder het heilshistorische wordt het agrarische platvloers.

      Het argument, tenslotte, dat de telling van weken van zondag tot en met Sjabbat het tellen van de 50 dagen overbodig zou maken omdat men alleen de Sjabbatot zou kunnen tellen gaat terug op Rasji. Dit argument is evenwel een drogreden want het bevat een overduidelijke logische fout. Het tellen van Sjabbatot is namelijk helemaal niet mogelijk zonder het tellen van de dagen. Dit is omdat de Sjabbat niet astronomisch bepaald wordt maar louter en alleen door het aftellen van de dagen vanaf de vorige Sjabbat. Wij weten de volgende Sjabbat altijd alleen door vanaf de vorige Sjabbat zeven dagen te tellen. Men kan dus de Omer helemaal niet tellen als men de dagen niet telt. Het is dus altijd noodzakelijk 50 dagen af te tellen tot Sjavoe’ot, onafhankelijk van de questie of men ook Sjabbatot (of weken) telt.

      De Torah preciseert dit tellen van 50 dagen vervolgens door te zeggen dat dit moet gebeuren door zeven Sjabbatot te tellen, wat inhoudt dat men de 50 dagen moet beginnen op de dag na de Sjabbat. Dan telt men namelijk vanzelf zeven weken die telkens eindigen in een Sjabbat en komt men op de 50ste dag opnieuw uit op de dag na een Sjabbat.

    • 27 Lenie May 22, 2016 at 6:57 pm

      Dank voor de duidelijke analyse.
      Sluit exact aan bij hoe ik het begrijp, voel en beleef (en houd). Bij een vaste kalenderdatum zou die gewoon genoemd kunnen worden: elk jaar wisselen de dagen vd week met die van de kalender, wat aansluit bij het moeten tellen…ofwel het Wekenfeest is altijd op de eerste dag der week (zondag), waarbij de kalenderdatum dus kan verschillen.
      Blij met deze zorgvuldigheid, want er staat immers geschreven: ‘Juda is mijn wetgever’ (Psalm 60:9 en Gen. 49:10). Als Juda de Wet van God niet verduidelijkt op een waarachtige wijze, wie kan dit dan wel?
      Vriendelijke groeten, Lenie

  11. 28 Brichtje June 2, 2016 at 7:20 pm

    Nog een laatste vraag: hoe verklaart u handelingen 2 (vers 1 en 5)?
    Daar staat: ‘En ten tijde dat Sjavoe’ot diens vervulling vond, waren zij allen eendrachtig op dezelfde plaats’ of ‘Wanneer de dag van Sjavoe’ot was aangebroken, verzamelde zij zich op één plaats’ (volgens het gebod in Deuteronomium 16:16)… Naar wat ik begrepen heb werd de leer van de Farizeeën nageleefd (Mattheus 23:2-3; wijst hoe de volgelingen van Jesjoea hier mee om diende te gaan – alhoewel er duidelijk wordt gemaakt dat men anders moet omgaan met de halachische regelgeving), wat zou betekenen dat de volgelingen van Jesjoea Sjavoe’ot op dezelfde dag vierde als de Farizeeën; anders konden zij namelijk niet voldoen aan het gebod van Deuteronomium 16:16. Gezien de vele uitleggingen die u heeft gegeven ben ik opnieuw benieuwd naar uw visie ten aanzien van dit gegeven.

    • 29 Messianic613 June 3, 2016 at 2:17 pm

      De Farizeeën hadden geen zeggenschap over de Tempel en de kalender. Hoewel er ook Farizeeën in het Sanhedrin zaten en hun invloed toenemend was, hielden volgens Chwolson, die volgens mij op dit punt een geloofwaardige historische reconstructie biedt, de Sadduceeën met hun oude priestelijke tradities de overhand tot ongeveer het laatste decennium vóór de Tempelverwoesting.

      Mt. 23:2-3 gaat geheel en al over de dagelijkse en synagogale toepassing van de halachah van de Farizeeën. De Synagoge als institutie is een creatie van de Farizeïsche stroming en een typische expressie van de Mondelinge Torah.

