Archive for June, 2009

« En het woord was G-d »

Enige opmerkingen over de anarthrous constructie in Joh. 1:1

 

Het eerste vers van het Johannes evangelie bestaat uit drie korte zinnen, verbonden door het nevenschikkend voegwoord ‘en’ (Gr. ‘kai’). De derde zin: « en het woord was G-d », luidt in het Grieks: « kai theos èn ho logos ». Deze zin wordt door orthodoxe theologen vaak opgevat als een bewijstekst voor de godheid van de Messias, Yeshua. We willen hier kort nagaan of deze gedachte bij nadere bestudering stand houdt.

In deze zin verschijnt het woord ‘theos’ (‘G-d’) in de zogenaamde anarthrous constructie. Dit is de constructie zonder lidwoord. Aangezien het Grieks alleen een bepaald lidwoord heeft, wordt deze constructie vaak benut in situaties waarin het Nederlands het onbepaalde lidwoord (‘een’) zou gebruiken. Daarnaast wordt deze constructie gebruikt om een woord een qualificerende functie, in het bijzonder de functie van predikaatsnomen, te geven.

In Joh. 1:1 komt deze constructie voor bij het woord ‘theos’. Op grond van deze gegevens liggen twee mogelijke vertalingen van Joh. 1:1c voor de hand. 1) « en het woord was G-d », en 2) « en het woord was een god ». Deze laatste vertaling is echter uit te sluiten op grond van het feit dat het onderwerp en het gezegde in omgekeerde volgorde voorkomen en het gezegde hier voorop staat. ‘ho logos’ (‘het woord’) is duidelijk het onderwerp. Het gezegde (‘theos’) staat hier echter voorop, ongetwijfeld met het oogmerk het te accentueren. Dit wijst erop dat ‘theos’ hier als qualificatie van ‘ho logos’ optreedt. Indien Johannes had willen zeggen dat het woord ‘een god’ is — en hij ‘god’ dus als soort- of geslachtsnaam had gebruikt, zoals dit gebeurt in bijv. Ex. 22:8-9 en Ps. 82  — zou hij de gewone volgorde van subject en predikaat hebben kunnen aanhouden. De zin zou dan luiden: « kai ho logos èn theos », en niet: « kai theos èn ho logos ».

Ter verduidelijking van het voorafgaande geef ik een overdreven letterlijke vertaling: « In het begin was het woord, en het woord was bij de G-d, en G-d was het woord ». Als we er half Grieks van maken is het makkelijker om te zien wat er hier aan de hand is. Er staat: « In het begin was de logos, en de logos was bij de theos, en theos was de logos.» In de laatste zin: «…, en theos was de logos » zijn er twee opvallende dingen aan de hand. Het eerste is, zoals gezegd, dat het onderwerp en het gezegde van de zin van plaats verwisseld zijn; het tweede is dat ‘theos’ zonder lidwoord verschijnt (en dus anarthrous is). Die twee dingen hangen onderling nauw samen. In deze zin: « en theos was de logos » is ‘de logos’ het onderwerp van de zin, ‘theos’ is het gezegde. Met andere woorden: ‘theos’ wordt hier gezegd van ‘de logos’.

Er wordt dus van de logos, het woord, gezegd dat hij G-d is, echter niet — en dat is uiterst belangrijk — dat hij de G-d is. ‘G-d’ (‘theos’) heeft hier een predikatieve functie, een functie als gezegde van de zin (predikaatsnomen), niet echter persé de functie om een bepaald zijnde of een bepaalde persoon aan te wijzen. Dat is de reden waarom het lidwoord is weggelaten. Dit is vergelijkbaar met het geval dat ik van Socrates zeg dat hij mens is. Ik laat dan het lidwoord bij ‘mens’ weg, want Socrates is niet de mens, maar mens (d.w.z. Socrates is menselijk qua wezen of aard). Wil ik nu bovendien juist het mens-zijn van Socrates beklemtonen, dan kan ik dit doen door de volgorde van onderwerp en gezegde om te keren en te zeggen: « Mèns is Socrates », in plaats van: « Socrates is mens ». Als ik echter zeg « Socrates is de mens », of ook: « De mens is Socrates », dan gaat de zin óf betekenen dat er maar één mens is, namelijk Socrates, óf dat Socrates zoiets is als de mens bij uitstek, de exemplarische mens. In de context van de Proloog van Johannes zou dit betekenen dat het woord de enige G-d, of de G-d bij uitstek, is.

Om op het laatste even door te gaan: Indien ‘theos’ hier een lidwoord zou hebben en er stond: « en de theos was de logos », dan zou het voor de hand liggen te veronderstellen dat ‘de theos’ het onderwerp zou zijn, en dan zou de zin betekenen dat G-d het woord zou zijn, en wel op zo’n wijze dat G-d helemaal zou opgaan in het woord-zijn. Maar als niettemin ‘de logos’ als het onderwerp zou worden beschouwd, zou de zin betekenen dat het woord de G-d zou zijn. Beide lezingen zouden erop neerkomen dat Johannes de bedoeling zou hebben de identiteit van G-d nader toe te lichten, en met deze zin zou willen verklaren dat het woord de ware G-d is. Maar dit staat er niet, en zou ook wringen met het eerder gestelde dat het woord bij G-d is.