      Overigens moet men niet denken dat in Mt. 23:2-3 Jesjoea exclusief aan de Farizeeën de zeggenschap over de halachah toebedeelt. Er staat: “Schriftgeleerden en Farizeeën”. Ook de Tempelautoriteiten en de Sadduceeën hadden hun Schriftgeleerden. Volgens de Torah berust het halachische gezag in de eerste plaats bij de priesters en de rechters van het Sanhedrin (cf. Ex. 18:13-26; Num. 11:16-17; Dt. 17:8-13). Het gezag van de Farizeeën is van later datum. Het is een gezag van leken dat noodzakelijk werd na het verval van de priesterschap tijdens de Maccabese crisis en dat na de Tempelverwoesting is voortgezet door de Rabbijnen. Voor de gelovigen in Jesjoea geldt bovendien, wat de typisch messiaanse aangelegenheden betreft, het gezag van de Apostelen onder het leiderschap van Petrus (cf. Mt. 16:18-19; 28:18-20; Jn. 21:15-17).

  12. 30 Brichtje June 2, 2016 at 7:36 pm

    @ Lenie, dat is een misleidend argument; want hoewel het er een lijkt te zijn die stand doet houden, geld natuurlijk dat bij het tellen van de dag na de Sjabbat dat je ook exact weet wanneer dit is zonder te hoeven tellen. Want in dat geval neem je zeven weken en dan de dag erna. Daarbij geld in zo’n geval dat Sjawoe’ot altijd op dezelfde dag valt en dat is nu net een punt waar ik niet goed raad mee weet. Het gebod om te tellen leert namelijk dat men naast dat men weken moet tellen, ook de dagen moet tellen. Het is de combinatie welke de datum bepaald van het feest. Daarom acht ik het zo aannemelijk dat het gaat om onwillekeurige weken en onwillekeurige dagen, door ze te tellen kom je uit op een datum waarop het feest gevierd dient te worden. En dat dit elk jaar een vaste datum zou betreffen, past in het rijtje met de andere Ifeest)dagen die genoemd worden in deze context, aangezien deze ook allen een datum kennen. Daarbij gaat het tellen in mijn optiek, zoals ik iemand anders hier ook al zag posten, veel meer om de spirituele inhoud; iets wat ook weer past in lijn met de andere feesten die genoemd staan. P.s. u hoort mij niet zeggen dat de leer van de Saduceeën verkeerd is, maar in mijn optiek mag deze net zo in twijfel genomen worden als de leer van de Farizeeën, en dienen derhalve alle argumenten van beide partijen nauwkeurig afgewogen te worden alvorens men tot een conclusie komt.

    • 31 Messianic613 June 6, 2016 at 2:30 pm

      Mijn antwoord heb ik per onderdeel en als volgt uitgewerkt.

      Brichtje:
      Lenie, dat is een misleidend argument; want hoewel het er een lijkt te zijn die stand doet houden, geldt natuurlijk dat bij het tellen van de dag na de Sjabbat dat je ook exact weet wanneer dit is zonder te hoeven tellen. Want in dat geval neem je zeven weken en dan de dag erna.

      Messianic613:
      Blijkbaar zit de moeilijkheid in het begrip ‘tellen’. Hoe zou je zeven weken kunnen “nemen”, zoals je zegt, zonder deze te tellen? Zeven aaneengesloten weken worden immers alleen verkregen door opeenvolgende weken aanéén te rijgen tot je er zeven hebt. Wel, dat is tellen en niets anders. Om echter zeven weken te tellen moet je eerst weken hebben. Een week krijg je door zeven opeenvolgende dagen aaneen te rijgen. Ook dat is tellen.

      Brichtje:
      Daarbij geldt in zo’n geval dat Sjawoe’ot altijd op dezelfde dag valt en dat is nu net een punt waar ik niet goed raad mee weet. Het gebod om te tellen leert namelijk dat men naast dat men weken moet tellen, ook de dagen moet tellen. Het is de combinatie welke de datum bepaalt van het feest. Daarom acht ik het zo aannemelijk dat het gaat om onwillekeurige weken en onwillekeurige dagen, door ze te tellen kom je uit op een datum waarop het feest gevierd dient te worden.

      Messianic613:
      Het is onvolledig om te stellen dat náást weken ook dagen geteld moeten worden. Het eigenlijke punt is dat je pas weken krijgt dóór dagen te tellen. Je weet immers niet wanneer een volgende dinsdag of woensdag, of een volgende Sjabbat, valt, tenzij door zeven dagen vanaf de vorige dinsdag, woensdag of Sjabbat verder te tellen. Als je weken telt, tel je dus ook altijd dagen. Dat kan niet anders. Want je hebt pas een week als je zeven opeenvolgende dagen aanéén rijgt ofwel telt.

      Als je alleen dagen telt, tel je echter niet per se weken, tenminste niet expliciet. Het begrip ‘dag’ heeft het begrip ‘week’ niet nodig, maar het begrip ‘week’ kan niet zonder het begrip ‘dag’. Dagen veronderstellen dus geen weken, maar weken veronderstellen wel dagen. Als je alleen 50 dagen aftelt kun je dit doen zonder deze onder te verdelen in zeven groepen van zeven plus één, of je nu telt vanaf de Farizese of de Sadducese begindag. Je kunt ze ook verdelen in 5 groepen van 10, of helemaal onverdeeld laten.

      Als het echter door de Torahtekst voorgeschreven is dat de 50 dagen moeten worden verdeeld in zeven weken (plus de slotdag), dan ligt het voor de hand deze verdeling te maken volgens de wijze waarop de week als tijdseenheid reeds is gegeven, namelijk met de Sjabbat als het markeringspunt. Alleen zo krijg je de volkomen of volmaakte weken die volgens de tekst vereist worden. Dit is in feite ook precies het voorschrift. De 50 dagen moeten geteld worden als zeven weken, beginnend met de dag na de Sjabbat, ofwel als zeven volmaakte weken die elk overeenkomen met de volgorde van de dagen van de scheppingsweek.

      Op grond van het voorafgaande begrijp ik werkelijk niet wat er bezwaarlijk aan zou zijn dat Sjavoe’ot altijd op dezelfde dag van de week valt, namelijk de zondag. Dit lijkt mij nu juist uiterst logisch, aangezien het typische kenmerk van Sjavoe’ot nu eenmaal ligt in het gegeven dat de feestdag door telling vanaf een begindag bepaald wordt. Dit kenmerk heeft Sjavoe’ot gemeen met de Sjabbat en de tijdseenheid van de week. Ook deze worden door telling bepaald.

      Overigens valt Sjavoe’ot ook volgens de Farizese telwijze natuurlijk altijd op dezelfde dag van de week als de begindag van de telling. Je bezwaar van het “nemen” van zeven weken zou dus even goed gelden voor de Farizese telwijze. Maar de willekeurige weken van de Farizeeën hebben nu precies als weken geen enkele functie omdat het eigenlijke markeringspunt van de week, de Sjabbat, in deze telwijze uitgeschakeld is.

      Brichtje:
      En dat dit elk jaar een vaste datum zou betreffen, past in het rijtje met de andere (feest)dagen die genoemd worden in deze context, aangezien deze ook allen een datum kennen. Daarbij gaat het tellen in mijn optiek, zoals ik iemand anders hier ook al zag posten, veel meer om de spirituele inhoud; iets wat ook weer past in lijn met de andere feesten die genoemd staan.

      Messianic613:
      Het kan wel in het rijtje passen dat Sjavoe’ot net als de andere feestdagen een vaste datum zou hebben, maar dit is natuurlijk helemaal geen terzake doend argument. Het gaat er juist om te verklaren waarom de Torahtekst aan Sjavoe’ot geen vaste datum toekent, dus waarom hier een uitzondering gemaakt wordt. Deze uitzondering is samen met het gegeven van het bepaald worden door telling juist een sterk argument voor een variabele kalenderdatum. Want bij geen van de andere feestdagen wordt de datum door telling bepaald.