Met het vooropzetten van ‘theos’ in: « en theos was de logos », valt de klemtoon bijgevolg op ‘theos’. Het G-d-zijn van het woord is dus wat hier beklemtoond wordt. Maar omdat ‘theos’ hier anarthrous is en een predikatieve functie heeft, een functie als gezegde, betekent dit niet dat hier gesteld wordt dat de logos de persoon van G-d is — zoals in « Mèns is Socrates » ook niet gesteld wordt dat Socrates de persoon ‘mens’ is. Veeleer wordt er gezegd dat de term ‘G-d’ de essentie of het wezen uitdrukt van de logos, en dus weergeeft wat of van welke aard de logos is. Dat kunnen we in het Nederlands alleen weergeven met een bijvoeglijk naamwoord: ‘goddelijk’.

Dit levert de volgende vrije vertaling, of parafrase, op voor Joh. 1:1: « In het begin was het woord, en het woord was bij G-d, en [geheel en al] goddelijk [van aard] was het woord ». Deze parafrase geeft volgens mij de betekenis van het Grieks nauwkeurig weer.

Orthodoxe (trinitarische) theologen hebben gelijk wanneer zij zeggen dat het feit dat het predikaat zonder lidwoord (anarthrous) is niet betekent dat het onbepaald is, en ‘een god’ zou betekenen. Het betekent niet ‘een god’, juist omdat het hier niet een persoon betekent of aanwijst, maar een kwalificatie, een eigenschap. Dat men juist hier veelal niet aan denkt komt omdat orthodoxe theologen er meest reeds van uitgaan dat ‘het woord’ een persoon aanduidt. Wie dat onbedacht aanneemt, komt inderdaad voor het dilemma te staan te moeten vertalen: « en het woord was G-d », zoals de traditie doet, of met een onbepaald lidwoord: « en het woord was een god », zoals bijv. de Jeh.-getuigen doen. En eenmaal in dat dilemma verzeild geraakt is het niet zo moeilijk om aan te tonen dat de vertaling: « en het woord was een god » niet erg geslaagd is. Want deze vertaling zwakt juist het G-d- of goddelijk zijn van het woord af, door — via het generieke gebruik van het woord ‘god’ — van het woord een mindere godheid te maken, terwijl Johannes nu juist de volstrekte goddelijkheid van het woord benadrukt, door ‘theos’ voorop te plaatsen. Staande voor dat dilemma is dus de traditionele vertaling heel begrijpelijk. Als men er echter niet a priori van uitgaat dat met ‘het woord’ of ‘de logos’ een persoon bedoeld is, komt ook dat dilemma helemaal niet op, en ligt een vertaling zoals ik die hierboven heb gegeven veel meer voor de hand.

Ook uit het feit dat het geslacht van ‘logos’ mannelijk is valt niets af te leiden voor het persoon-zijn van de logos. Dat het Griekse woordlogos’ mannelijk is, wil natuurlijk volstrekt niet zeggen dat de realiteit van de logos een persoon is; zoals ook het feit dat het woord ‘meisje’ in het Nederlands onzijdig is volstrekt niet wil zeggen dat meisjes geen personen zijn. Het gaat hier alleen om een woordgeslacht. ‘Zon’ is vrouwelijk in het Nederlands en ‘Maan’ mannelijk, net zoals in het Duits, maar het is duidelijk dat dit volstrekt niet betekent dat de Zon zelf een vrouwelijk wezen, laat staan een persoon is. Om die reden hebben ook vroegere vertalingen, zoals bijv. de engelse vertaling van Tyndale, met een gerust hart ‘it’ gebruikt om naar de logos te verwijzen. Als uit het mannelijk zijn van het woord ‘logos’zou volgen dat de logos als een persoon zou moeten worden opgevat, zou er ook uit volgen dat de logos als een persoon van het mannelijk geslacht zou moeten worden opgevat, wat toch wel heel ver — en volgens mij te ver — zou gaan.

Het is duidelijk dat de realiteit ‘woord’ of ‘logos’als zodanig geen persoon is. Juist daarom ligt hier de mogelijkheid van personificatie voor de hand, evenals bij een begrip als ‘sophia’, ‘wijsheid’. Johannes zegt dat het woord ‘bij’ G-d is, wat op een personificatie kan wijzen, maar ook een kernachtige aanduiding kan zijn van het feit dat het woord zich in de sfeer van G-d ophoudt, wat nog versterkt gezegd wordt door de daaropvolgende zin, die ik hierboven besproken heb: « en het woord was G-d ».