      Dit argument ten gunste van een vaste datum schiet daarenboven zichzelf in de voet, want strikt genomen heeft Sjavoe’ot ook naar Farizese opvatting geen vaste datum. De vaste datum van 6 Siewan ontstaat doordat de huidige mathematische kalender Niesan altijd 30 en Ijar altijd 29 dagen toebedeelt. Dit is echter niet per se het geval. Mocht in de toekomst het Sanhedrin hersteld worden, dan kan ook de waarneming van de Nieuwe Maan weer ingeschakeld worden in het bepalen van de kalender. Dan zou het in een bepaald jaar kunnen voorkomen dat Niesan en Ijar beide 30 dagen hebben, in welk geval Sjavoe’ot volgens de Fariseze berekening op 5 Siewan zou vallen, terwijl het in een ander jaar zou kunnen voorkomen dat deze maanden beide 29 dagen hebben, in welk geval Sjavoe’ot volgens deze berekening op 7 Siewan zou vallen.

      Wat de ‘spirituele inhoud’ betreft denk ik — voorzover dit al als argument kan gelden — dat de Sadducese telwijze in het voordeel is ten opzichte van de Farizese. Want in de eerste plaats blijft de Farizese telling in gebreke doordat er geen volmaakte Sjabbatot, begrepen als volmaakte weken, worden gevormd. De Farizese ‘weken’ zijn hier willekeurige, kunstmatige eenheden, die niet ieder voor zich een afgeronde eenheid zijn. De Sadducese weken zijn echter scheppingsweken die ieder uitlopen op en bekroond worden door een Sjabbat en precies daardoor volmaakte eenheden (sjabbatot temimot) zijn. Zo ontstaat sterk de indruk van een doelmatige op de Sjabbat gerichte opgang naar een voltooiing. Ieder van de zeven Sjabbatot markeert een haltepunt op de pelgrimsweg naar de Sinai en een haltepunt in de drukke oogsttijd op weg naar Shavoe’ot. En zo krijgt de zondag van Sjavoe’ot de betekenis van een achtste dag, dus een dag die boven deze wereld uitvoert en de volle oogst en de hemelse zegen — ook van Matan Torah — symboliseert. Deze symboliek van een achtste dag verdwijnt in de Farizese telwijze.

      Daarbij komt dat het gebruikelijk is om de Jom Tov van Shavoe’ot laat te beginnen en de Maariv dienst pas te zeggen na ‘nacht’. De Kitzur Shulchon Oruch van R. Ganzfried stelt (120:11): “On the first day of Shavuot, the Maariv service should be put off until the stars become visible; for, if the service should be said before this time, and the festival ushered in, a little time will be lacking from the forty-nine days, and the Commandment says (Leviticus 23:15): “Seven full weeks they shall be””. Dit gebruik komt overeen met de situatie dat de Jom Tov begint na de Sjabbat. Dan moet men immers noodzakelijk laat beginnen daar men anders de Sjabbat te vroeg zou verbreken wat nimmer is toegestaan. Misschien is dit gebruik om de Jom Tov laat te beginnen nog een restant van de situatie waarin Sjavoe’ot altijd begon na de Sjabbat en dus op een zondag viel.

      De Sjabbat die direct voorafgaat aan Sjavoe’ot verkrijgt daarmee het karakter van een geestelijke voorbereiding op de feestdag. Uiteraard is deze voorbereiding zuiver geestelijk, aangezien men op de Sjabbat geen voorbereidingshandelingen mag verrichten. Maar het is een Sjabbat van stilte en inkeer in afwachting van en gericht op de plechtige viering van de tarweoogst met het aanbieden van de twee beweegbroden in de Tempel en — volgens latere interpretatie die ook in het NT gevolgd wordt — van de grote gebeurtenis van Matan Torah op Sinai. Vanuit de thematiek van Matan Torah is het gemakkelijk te begrijpen dat zelfs de Sjabbat hier iets krijgt van een voorbereiding. Matan Torah, het ontvangen van G-d’s openbaring is in zekere zin immers de grondslag van alles, en onder dit opzicht is Sjavoe’ot het belangrijkste feest, belangrijker zelfs dan de Sjabbat.

      Volgens de Sadducese telwijze zijn de Omertijd en Sjavoe’ot bovendien een weerspiegeling in miniatuur van de orde van de zeven Sjemitah- of Sjabbat-jaren die uitlopen op het Vrijlatings- of Jubeljaar. In Leviticus XXV, waar de geboden betreffende deze bijzondere jaren worden gegeven, is het duidelijk dat het 50ste of Jubeljaar altijd onmiddellijk op het zevende Sjemitah-jaar volgt en dat er geen andere methode is om het Jubeljaar te bepalen. Dit wordt zelfs door de Farizeeën niet betwist. Het echter even duidelijk dat in Leviticus XXIII Sjavoe’ot altijd onmiddellijk op de zevende Sjabbat van de Omer volgt en dat er geen andere methode is om de datum van Sjavoe’ot te bepalen dan als de dag na de zevende Sjabbat van de Omertelling, die ook begon op de dag na een Sjabbat. Evenals bij de Omer de 50ste dag de betekenis heeft van een achtste dag na de zeven weekdagen, heeft bij de ordening van de jaren het 50ste jaar de betekenis van een achtste jaar na het zevende Sjabbat- of Sjemitah-jaar.

      Brichtje:
      P.S. u hoort mij niet zeggen dat de leer van de Saduceeën verkeerd is, maar in mijn optiek mag deze net zo in twijfel genomen worden als de leer van de Farizeeën, en dienen derhalve alle argumenten van beide partijen nauwkeurig afgewogen te worden alvorens men tot een conclusie komt.

      Messianic613:
      Het spreek vanzelf dat het goed is om alle voors en tegens af te wegen en alle aspecten van de zaak te beschouwen. Dit neemt niet weg dat het mij toeschijnt dat de nu te berde gebrachte argumenten alleen bijkomstige en geen beslissende waarde kunnen hebben. Beslissende argumenten kunnen alleen berusten op de letterlijke en om zo te zeggen ‘technische’ betekenis van de Torahtekst en niet op zulke secundaire overwegingen als het al dan niet gepast zijn van een vaste datum of een vaste weekdag, en al helemaal niet op ‘spirituele’ overwegingen aangaande de geestelijke betekenis van de telling of het Sjavoe’ot-feest. Deze argumenten en overwegingen behoren tot het tweede plan en kunnen wel achteraf een bevestigende of vooraf een heuristische waarde hebben, kunnen echter niet doorslaggevend zijn.

      In de tijd toen Israel nog een theocratie was en de Tempel nog functioneerde was de Omertelling eenvoudig een zaak van de priesterkaste, die op grond van de instructies in Leviticus XXIII de data van het Omer-offer en Sjavoe’ot uitrekende en zo de 50 dagen telde. Het Farizese ritueel van het elke avond tellen van de Omer in de Maariv dienst als een rabbinale verplichting voor iedere Jood is ongetwijfeld van later datum. Dit neemt niet weg dat dit rabbinale ritueel beslist waard is om uitgevoerd te worden en een rijke inhoud heeft, het kan echter niet afgeleid worden uit de Torahtekst.

      Het gebod om te ‘tellen’ betekent dus volgens de Torahtekst niet dat men elke dag expliciet een dag verder moet tellen, maar eenvoudig dat de priesters op grond van de gegeven instructies de juiste datum van Sjavoe’ot moeten bepalen. Deze datum wordt door een aantal factoren bepaald. In de eerste plaats door de begin- en einddagen van de telling, “de dag na de Sjabbat”, en vervolgens door de lengte van de maanden Niesan en Ijar. Het beslissende punt is dat wanneer het beginpunt van de telling eenmaal is gegeven, het eindpunt alleen door de telling en niet meer door de maankalender bepaald wordt. Het gaat om het vasthouden aan een zuivere orde van weken en Sjabbatot.