Uit Joh. 1:1c is dus geen bewijs te ontlenen voor de stelling dat de Messias een goddelijke persoon zou zijn. Integendeel, een nauwkeurige exegese van dit vers maakt duidelijk dat Joh. 1:1c handelt over de aard van de logos en stelt dat het woord goddelijk van aard is, zonder een tweede goddelijke persoon te zijn. De logos is als zodanig geen tweede persoon in G-d, maar is het woord van G-d, dat wil zeggen: G-ds gedachte, zijn voornemen of raadsbesluit, welke vlees wordt, namelijk een concrete menselijke gestalte aanneemt, in Messias Yeshua. De Messias is geen tweede goddelijke persoon, maar is de menselijke persoon waarin het woord van G-d belichaamd wordt.

Advertisements

Shavuot and Matan Torah

 

According to Jewish tradition the festival of Shavuot is referred to as “the time of the Giving of our Torah”, as appears from the Amidah for the festival (cf. the ArtScroll Siddur, p. 665). Remarkably, this association between the date of the festival and the date of the Giving of the Torah (Matan Torah) is not made by the text of the Torah itself. It is never said in the Chumash that the Theophany on Mount Sinai happened on the date of Shavuot

In Ex. 19:1 it is said: “In the third month, when the children of Israel were gone forth out of the land of Egypt, the same day came they into the wilderness of Sinai”. The words “the same day” seem to signify that the arrival at Sinai happened on the 15th of Sivan. In rabbinic exegesis (e.g. Rashi’s Chumash commentary) it happened on Rosh Chodesh Sivan, but this reading cannot be taken for granted. Ex. 19:1 seems to refer back to Ex. 12:41, and thus to the day on which the Exodus from Egypt (which happened on the 15th of the first month — Nisan) did take place, and to Ex. 16:1, the day when the Israelites arrived at the wilderness of Sin (the 15th of the second month — Iyyar). If the first day of the month was meant one would expect the wording of the text to be different, and more like Ex. 40:2, 17. 

If the three days mentioned in Ex.19:10-11 began immediately on Sivan 15, and if the counting of these days should be inclusive, then the 17th of Sivan was the earliest possible day for Matan Torah. This is a day that is completely incompatible with the rabbinic date of Shavuot on the 6th of Sivan. It should be noticed that it is also incompatible with a Sadducean reckoning of Shavuot, which has this festival always happening between Sivan 5 and Sivan 12. The only way the 17th Sivan could be a possible date of Shavuot is by admitting that Shavuot according to Dt. 16:9 was determined agriculturally and was dependent upon the state of the fields, i.c. the ripening of the barley. This is in accordance with the stipulations given in Lev. 23:9-11 about the Omer. In Lev. 23:9 a new section of the text begins that has no immediate connection with what was said before, and from Lev. ch. 23 alone a direct relation between Pesach and the counting of the Omer cannot be proved. 

In normal circumstances, however, the barley would be ripe around the time of Pesach. And I guess that only in times of bad and late harvests it could happen that Shavuot would be as late in the year as Sivan 17. 

While in the Tanach we never see a direct relation, as far as I know, between Shavuot and Matan Torah, in rabbinic literature, from the second century CE on, we find the two identified. There may have been an earlier oral tradition, though, because in the Apostolic Writings this identification appears to be alluded to. There are in fact interesting comparisons. In Ex. 32:28 we have three thousand people dying because of the sin of the golden calf, a sin which happened almost immediately after Matan Torah. In Acts 2:41 we have three thousand people being baptized and the Body of Messiah formed by the Ruach HaKodesh as a new and distinct group within Israel. Another similarity is to be noticed between the fire on Mount Sinai and the fiery tongues descending upon the Apostles. (Both events mark a new beginning and show a certain resemblance to what happened on the first day of creation, when the Ruach HaShem was above the waters and the light was created.) 

Thus the conclusion might be justified that qua theological content there is a relation between Shavuot and Matan Torah but not qua calendrical date. The fact that Shavuot is the only yearly festival which has no fixed date in the Torah may already point in this direction. The rabbinic idea that Matan Torah happened on the 6th of Sivan should perhaps be considered a forced attempt to emphasize the celebration of Matan Torah in a diaspora situation in which the agricultural aspects of Shavuot could no longer be given due weight. To be clear, this rabbinic idea is only to be regarded as “forced” in relation to the actual date of Sivan 6, not in relation to its thematic content. Israel is the firstfruits of mankind, a nation dedicated to HaShem and which received its constitution at Mount Sinai. The Messianic Assembly is that part of Israel which has the firstfruits of the Spirit as the Apostle says in Rom. 8:23, and which was constituted on the Shavuot day of Acts ch. 2. 

The thematic identification of Shavuot and Matan Torah is thus probably a later but legitimate development of the oral tradition. It appears to be based on a grown understanding of the symbolism of the festival. And in a broad sense there’s still a calendrical connection between Shavuot and Matan Torah, since both events are related to the third month.