    • 32 Lenie June 7, 2016 at 9:15 am

      Beste ‘Brichtje’ en ‘Messianic613’.

      Dank voor jullie reacties. Ik ben het eens met ‘Messianic613’.

      Ik denk dat het moeilijke is om het eenvoudig – maar wel zorgvuldig – te houden en niet te verdwalen in je eigen woorden en gedachten.

      Het staat er heel eenvoudig: als je zorgvuldige interpretatie dan klopt met je zorgvuldige check, is dat oké voor mij.

      Dus geen vaste kalenderdatum zoals bij de andere feesten: dan zou deze gewoon genoemd zijn, wat niet het geval is, dus dat is het niet!
      Het is een ‘rekendatum’, die jaarlijks kan verschillen.
      Beginnen na een gewone shabbat + 7 weken = eindigen na een sjabbat, ofwel dat is altijd een zondag (de 1e dag der week feitelijk zoals op oude Nederlandse kalenders vaak ook aangegeven..).

      En vooral is het fijn, als we de vrijheid hebben om dit naar eer en geweten te mógen houden.. Zo is het wel voldoende voor mij :-D.

      Hartelijke groeten, Lenie 🙂

  13. 33 Brichtje June 11, 2016 at 7:17 am

    Goede Dag,

    Ik wilde u via deze weg danken voor al uw antwoorden en inzichten, het heeft mijn kijk veranderd en mij opnieuw doen laten verwonderen en vragen doen laten stellen aangaande dit gebod. Derhalve heb ik mij voorgenomen het geheel opnieuw onder de loep te nemen en te blijven toetsen tot ik een eenduidig antwoord heb gevonden; maar ik denk dat ik met alle informatie die u verschaft heeft zeker een heel eind op weg ben; nogmaals dank hiervoor.

    Met vriendelijke groet,
    Brichtje

    • 34 Messianic613 June 13, 2016 at 3:24 pm

      Graag gedaan en dank voor de discussie. Met name uw vragen en opmerkingen aangaande de “sjabbatot temimot” gaven me aanleiding om het verband tussen de begrippen ‘Sjabbat’ en ‘week’ verder uit te werken. Ik hoop nog met meer publicaties over het vraagstuk van de Omer te komen. Hier vraagt vooral de ingewikkelde geschiedenis van de controverse gedurende het tijdvak van de eerste eeuw BCE en de eerste eeuw CE om nader onderzoek. Ook de precieze motieven van de Farizese wijziging van de oude traditie — die ondermeer door Chwolson en Safrai wordt bevestigd — zijn nog onvoldoende duidelijk.

  14. 35 Hope April 14, 2017 at 8:19 pm

    Daarnaast wilde ik u vragen hoe u tegen het volgende aankijkt:

    Leviticus 23:10 laat duidelijk weten dat men de omer voor de priester dient te brengen als men het land inkomt, hoe rijmt u dat met Jozua 5:10-11 gekeken naar Leviticus 23:14.

    It is misleading to argue that the events in Joshua 5:10-11 did not include the wave sheaf when Leviticus 23:10 clearly commands that the wave sheaf be offered upon entering the land. It was to be offered from the harvest of the land, which was there when Israel arrived.

    The account in Joshua 5:10-11 records their observance of the Passover on Nisan 14 and their observance of the Feast of Unleavened Bread on Nisan 15. Because the unleavened bread they ate was baked with grain from the harvest of the land, it is evident that they had offered the wave sheaf on the morning of Nisan 15
    ……

    One more controversy in Pentecost reckoning arises in certain years however. In years where Passover occurs on the weekly Sabbath, and the Feast of Unleavens thus begins on the first day of the week, there is debate as to which “morrow after the Sabbath” should begin the count. This debate centers on what day is to be anchored in the Feast week: the Sabbath, or the “morrow after.”

    Since the Feast of Unleavens lasts seven days, there is only one weekly Sabbath and only one first day of the week that occur during it. Some feel it is the Sabbath that falls in the week of Unleavens that matters, and thus they would begin their count towards Pentecost, in such years that the Feast ends on the Sabbath, on a day outside of the Feast of Unleavens (i.e., the day after it ends). Others believe the Scriptural emphasis is not on the Sabbath itself, but rather on “the morrow after the Sabbath,” and thus when the Feast of Unleavens begins on the first day of the week, the selfsame day (the 15th of the aviv) begins the count towards Pentecost.

    Along with pointing out the Scriptural emphasis, the following Scripture is also brought forth for further proof that the “morrow” is indeed what matters:

    “And the children of Israel encamped in Gilgal; and they kept the passover on the fourteenth day of the month at even in the plains of Jericho. And they did eat of the produce of the land on the morrow after the passover, unleavened cakes and parched grain, in the selfsame day. And the manna ceased on the morrow, after they had eaten of the produce of the land; neither had the children of Israel manna any more; but they did eat of the fruit of the land of Canaan that year.” (ASV, Joshua 5:10-12)

    This section of Scripture is an important key in determining the truth of this debate. Note that Joshua recorded that the children of Israel ate of the produce of the land (including “parched grain”) on “the morrow after the Passover.” Compare this with the instructions they received regarding what they were to do when they entered the land of promise:

    “Speak unto the children of Israel, and say unto them, ‘When ye are come into the land which I give unto you, and shall reap the harvest thereof, then ye shall bring the sheaf of the first-fruits of your harvest unto the priest: and he shall wave the sheaf before Jehovah, to be accepted for you: on the morrow after the Sabbath the priest shall wave it….And ye shall eat neither bread, nor parched grain, nor fresh ears, until this selfsame day, until ye have brought the oblation of your God: it is a statute for ever throughout your generations in all your dwellings’.” (ASV, Leviticus 23:10,11,14)

    …ye shall eat neither bread, nor parched grain, nor fresh ears, until this selfsame day (Leviticus 23:14)

    …they did eat of the produce…, unleavened cakes and parched grain, in the selfsame day (Joshua 5:11)

    The command from the Eternal was that they could not eat of any grain of Canaan (bread, parched grains, or fresh grains) until the selfsame day they offered the “elevation sheaf.” We see that the children of Israel did eat of the grain on the 15 of the aviv (i.e., the morrow after the Passover), and thus it can be determined that Passover in the year they entered the land occured on the weekly Sabbath and the Feast of Unleavens began on the first day of the week–on the self-same day the premier sheaf of the barley was elevated to the Eternal.

    Some have argued that the account in Joshua 5 has no bearing on the matter of determining Elevation Sheaf Day due to the King James translation of the Hebrew word abuwr in verses 11 and 12 as “old corn.” I find no evidence that the KJV translators were correct in this “translation.” H.W.F. Gesenius defines abuwr as follows:

    abuwr “corn, prop. produce, or offering of the land…” (Gesenius’ Hebrew-Chaldee Lexicon to the Old Testament, p.600, Strong’s #5669)

    If abuwr does mean “old grain,” and more importantly, if the children of Israel were free to eat abuwr without regard to the offering of the firstfruits of barley (i.e., Elevation Sheaf), why then did they wait five days after entering the land before they ate of it (Joshua 4:19ff)? Do note that manna had been continually provided to assuage their hunger until this “morrow of the Passover” (Joshua 5:12). Why would God continue to send manna if He had just delivered into their hands a land full of grains they were free to eat upon their arrival? Scripture testifies of how discontent the Israelites were with manna (Numbers 11:5,6)—they wanted something else to eat. So again, why did they wait? Could it be that because God commanded that when they entered the land, they could not partake of bread, parched grain, nor fresh grain until the selfsame “morrow after the Sabbath” that they offered up the premier sheaf of barley (Leviticus 23:10-14)? Yes, indeed.

    Thus, the testimony of Joshua’s account provides the Scriptural precedent for how to determine Elevation Sheaf Day, and thereby Pentecost, in such years that the Passover occurs on the weekly Sabbath and the Feast of Unleavens begins on the first day of the week.

    In summary, Elevation Sheaf Day always occurs on the first day of the week during the Feast of Unleavens, and Pentecost is 50 days thereafter–likewise, always on the first day of the week.

    • 36 Messianic613 April 20, 2017 at 4:47 pm

      Er is volgens mij geen moeilijkheid om Lev. 23:9-14 te verenigen met Jozua 5:10-11. Zowel de uitleg van Jozua 5:11 die “âbûwr” vertaalt als “overjarig koren” als die welke dit woord vertaalt als “opbrengst” (van het land) is verenigbaar met de geboden voor het brengen van de Omer.

      Indien het in Joz. 5:11 gaat om de nieuwe opbrengst van het land, dan impliceert dit dat de Omer in dat jaar werd gebracht op 15 Niesan.

      De moeilijkheid bij deze uitleg is dat het woord “âbûwr” een ander woord is dan het woord voor opbrengst dat op het eind van :12 wordt gebruikt voor de “opbrengst” (van het land), namelijk “tebûwâh”. Dit roept de vraag op: Indien in :12 de nieuwe oogst bedoeld is, waarom wordt ditzelfde woord dan niet gebruikt in :11?

      Bovendien moet bedacht worden dat er hoe dan ook oud koren voorhanden geweest moet zijn om de eerste matzes mee te bakken voor Pesach. Want de avond volgend op de 14e Niesan moest het Pesachoffer worden gegeten met ongezuurde broden. Die avond was de Omer zeker nog niet gebracht. En indien de volgende dag, de 15de Niesan, een zondag was en de Omer op die dag werd gemaaid en gebracht, dan konden alleen de priesters reeds van de nieuwe oogst eten. Want Niesan 15 is een Jom Tov. Men mag op die dag niet oogsten. We zien dan ook dat het manna pas ophield op de daaropvolgende dag, de 16de Niesan.

      Indien het in Joz. 5:11 gaat om het “overjarige koren”, dan impliceert dit dat de Omer op 15 Niesan nog niet was gebracht. Dit zou betekenen dat de Israelieten aten van graanvoorraden die ze hadden gevonden bij het binnentrekken van het land.

      De moeilijkheid bij deze laatste uitleg is dat in Joz. 5:11 zowel als in Lev. 24:14 sprake is van “brood” resp. “ongezuurde broden” en “geroost (koren)”, wat een verband met het brengen van de Omer suggereert.

      Bij nader toezien blijkt echter dat “groene aren”, vermeld in Lev. 24:14, ontbreekt in Joz. 5:11. Ook het “juist op diezelfde dag” van Joz. 5:11 lijkt geen verwijzing in te houden naar het “tot op die dag” van het begin van de Omertelling volgens Lev. 23:14, maar naar Ex. 12:41, de dag van de uittocht.

      Indien de Israelieten in Joz. 5:11 op 15 Niesan aten van het overjarige koren van het land, dan kan uit deze tekst niet afgeleid worden dat de Omer op die dag gebracht werd.

      Hoe dit ook zij, volgens de oude priesterlijke traditie werd de Omer op 15 Niesan gebracht indien 14 Niesan op een Sjabbat viel. Deze traditie is geheel en al in overeenstemming met de instructies aangaande de Omer in Lev. 23:9-16.

      Dat de bepaling van de “dag na de Sjabbat” van het brengen van de Omer gedeeltelijk op Schriftgegevens en gedeeltelijk op traditie berust behoeft ons niet te verbazen. Dit is zo in de meeste gevallen met de instructies van de Torah. De Schrift zelf leert geen Sola Scriptura en zonder de steun van tradities en gezagsinstanties is een halachische uitleg van de Torah onmogelijk. Het beslissende is echter dat de Farizese traditie op dit punt duidelijk in strijd is met de Torahtekst, terwijl de oude priesterlijke traditie daarentegen met de Torahtekst overeenstemt.


  1. 1 Minor Celebrations Between Pesach and Shavuot « Messianic613’s Weblog Trackback on May 11, 2009 at 1:46 am

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s





%d bloggers like this: