De Niet-Joden en het Besnijdenisgebod in de Gemeente van de Messias: Een Eerste Verkenning van het Probleem

 

Tenecki — Circumcision of Christ (Monastery of Krusedol)In veel messiasbelijdende gemeenten leert men enerzijds dat niet alleen joodse maar ook niet-joodse gelovigen de Torah moeten onderhouden, terwijl men anderzijds leert dat de lichamelijke besnijdenis niet voor niet-Joden is. Dit is volgens mij een aperte tegenstrijdigheid. Indien de Torah voor de niet-Joden geldt, dan geldt de gehele Torah voor hen in al zijn aspecten en is er geen mogelijkheid om willekeurige uitzonderingen te maken voor een of ander gebod. Er kan dan dus geen onderscheid meer bestaan tussen Jood en niet-Jood, althans niet binnen de Gemeente van de Messias. Wel, uiteraard, in de wereld buiten deze Gemeente.

Indien niet-joodse gelovigen de Sjabbat horen te houden, en indien het niet-houden of overtreden van de Sjabbat een ernstige zaak is, dan is dit met de besnijdenis precies zo het geval. In beide gevallen stelt de Torah dat op opzettelijke en persistente overtreding de straf staat van karet, d.i. van buiten het verbond gesteld worden. In de theocratische situatie waar de Torah primair voor bedoeld is betekent dit de doodstraf of verbanning. In I Cor. 5:1-13 wordt voor een vergelijkbaar geval van incest (cf. Lev. 18:8), waarop volgens de Torah ook de straf van karet staat (Lev. 18:29), door Paulus de consequentie getrokken van excommunicatie.

Mocht het echter zo zijn dat de Apostelen leren dat de gelovigen uit de volken zich niet moeten laten besnijden, dan sluit dit onmiddellijk en vanzelf uit dat deze gelovigen de Torah zouden moeten onderhouden. Als de besnijdenis niet voor de gelovigen uit volken is, hoe kan dan bijv. zoiets als Pidjon HaBen (= de lossing van de eerstgeborene) wél voor hen zijn? Niemand heeft toch ooit gehoord van de lossing van een onbesnedene? Het is ook volkomen belachelijk om met een onbesneden jongen naar de Kohen te gaan voor de lossing. Want waarom zou een rite die voor de 31ste dag na de geboorte geldt verplichtend zijn en een andere rite, die is vastgesteld voor de 8ste dag, niet?

Stelt men dat de Apostelen een uitzondering hebben gemaakt voor de volken voor wat de besnijdenis betreft, dan kan dit alleen betekenen dat de Apostelen geleerd hebben dat de Torah niet voor de niet-Joden bedoeld is. Want indien de Torah wél voor hen zou gelden, dan zouden ook de Apostelen niet de macht hebben om te verklaren dat de besnijdenis niet op hen van toepassing is. Een Apostel kan zich immers niet boven de Torah stellen. Als de niet-joodse gelovigen in Israel zijn ingevoegd door het werk van de Messias, en op grond daarvan de Torah voor hen geldt, dan hebben de Apostelen geen bevoegdheid om een gebod van Mozes voor deze gelovigen ongeldig te verklaren, laat staan zo’n belangrijk en essentieel gebod als de besnijdenis.

Er zijn volgens mij drie opties om de afwijzing van de besnijdenis door de Apostelen voor niet-Joden te interpreteren en te begrijpen.

De eerste optie is dat de Apostelen bedoeld hebben te leren dat de Torah eenvoudig niet voor de niet-Joden geldt. De Apostelen zouden de niet-joodse gelovigen als Noachiden hebben beschouwd, dat wil zeggen als personen buiten het verbond met Abraham en het verbond van Sinaï.

De tweede optie is dat de Apostelen in dit verband met de term ‘besnijdenis’ doelden op de rituele bekeringsprocedure of gioer tot het Jodendom. Indien de Apostelen alleen deze rabbinale bekeringsprocedure — zoals die ondermeer door de Farizeërs in Handelingen hst. XV werd voorgesteld — afgewezen hebben, dan is er sprake van een andere situatie. Dan is het wellicht mogelijk dat de schriftelijke Torah van Mozes ook voor de gelovigen uit de volken geldt. In dat geval is bestaat er dus een belangrijk onderscheid tussen de rabbinale besnijdenis ‘ter bekering’ (gioer), en de bijbelse besnijdenis. Met andere woorden, we moeten dan voor niet-Joden twee soorten besnijdenis aannemen: een rabbinale, behorend bij de gioer-procedure, en een bijbelse (of apostolische). In dat geval zou het bijbelse besnijdenisgebod ook gelden voor gelovigen uit de volken.

De derde optie is dat de Apostelen de besnijdenis voor niet-Joden zouden hebben afgewezen om de reden dat de besnijdenisrite volgens henzelf, voltrokken aan niet-Joden, altijd en vanzelf de formele overgang of bekering zou inhouden naar het Jodendom. De Apostelen zouden hebben geredeneerd dat de niet-Joden door de Messias in het verbond — en dus ook in de Torah — zijn ingevoegd via het geloof, zonder de verdere noodzaak van een bekeringsprocedure en dus ook zonder de noodzaak van de besnijdenis. Zij zouden daarmee de niet-Joden hebben beschouwd als G-dvrezenden, die niet volledig en formeel tot het Jodendom zijn overgegaan. Als G-dvrezenden in de Messias zouden zij dan in beginsel alle geboden moeten doen, echter met uitzondering van de besnijdenis, want de besnijdenis zou nu eenmaal leiden tot de formele overgang tot het Jodendom. De Apostelen zouden in dat geval niet het alternatief van een zuiver bijbelse besnijdenis hebben gekend of geleerd. Zij zouden geen andere besnijdenis voor niet-Joden hebben gekend dan als onderdeel van de gioer, die door hen werd afgewezen.

Uiteraard kan alleen onder de tweede en de derde opties de algemene geldigheid van de Torah voor de niet-joodse gelovigen worden behouden. Simpelweg een uitzondering maken voor het besnijdenis-gebod, is, onder de aanname dat de Torah van toepassing is, iets onmogelijks. Want indien de besnijdenis niet voor niet-Joden geldt, dan gelden ook de Sjabbat en de spijswetten niet, en de gehele Torah niet. Het is nu eenmaal alles of niets. Indien de niet-Joden in Israel zijn ingevoegd door het geloof in de Messias, dan gelden voor hen dezelfde wetten en regels als voor alle andere Israelieten. En dan is er geen uitzondering mogelijk voor de besnijdenis.

Een moeilijkheid voor de eerste optie is dat Paulus duidelijk zegt dat degenen die in de Messias besloten zijn zonen van Abraham zijn (Gal. 3:29). En de Efeze-brief maakt duidelijk dat de gelovigen uit de volken niet langer vreemdelingen en bijwoners zijn en buitengesloten van de verbonden. In de Messias zijn zij nabij gekomen en hebben deel gekregen aan de erfenis van Israel (Ef. 2:11-13; 19-22). Het is daarom niet goed mogelijk hen als Noachiden te beschouwen.

Een moeilijkheid voor de tweede optie is dat zij een onderscheid vooronderstelt tussen twee soorten van besnijdenis voor niet-Joden, de farizeïsche of latere rabbinale, en de bijbelse (of apostolische). Dit onderscheid vinden we echter in het NT nergens. Het is een zuivere vooronderstelling. Deze optie werkt dus met een onbewijsbare vooronderstelling en steunt op de aanname dat de Apostelen de bijbelse besnijdenis, zoals deze in de schriftelijke Torah wordt geleerd, aan de gelovigen uit de volken zouden hebben onderwezen. Deze aanname lijkt de schijn tegen zich te hebben. Als zij juist zou zijn zou men namelijk verwachten dat de Apostelen, nadat zij de gioer duidelijk hadden afgewezen, duidelijkheid zouden verschaffen en de resterende bijbelse verplichting tot de besnijdenis zouden vermelden. Een dergelijke vermelding vinden we echter in het NT niet.

Men kan zich overigens ook afvragen of het maken van het onderscheid zelf tussen een gioer-besnijdenis en een besnijdenis volgens de schriftelijke Torah de zaak waarom het ging zou hebben verduidelijkt. Zou dit de complicaties omtrent de besnijdenis en haar betekenis niet eerder hebben vergroot?

Een moeilijkheid voor de derde optie is dat zij om een verdere verheldering vraagt voor wat betreft de positie van de niet-Joden. Als de niet-Joden via de Messias zijn ingevoegd in de verbonden van Israel, en als de invoeging via de Messias hier als het substituut fungeert voor de besnijdenis — althans volgens een bepaalde interpretatie van Col. 2:10-13 — hoe staat het dan met die geboden die van het besnijdenisgebod afhankelijk zijn, zoals Pidjon HaBen en Pesach?

Wat de Pesach-Seider betreft kunnen in de situatie van de ballingschap onbesneden mannen deelnemen aan de Seider. Dit is mogelijk omdat de Seider behoort tot de domeinen van de mondelinge Torah en van de traditie of gewoonte. Hij heeft in de schriftelijke Torah geen enkele status. Tot de bijbelse voorschriften van Pesach behoort het slachten van het Pesach-lam in de Tempel en het eten ervan binnen de grenzen van Jerusalem in een toestand van rituele reinheid. Deze bijbelse voorschriften kunnen nu niet gehouden worden. Daarom is een Seider zoals die nu gehouden wordt niet een echt Pesach volgens de normen van de geschreven Torah, maar alleen volgens de normen van de mondelinge Torah van de rabbinale traditie.

In I Cor. 5:8 lijkt Paulus niettemin deze ballingschap-Seider verplicht te stellen voor gelovigen uit de volken, wat dus impliciet betekent dat deze gelovigen onder het gezag van althans sommige gedeelten van de mondelinge Torah en de rabbinale wetgeving gesteld worden. Indien men aanneemt dat de gelovigen uit de volken in het geheel niet gebonden zijn aan rabbinale bepalingen en enkel het gezag van de bijbelse geboden voor hen geldt, dan geldt vanzelfsprekend de gehele Pesach-Seider zoals die sinds de verwoesting van de Tempel gehouden wordt niet voor hen. Want deze Seider is een puur rabbinale aangelegenheid en is geen bijbels gebod.

Wat Pidjon-HaBen betreft zou men bij het volgen van de derde optie moeten uitwijken naar de opvatting dat de mannelijke kinderen van niet-Joden in de Gemeente inderdaad besneden dienen te worden. Alleen zij die als volwassenen bij de Gemeente worden gevoegd zouden dus vrijgesteld zijn van de besnijdenis. In het NT vindt men echter niets over de besnijdenis van kinderen van niet-Joden. Men introduceert hiermee dus opnieuw een onbewezen aanname.

Het valt eenvoudig in te zien dat alle voorgestelde opties met moeilijkheden te kampen hebben. Geen enkele is zondermeer bevredigend. De eerste optie, dat de Torah niet voor niet-Joden geldt, is op zichzelf genomen innerlijk consistent zolang men binnen het conceptuele raamwerk van de mozaïsche openbaring blijft, maar voert tot grote moeilijkheden zodra de betreffende niet-Joden messiaanse gelovigen zijn. Want dan zijn zij volgens het NT zonen van Abraham. De tweede optie vertoont ook een sterke innerlijke consistentie, daar zij de schriftelijke Torah zondermeer voor alle gelovigen laat gelden. Maar zij steunt op de onbewezen en wellicht ook onbewijsbare aanname dat de Apostelen bij het verbieden van de gioer toch de bijbelse besnijdenis volgens Genesis hst. XVII en Leviticus hst. XII aan de niet-joodse gelovigen zouden hebben voorgehouden. Het is sterk de vraag hoe deze aanname te rechtvaardigen is. De derde optie is op zichzelf minder consistent maar heeft wel het voordeel dat zij beter lijkt aan te sluiten bij de historische situatie in de eerste eeuw en de aanname van twee soorten besnijdenis vermijdt. Daar staat dan echter weer als nadeel tegenover dat zij een andere onbewezen aanname introduceert.

Vanuit het perspectief van de mogelijkheid van karet is de halachisch veiligste optie uiteraard om het besnijdenisgebod zondermeer op niet-Joden toe te passen. Er blijven hier echter grote moeilijkheden met de teksten van het NT. Bij niet-toepassing van het gebod komen daar echter weer andere moeilijkheden voor in de plaats.

Advertisements

8 Responses to “De Niet-Joden en het Besnijdenisgebod in de Gemeente van de Messias: Een Eerste Verkenning van het Probleem”


  1. 1 Levi Zoutendijk September 11, 2013 at 12:45 pm

    Inderdaad heeft de instelling van de besnijdenis voor gelovigen uit de volken in de Apostolische Geschriften (NT) alle schijn tegen.
    Zo zegt 1 Kor 7,18: Is iemand als besnedene geroepen, hij late het niet verhelpen; is iemand als onbesnedene geroepen, hij late zich niet besnijden.

    Mijn mening is dat je toch gehoorzaam bent aan de Tora wanneer je als Messiaans gelovige uit de volkeren je niet laat besnijden.
    Waarom?

    De besnijdenis is het teken van het Verbond met Abraham.
    De Tora is van Mozes, met als teken de sjabbat.
    We zien dit terug in Jesjoea zijn woorden: Daarom: Mozes heeft u de besnijdenis gegeven – niet, dat zij van Mozes komt, maar van de vaderen – en gij besnijdt een mens op sabbat. (Jh 7:-22)

    De besnijdenis wijst op de komst van Messias en de Tora kwam erbij om die weg naar Messias recht te houden voor het volk Israël. Het een en ander verandert toch als Messias werkelijk komt..
    Mozes eist wel van vreemdelingen zich te besnijden voor de Pesach, maar de besnijdenis zelf richt zich vooral op de komst van Messias, het zaad waarop de belofte sloeg.

    Nu, omdat de Schriften op Jesjoea slaan, hij het dóel van de Tora is, – ja, de belichaming van de offerdienst en deze overstijgt, want hij is zowel als een offer en de ware hogepriester, enz. -, daarom noemt Sjaoel (na jaren nieuwe Bijbelstudie) de Messias ‘het Pesachlam’.

    Wat betekent dit voor ons?

    Bij de aanname van Messias hebben wij al – in fysieke onbesneden staat – deel aan het ‘ware’ Pesachmaal (!), en maken wij daarmee ook gelijk deel uit van het Vernieuwde Verbondsvolk en zijn wij geen vreemdelingen meer.

    Het is goed de Gezette Tijden van Abba Jahweh te onderhouden op een juiste wijze. Maar als toch tijdens de bekering tot Messias in fysiek onbesneden staat aangenomen is door het Pesachlam en toegevoegd werd tot het Verbondsvolk, zou men zich daarna dan nog laten besnijden? Daarmee zou men als het ware zeggen dat men nog een vreemdeling voor Gods volk zou zijn, die het teken van de Messiasbelofte aan Abraham van de Messias in zijn eigen vlees moet aanbrengen.

    Ik vind dit onlogisch, en ik durf het tegendeel te beweren.

    Waarom gelovigen uit de volkeren zich niet hoeven te besnijden, is wel een lering die in de Geschriften der Apostelen niet duidelijk wordt uitgewerkt. We zien weliswaar duidelijk beschreven dat de besnijdenis voor niet-Joden niet hoeft en afgeraden wordt, maar de diepere uitleg lijkt te ontbreken.
    Wellicht werd dit geleerd onder een geheimenis dat men ‘de besnijdenis van Christus’ noemde: ‘In Hem zijt gij ook met een besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is, besneden door het afleggen van het lichaam des vlezes, in de besnijdenis van Christus’ (Kol. 2:11).

    Het ‘onderwijs van de apostelen’, een term uit Handelingen, is iets waar we vaak nog te weinig op bedacht zijn. Hun onderwijs was baanbrekend.
    Zij brachten schatten voort uit beide verbonden en verbonden deze schatten met een voor ons te navolgen wijze na.

    Een voorbeeld – want Sjaoel vervult wel meer geboden uit de Tora – : de apostel zegt over het gebod voor de dorsende os dat dit geschreven is voor de vrijstelling van arbeid voor evangeliepredikers: ‘Bemoeit God Zich soms met de ossen?’, durft hij zo mooi te zeggen… (1 Kor. 9:9)
    De geroepen apostel verandert hier niet de Tora en voegt er niets aan toe, maar laat zien dat het principe van dit gebod voor hogere, latere doeleinden werd gegeven. Het is precies zo met veel andere geboden in de Tora, waaronder de besnijdenis voor vreemdelingen bij het Pesach.

    Nu zouden dorsende ossen nog steeds niet moeten worden gemuilband, maar de besnijdenis hoort, zoals hierboven beargumenteerd is, niet opnieuw te geschieden na toetreding tot het Vernieuwde Verbond, wanneer de Hogepriester Jesjoea ons al rechtvaardig verklaard heeft en wij toegevoegd zijn aan het Vernieuwde Verbondsvolk.

    De Tora is vernieuwd door Jesjoea zijn bloed en eigenlijk hoorde Juda als een volk dit verbond met God aan te gaan, zoals het eerdere.
    Toch geldt voor een Messiasbelijdende en niet-Messiasbelijdende Jood gelijk, dat hij zich dient te besnijden, tot in alle geslachten. Hierin ligt denk ik een diepere zin, dat God zich weer over hen zal ontfermen door deze belofte (en andere).

    Het duiden van hoe de Tora in deze tijd gehouden moet worden is in de eerste plaats een taak voor mensen die tot een bediening geroepen zijn en zeker ook voor de oudsten; zij moeten deze leringen in de juiste context plaatsen binnen de gemeente. Geen lichte taak, die alleen met nehulp van de Geest van de Heilige uitgevoerd kan worden.
    Het vers ‘waar twee of drie in mijn naam’ gaat juist hierover, zoals we weten.

    De Tora is dus meer fluïde dan we soms denken, al mag niet alles vergeestelijk worden.

    Jesjoea is wat Kol. 2:16 zo mooi zegt ‘het werkelijke’, dit doet nooit afbreuk aan de Tora (‘ontbindt’), maar laat voor veel geboden wel hun werkelijke bedoeling zien (‘vervult’).

    • 2 messianic613 September 12, 2013 at 4:58 pm

      Bedankt voor je reactie. Ik heb hieronder een antwoord gepoogd uit te werken dat ingaat op je belangrijkste punten. Het is wat aan de lange kant geworden en zowat een artikel op zichzelf. Dit is omdat er in je reactie veel interessante zaken aangeroerd worden.

      Zoals ik in het artikel al zei is geen enkele stellingname in de heikele besnijdeniskwestie helemaal zonder problemen. Dit neemt niet weg dat de ene stellingname meer problemen herbergt dan de andere. Ik hoop binnenkort eens uitvoerig en in een afzonderlijk artikel in te gaan op de betekenis van I Cor. 7:17-20. Dit is een belangrijke passage voor het verstaan van Paulus’ praktische visie op de Gemeente. Ik zou er in dit verband het volgende over willen zeggen.

      Indien het hier puur om de rituele handeling van de letterlijke besnijdenis volgens de Torah zou gaan, ontstaan er moeilijkheden voor wat betreft de innerlijke consistentie in wat Paulus beweert. Neem bijv. Timotheus, of het algemene voorbeeld van een Jood waarvan de besnijdenis niet op de 8ste dag is uitgevoerd. Als men deze verklaring van het vers volgt, dan zou Timotheus niet besneden moeten worden indien hij voordien tot geloof in Jesjoea is gekomen, en Paulus zou dus verkeerd gehandeld hebben door hem toch te besnijden.

      Paulus zegt in 7:19: “De besnijdenis is niets, en de voorhuid is niets, maar de onderhouding van G-ds geboden [is iets]” Het is het duidelijk dat de besnijdenis volgens de Torah één van G-ds geboden voor Israel is. Als de besnijdenis wordt uitgezonderd van G-ds geboden dan is in wezen de Torah voor ongeldig verklaard en zou de Schrift gebroken zijn (cf. Joh. 10:35). Een Apostel staat niet boven de Torah en heeft niet de bevoegdheid om een gebod van G-d buiten werking te stellen.

      Het kan hier dus niet om de kwestie gaan of de Torah geldig is voor het joodse volk. Dat is zij zondermeer. Er kan enkel aan de orde zijn of de Torah met haar geboden ook voor niet-Joden geldt. En wat dit betreft lijkt Paulus nu juist een universele en bevestigende uitspraak te doen als hij zegt dat de besnijdenis en de voorhuid niets zijn, dat wil zegggen geen waarde hebben, maar dat daarentegen de onderhouding van G-ds geboden wèl iets is en dus waarde heeft. De waarde van het doen van de geboden is kennelijk iets universeels, iets dat uitgaat boven het onderscheid van besnijdenis en voorhuid.

      Mocht dit zo zijn, dan slaan de termen ‘besnijdenis’ en ‘voorhuid’ hier niet zozeer op de toestanden van het al of niet letterlijk besneden zijn, maar veeleer op het al of niet joods zijn. Wat Paulus zegt zou dan geïnterpreteerd dienen te worden te worden als: Jood-zijn is niets en niet-Jood zijn is niets, maar het doen van G-ds geboden [is iets]. In deze interpretatie zijn Paulus’ waarschuwingen tegen de besnijdenis te verstaan als waarschuwigen tegen de farizees-rabbinale bekeringsprocedure. De betekenis zou dan zijn dat wanneer iemand als niet-Jood geroepen is, hij niet via de de rabbinale weg joods moet worden. Dit zou dan de besnijdenis volgens de Torah, die voor alle mannelijke leden van het verbond geldt, onverlet laten.

      I Cor. 7:18 zou dan in zijn geheel geïnterpreteerd moeten worden als: Is iemand als Jood geroepen [tot het geloof in Jesjoea], dan moet hij zijn Jood-zijn niet camoufleren [door het merkteken van de besnijdenis ongedaan te maken]; is iemand als niet-Jood [tot het geloof in Jesjoea] geroepen, dan moet hij zich niet [via de besnijdenis, wat in dit geval wil zeggen een rabbinale bekeringsprocedure] tot Jood laten verklaren.

      Deze interpretatie heeft het grote voordeel dat de besnijdenis zoals die als verbondsteken aan Abraham werd gegeven in Gen. XVII en in de wetgeving van Sinai is opgenomen (Lev. XII) haar gelding behoudt. Uit de bepalingen in Gen. 17:9-14 wordt namelijk duidelijk dat al de mannelijke leden in Abraham’s huishouding besneden moeten worden, waarbij het er niet toe doet of zij het letterlijk nageslacht van Abraham zijn. Zelfs de slaven moeten besneden worden. Er worden geen uitzonderingen toegelaten.

      Het zou zeer problematisch worden om enerzijds vol te houden dat de niet-joodse gelovigen Abrahams nageslacht zijn, zoals Paulus stelt in Gal. 3:29, terwijl anderzijds het besnijdenisgebod niet voor hen zou gelden. Dan zou het veel logischer te zijn te concluderen dat de niet-Joden zoiets als messiaanse Noachiden zijn, en dat zij een aparte groep vormen, buiten het verbond met Abraham om. Dit zou uiteraard weer op andere problemen zou stuiten, maar het zou de enige manier zijn om wat de besnijdenis betreft een uitzondering te maken.

      Na deze exegetische uitweidingen wil ik graag nog ingaan op de geestelijke overwegingen die je geeft om de besnijdenis op niet-Joden niet toe te passen. Een eerste probleem vind ik hier dat je gedachtengang in hoge mate speculatief is en nergens in de Schrift expliciet wordt aangetroffen. Er wordt in de Bijbel nergens beweerd dat met de (eerste) komst van de Messias de besnijdenis zijn doel bereikt heeft. Ook denk ik niet dat het juist is om te zeggen dat degene die zich laat besnijden als het ware zegt dat hij nog een vreemdeling is die het teken van de Messiasbelofte in zijn vlees moet aanbrengen. Abraham krijgt immers het besnijdenisgebod niet als vreemdeling maar als lid van het verbond. Abraham gaat het verbond binnen in Gen. XV. Als behorend tot dit verbond ontvangt hij het zegelteken van de besnijdenis in Gen. XVII. Hij wordt dus niet door de besnijdenis tot een lid van het verbond. Op vergelijkbare wijze wordt een gelovige uit de volken een lid van het verbond door zijn toebehoren aan Jesjoea. Pas als hij door het geloof een lid van het verbond is, gaan de verplichtingen van het verbond, inclusief de besnijdenis, voor hem gelden.

      Wat deze geestelijke betekenissen aangaat zou men eerder kunnen zeggen, meen ik, dat degene die weigert het teken van het verbond aan te brengen ook weigerachtig is wat betreft het verbond zelf. Wat zou men zeggen van iemand die belijdt gelovig te zijn maar weigert zich te laten dopen? Op vergelijkbare wijze: Wat te zeggen van iemand die beweert tot het verbond van Abraham te behoren maar weigert het verbondsteken aan te brengen? Het lijkt mij ook geheel en al inconsequent en ongeloofwaardig om wel het verbondsteken van het Sinai-verbond, de Sjabbat, in ere te houden en niet het verbondsteken van het Abrahamitische verbond, de besnijdenis. Want als er al een prioriteit in de verbonden is, dan worden de gelovigen in Jesjoea toch eerder in het verbond van de belofte — het verbond met Abraham — ingevoegd dan in het contractuele verbond van prestatie en contra-prestatie van de Sinai?

      Nog afgezien hiervan denk ik dat het niet opgaat om met een beroep op geestelijke betekenissen de letterlijke uitvoering van het gebod terzijde te stellen. De besnijdenis van het vlees wordt niet ongedaan of irrelevant gemaakt door de besnijdenis van het hart. De besnijdenis van het hart betekent immers juist de gewillige mentaliteit om G-d’s geboden uit te voeren, zoals ook blijkt uit de tekst over het Nieuwe Verbond in Jer. 31:33. En het lijkt mij gevaarlijk om met een beroep op een vervulling in de Messias de letterlijke besnijdenis voor onnodig of ongeldig te verklaren. Want dan zou zij ook niet langer nodig zijn voor Joden die in Jesjoea geloven.

      Daarbij komt dat een omduiding van het gebod vanuit een beroep op een vervulling of een diepere bedoeling ‘in de Messias’ niet beperkt kan blijven tot enkel de besnijdenis. Ook de letterlijke uitvoering van de Sjabbat moet verdwijnen als jouw redenering consequent wordt doorgevoerd. Vanuit de gedachte dat de Sabbatsrust een voorafschaduwing en teken is van de rust die wij hebben in de Messias, zou dan de letterlijke Sjabbat niet meer gehouden hoeven te worden. Je volgt wat dit betreft volkomen de redeneertrant die bij sommige Kerkvaders wordt aangetroffen in hun afwijzing van de Torah.

      Dat een gebod vanuit een later standpunt ook soms voor hogere doeleinden werd gegeven, zoals het voorbeeld van de dorsende os duidelijk maakt, neemt in het geheel niet de blijvende opdracht om het gebod letterlijk uit te voeren weg. De letterlijke uitvoering krijgt dan juist meer diepte, aangezien ze gaat participeren aan de geestelijke betekenis. Wie een dorsende os muilkorft overtreedt een gebod van de Torah, en deze overtreding wordt eerder zwaarder dan lichter als iemand de geestelijke betekenis van het gebod, waar Paulus op wijst, kent. Want hoe zal iemand die de ossen verwaarloost en slecht behandelt goed zijn voor de “dorsende ossen” die het evangelie verkondigen? (I Cor. 9:14). De gedachte is hier dat wie het kleine niet eert het grote niet weerd is. Paulus’ uitroep: “Zorgt ook G-d voor de ossen?” is dan ook niet bedoeld om dit te ontkennen, maar louter om te laten zien er meer aan de hand is. G-d zorgt wel voor de ossen, want hij zorgt voor alle levende wezens en geeft ons bijv. ook de opdracht om niet onnodig een vogelnest te verwoesten (Dt. 22:6-7). In deze dingen is echter tegelijkertijd iets diepers aan de orde. Dat is het punt. Echter, met een beroep op geestelijke diepte het letterlijke gebod of bepaalde details daarvan verwaarlozen of voor ongeldig verklaren is een valkuil waarin men niet moet trappen. Want dan loopt men ook de beloning voor deze soms kleine geboden mis. En de beloning voor een klein gebod kan soms groot zijn, zoals in het voorbeeld van het vogelnest. Aan de vervulling van dit gebod wordt dezelfde beloning toegevoegd als voor het gebod van het eren van de ouders (Ex. 20:12). Het zou overigens ook uiterst merkwaardig zijn dat de dieren beter af zouden zijn bij degenen die onder het Oude Verbond leefden dan bij hen die de besnijdenis van het hart hebben en tot het Nieuwe Verbond behoren.

      Weliswaar is de besnijdenis van de Messias, waardoor hij aan het Kruis uit dit leven is gegaan, en waardoor wij onze zondige toestand verlaten hebben (volgens Col. 2:11) een veel radicalere vorm van besnijdenis dan de rituele besnijdenis aan het mannelijk orgaan, maar opnieuw sluit de ene besnijdenis de andere niet uit. De rite van de gewone besnijdenis krijgt juist een grotere geestelijke diepte, doordat zij tot een teken wordt van het in en met de Messias uit dit leven gaan, met de bedoeling het onsterfelijke verrijzenisleven te verkrijgen.

      In verband met deze vergeestelijkingsproblematiek zeg je: “Het duiden van hoe de Tora in deze tijd gehouden moet worden is in de eerste plaats een taak voor mensen die tot een bediening geroepen zijn en zeker ook voor de oudsten; zij moeten deze leringen in de juiste context plaatsen binnen de gemeente. Geen lichte taak, die alleen met nehulp van de Geest van de Heilige uitgevoerd kan worden.”

      Ik meen dat je met het opleggen van zo een taak veel te veel vergt van oudsten en andere leiders en dat een dergelijke interpretatie van de Torah ook niet bedoeld is voor de halachische praktijk. Zo verhef je ongewild oudsten en opzieners in de Gemeente van de Messias tot een veel hogere autoriteit dan zelfs grote rabbijnen (poskiem) in het Orthodoxe Jodendom hebben. Want langs welke weg kunnen en moeten zij bepalen wat van de Torah letterlijk toegepast moet worden en wat niet? Wat je voorstelt brengt volgens mij geen eenduidige en duidelijke praktijk, maar integendeel allerlei subjectivisme en persoonlijke interpretatie, die geen vastheid geeft maar tot willekeur leidt.

      Dit antwoord, dat is gebaseerd op de tweede optie van mijn artikel hierboven, zal je misschien niet geheel en al bevallen en het is, geef ik toe, niet volstrekt zonder problemen, aangezien, zoals in het artikel werd aangetoond, geen enkele van de drie mogelijke opties helemaal voldoet. Het is denk ik echter wel het antwoord met de minste systematische problemen. Bij de eerste optie zijn deze systematische problemen het grootst, want onder die optie vervalt Torah-observantie voor niet-Joden en doet zich dus de vraag voor op welke wijze niet-joodse gelovigen in praktische zin participeren in het Lichaam van de Messias en een religieus kunnen leiden. Vanuit een noachidische positie is zo’n leven nauwelijks mogelijk. Ook bij de derde optie zijn er systematische problemen, want onder die optie is niet langer duidelijk welke Torah-geboden precies voor niet-Joden bedoeld zijn. Hier kan gemakkelijk een erosie optreden, waarbij het ene na het andere gebod feitelijk uitgehold of voor niet verplicht wordt gehouden. Als de besnijdenis van volwassen niet-joodse mannen niet verplicht is, waarom zou dan de besnijdenis van pasgeboren jongens wèl verplicht zijn? En vervolgens, wat doet men met het gebod van Pidjon HaBen? En met de traditie van Bar Mitzvah? Als de besnijdenis en een aantal daaraan gerelateerde geboden en observanties niet voor niet-Joden zijn, dan zal er geleidelijk aan een kloof ontstaan tussen Joden en niet-Joden in de Gemeente, en zal de tendens optreden om de onbesnedenen uit allerlei halachisch gevoelige functies, bijv. het officieel voorlezen uit de Torah-rol of de functies van Chazzan en voorganger, te weren. Daarbij komt dat deze derde optie op zekere wijze toegeeft aan de farizeïsche premisse dat men door de besnijdenis wordt geïncludeerd in Israel — althans in de wettelijke en nationale aspecten van het verbond.

  2. 3 Levi Zoutendijk September 13, 2013 at 10:28 am

    Sjalom Geert,

    Ik ben bezig met een reactie, goede Vasten!

  3. 4 Levi Zoutendijk September 16, 2013 at 5:34 pm

    Sjalom Geert,

    Het is altijd goed om in discussie te gaan. Je noemde je artikel slechts een verkenning, daarom gaf ik ook een korte reactie erop. Ook ik wil sommige dingen nog duidelijker verwoorden en trachten te bewijzen.

    Het lijkt mij nog steeds dat de besnijdenis als gebod een aparte positie lijkt te hebben als gebod van de vaderen, iets wat Jesjoea zoals gezegd kort aanstipte. De besnijdenis hoort bij de belofte aan Abraham en de Tora kwam erbij om deze belofte veilig te stellen. Toen het zaad Jesjoea kwam (Galaten 3:16) werd de belofte (deels) vervuld en werd het verbond vernieuwd. Dit kan de besnijdenis dus wel een andere invulling geven, zonder de Tora te verbreken.

    De Tora is voor eeuwig, maar dit woord olam werd nooit letterlijk genomen. Zoals we weten leert Juda dat wanneer Messias de Tora zal doen uitgaan, die een ‘nieuwe’ Tora is (Jes. 2:3). Nu het Koninkrijk Gods reeds in onze harten woont, kan het volgens mij zo zijn dat al een deel van die nieuwe Tora voor ons geldt. Dit geldt voor de besnijdenis net zo goed als bij de offerdienst.

    Dat wij Abraham’s nageslacht zijn, betekent dan niet dat wij daarom besneden hoeven te worden.

    Ook lijk je de punten waarop ik mij indekte, zoals dat de uitleg niet vergeestelijkt mag worden, toch wat aan te vallen, hetgeen volgens mij wat overdreven is. Maar ik zal eerst telkens ingaan op het geschrevene.

    1) 1 Kor. 7 wordt door Sjaoel in algemene zin geschreven, voor alle gemeentes en moet dus echt over de besnijdenis van Mozes gaan: “Alleen, laat ieder zo leven, als de Here hem toebedeeld heeft, zo, als God hem geroepen heeft. Zo schrijf ik het in alle gemeenten voor. Is iemand als besnedene geroepen…”.

    Het gaat hier dus wel om de letterlijke besnijdenis.

    Je betrekt ook Timoteüs hierbij, als zijnde een Jood die nog besneden moest worden. Ik denk dat we juist aan hem kunnen zien dat de besnijdenis niet gold voor gelovigen uit de volkeren. Zijn vader was Grieks en volgens de Tora ben je dan een niet-Jood. Maar omdat Joden minder snel het Evangelie van een onbesnedene wilden vernemen, wordt Timoteüs zoals Sjaoel zegt ‘voor de Joden een Jood’. We lezen immers dat Sjaoel het ter wille van de Joden deed. Had Sjaoel het ter wille van God gedaan, dan had hij er immers niet zo lang mee gewacht.

    Je schrijft: ‘Als de besnijdenis wordt uitgezonderd van G-ds geboden dan is in wezen de Torah voor ongeldig verklaard en zou de Schrift gebroken zijn’. Ik denk dat de besnijdenis van de vreemdeling dus nauw samenhing met het Pesach, die Jesjoea vervulde, waardoor dit gebod zijn werkelijke invulling krijgt, zonder daarmee de Tora te ontbinden.

    Je noemt verder Titus niet. Die werd (zeker) als Griek niet gedwongen zich te laten besnijden.. Titus blijft, al gelooft hij in Jesjoea, zo onbesneden als wat. Dit bewijst toch zeker dat gelovigen uit de volkeren zich niet hoeven te besnijden, of heb jij een andere verklaring?
    Sjaoel verbood het bij Titus met een reden, maar de apostel zou niet tegen God ingaan: ‘Maar zelfs Titus, die bij mij was, werd, ofschoon hij een Griek was, toch niet gedwongen zich te laten besnijden; en dat met het oog op de binnengedrongen valse broeders, lieden, die waren binnengeslopen, om onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, te bespieden, en zo ons tot slavernij te brengen.’

    Ook hier geldt, dat Sjaoel hem al veel eerder had besneden, nog voor deze controverse waarbij valse lieden een les moesten leren, als de apostel werkelijk dacht dat dit de besnijdenis van Titus door God verlangd werd.

    2) Je schrijft: ‘En wat dit betreft lijkt Paulus nu juist een universele en bevestigende uitspraak te doen als hij zegt dat de besnijdenis en de voorhuid niets zijn, dat wil zegggen geen waarde hebben, maar dat daarentegen de onderhouding van G-ds geboden wèl iets is en dus waarde heeft. De waarde van het doen van de geboden is kennelijk iets universeels, iets dat uitgaat boven het onderscheid van besnijdenis en voorhuid.’

    Je beargumenteert kort dat het hier vooral over de farizees-rabbinale bekeringsprocedure gaat. Ik ben hier nog niet van overtuigd, maar ik wacht je artikel af.

    3) U schrijft nog: ‘Een eerste probleem vind ik hier dat je gedachtengang in hoge mate speculatief is en nergens in de Schrift expliciet wordt aangetroffen. Er wordt in de Bijbel nergens beweerd dat met de (eerste) komst van de Messias de besnijdenis zijn doel bereikt heeft.’

    Ik geef in mijn reacties enkele sleutels weer die mij hebben geholpen mijn overtuiging te vormen, inderdaad zonder dit gelijk helemaal hard te maken. Dit kwam dus omdat je eigen artikel een verkenning is, en ik over het onderwerp ook een artikel wil schrijven.

    In het onderstaande lijkt Sjaoel mij overigens niet speculatief:
    “In hem bent u ook besneden, niet door mensenhanden, maar met de besnijdenis van Christus, door het afleggen van het aardse lichaam. Toen u gedoopt werd bent u immers met hem begraven, en met hem bent u ook tot leven gewekt, omdat u gelooft in de kracht van God die hem uit de dood heeft opgewekt.” (Kol 2:11-12)

    De besnijdenis is een zegelteken voor Abraham, maar voor ons is dit wellicht de doop (met de Heilige Geest), die ook een verzegeling van de belofte in Messias wordt genoemd (Ef. 1:13).

    4) Je schrijft: ‘En het lijkt mij gevaarlijk om met een beroep op een vervulling in de Messias de letterlijke besnijdenis voor onnodig of ongeldig te verklaren. Want dan zou zij ook niet langer nodig zijn voor Joden die in Jesjoea geloven.’

    Ik denk dat de verbondsvernieuwing in Jesjoea’s bloed het verbond met Abraham zijn nageslacht nog niet helemaal vervulde. Jesjoea moet nog terugkomen om de zonde van Juda weg te nemen, en daarom moet Juda zich o.a. nog besnijden, om als volk door de heilsgeschiedenis heen verder te trekken.

    5) Je schrijft: ‘Daarbij komt dat een omduiding van het gebod vanuit een beroep op een vervulling of een diepere bedoeling ‘in de Messias’ niet beperkt kan blijven tot enkel de besnijdenis.’
    Dit geldt alleen als de besnijdenis niet een heel eigen positie heeft, zoals ik hiervoor heb proberen te schetsen.

    Dat de dorsende os nog steeds niet gemuilkorfd wordt, daar wees ik al op. Dit kan geldt alleen dus niet voor bijvoorbeeld de offerdienst, die volgens Hebreeën nu ook tot het hemelse is verheven en volgens Ezechiël ook veranderd in de Vrederijkstempel.

    6) Over de duiding van de Tora voor leraren, oudsten: Ik denk toch dat dit de bedoeling is. Aan Timoteüs schrijft Sjaoel dat sommige leraren der wet (van de Tora) willen zijn, zonder te weten waarover zij spreken. Helaas zal dit ook wel in deze tijd de uitkomst zijn van het laten ontbinden en binden door oudsten, maar dit is toch wat Jesjoea verlangd (op een wettige wijze). Wij moeten oordelen met een rechtvaardig oordeel, zegt Jesjoea. Hoe kan met zonder rechtspraak, zonder interpretatie van de Tora? Wie zou het dan volgens u deze vragen moeten aanpakken?

    De kloof die volgens u zou ontstaan tussen besneden Messiaanse Joden en onbesneden gelovigen uit de volkeren, hoeft volgens mij niet te ontstaan. Ik meen dat Sjaoel zich hier juist hard voor maakte.

    Misschien heb ik sommige dingen nog niet helemaal helder,
    ik blijf het onderzoeken. Ik geloof wel in een sluitende waarheid.

    Sjalom

    • 5 Brian V. May 17, 2015 at 8:17 pm

      Shalom,

      Levi ik heb op jouw site hier al een vraag over gesteld. Toch zit ik bv nog met de profetie van Ezechiel dat, in de woorden van YHWH, geen onbesnedene van Hart EN onbesnedene van vlees de Nieuwe tempel/ hof mag betreden.

      En besneden van hart (en oor) over gehoorzaamheid gaat.

      Nu het volgende citaat van jou:
      ‘Zijn vader was Grieks en volgens de Tora ben je dan een niet-Jood. Maar omdat Joden minder snel het Evangelie van een onbesnedene wilden vernemen, wordt Timoteüs zoals Sjaoel zegt ‘voor de Joden een Jood’.

      ‘Je noemt verder Titus niet. Die werd (zeker) als Griek niet gedwongen zich te laten besnijden.. Titus blijft, al gelooft hij in Jesjoea, zo onbesneden als wat. Dit bewijst toch zeker dat gelovigen uit de volkeren zich niet hoeven te besnijden, of heb jij een andere verklaring?’

      Volgens de Tora is Timoteus OOK een Griek, net als Titus.

      Is Paulus dus tegenstrijdig in zijn eigen leer? Of wordt er aan invulkunde gedaan?

      Indien gij u laat besnijden zal Christus u niet nut zijn; Schrijft hij in de Galatenbrief.

      Nou Timoteus, heeft Paulus je daar niks over gezegd? En dat omwille van de Joden nog wel.. Of is de keuze aan Titus gelaten ipv onder dwang.

    • 6 Levi Zoutendijk May 18, 2015 at 6:09 am

      Ik reageer hier op eigen titel. Dit is dus geen reactie van Messianic613.

      Brian, Ik begrijp dat Paulus’ gedrag dubbelzinnig overkomt bij de twee verschillende broeders. Het citaat dat besnijdenis je geen nut doet staat dan ook vooral in verband (het traditioneel Joodse) wetticisme: besnijdenis was hier slechts een voorpost van, eigenlijk zei je ermee dat je alle mondelinge geboden zou gaan houden.
      Dat moet je als christen nooit doen en besnijden op zich mag bij zwaarwegende overwegingen, zoals bij Timotheüs. Zo zie ik het. Misschien kan Messianic613 nog reageren. Werner Stauder schreef hier ook over.

      In de toekomstige tempel komen alleen de zonen van Sadok en mogen andere Levieten er geen dienst doen, omdat er vroeger onbesneden in kwamen. In die zin komen er geen onbesnedenen meer. Wij zijn in die tijd als als Messias en hebben een geestelijk lichaam, waarbij er geen sprake is van (on)besnedenheid.
      Ik geloof dus dat in de nieuwe, aardse tempel in het Duizendjarig vrederijk alleen bepaalde Levieten dienst doen, omdat God dit hen beloofde (zie ook einde van Maleachi). Dit zegt dus niets over heidenen, want die mogen er sowieso niet in, besneden of niet, begrjip je?
      Ik schreef hierover in ‘Levieten in de vrederijkstempel’.

      Sjalom

  4. 7 Wiljo November 3, 2015 at 7:08 am

    Psalms 119:130
    Het opengaan van Uw woorden geeft licht, het schenkt eenvoudigen inzicht.

    Ik geloof dat ik ook behoor tot de categorie van de eenvoudigen, daarom mijn vraag, is het mogelijk, beste Levi of Geert om bovenstaande op een eenvoudige manier te vertellen.

    Na jaren in een evangelische gemeente te hebben gediend, begon in het hart van mijn vrouw en mij de liefde voor Israël te groeien, dit heeft ons doen besluiten om op zoek te gaan naar een messiaanse gemeente. Die hebben we gevonden, zeer liefdevol, goed onderwijs we voelen(den) ons daar op onze plek. Tot onlangs een aantal nieuwe regels bekend werden gemaakt. Een daarvan is, dat vanaf nu geldt dat onbesnedenen niet meer deel mogen nemen aan de Seider viering.

    Op diverse manieren probeert men mij uit te leggen waarom ik mij als gelovige uit de heidenen toch ook nog moet laten besnijden. Ik ben tot nog toe hier niet van overtuigd, maar ben het wel serieus aan het onderzoeken, nogmaals ik ben geen intellectueel maar een eenvoudige, oprecht gelovige in Yeshua.
    Zoals ik het nu zie is Paulus glashelder in zijn uitleg, als ik dit aanhaal, wordt er gezegd, ja maar Paulus is moeilijk te begrijpen en je moet dat dieper zien en hij kan zichzelf niet tegenspreken en zo. Ik geloof dat wel maar toch zegt hij dat een gelovige uit de volken zich niet moet laten besnijden.

    Als onbesnedene mag ik nu dus niet meer bij de Seider viering zijn, maar ik wil de onderlinge samenkomsten niet verzuimen, of is dit te simpel gedacht. Hoe moet ik dit doen want mijn vrouw wil heel graag aan deze viering deelnemen, ik ook trouwens. Moet ik haar dan naar de samenkomst brengen en voor in garderobe wachten tot het afgelopen is.

    Ik hoop dat u op een eenvoudige manier in kunt gaan op mijn vraag, dit zal mij zeker helpen in mijn zoektocht en worsteling.

    Hartgroet

    Wiljo

    • 8 Messianic613 November 4, 2015 at 5:56 pm

      Geachte broeder Wiljo,

      Zoals uit het bovenstaande artikel blijkt is de besnijdenis van niet-Joden in de Gemeente van Jesjoea een moeilijk en misschien onoplosbaar probleem. Ik zal daarom pogen een antwoord op uw vraag te geven dat niet afhankelijk is van de oplossing van dit probleem. Dit antwoord kan echter helaas niet eenvoudig of kort en bondig zijn. Daarvoor is de zaak waarom het gaat te veelomvattend en te ingewikkeld. Als eerste stap naar een antwoord moeten we teruggaan naar de vraag naar de wettelijke of halachische status van de huidige Pesach Seider.

      In Ex. 12:48 wordt gesteld dat een onbesnedene niet van het Paaslam mag eten. Sommige messiaanse gemeenten leiden hieruit af dat een onbesnedene niet mag deelnemen aan de Seider. We moeten echter goed in de gaten houden dat het eten van het Paaslam volgens de bijbelse inzetting heel iets anders is dan het deelnemen aan de Seider in zijn tegenwoordige vorm.

      Volgens de bijbelse inzetting moet het Paaslam in de Tempel worden geslacht en daarna worden gegeten binnen de grenzen van de stad Jeruzalem in een toestand van rituele reinheid. Dit is de bijbelse Seider en voor die Seider geldt het voorschrift dat geen onbesnedene van het Paaslam mag eten.

      Hieruit volgt dat de Seider zoals wij die nu houden geen bijbelse status heeft. Het uitvoeren van de bijbelse voorschriften voor de Seider is nu niet mogelijk omdat er geen Tempel en geen Paaslam is. Het voorschrift van Ex. 12:48 geldt dus eenvoudigweg niet voor onze tegenwoordige Seider. Onze Seider is een viering volgens rabbinale voorschriften en tradities waar de Apostelen zich bij hebben aangesloten (cf. I Cor. 5:8). Hier geldt geen verbod op deelname van onbesnedenen: geen bijbels en geen rabbinaal verbod.

      Uit uw vraag blijkt voorts dat uw messiaanse gemeente de Seider opvat als een gemeentelijke viering met bepaalde toelatingseisen. Deze opvatting is onjuist. De Seider is een huiselijke viering waarvoor geen bijzondere toelatingseisen gelden. Dit wil niet zeggen dat er geen gemeentelijke Seider georganiseerd mag worden. Deze mag evenwel niet worden aangemerkt als een verplichte gemeentelijke bijeenkomst. Iedereen is vrij om de Seider thuis met zijn familie te vieren. Wie dit doet heeft aan zijn wettelijke verplichting voldaan. Een gemeentelijke viering is dus helemaal niet nodig.

      Er is hier waarschijnlijk sprake van de veel voorkomende verwarring tussen de Maaltijd van Jesjoea en de Pesach Seider. Deze zijn niet hetzelfde. De Maaltijd van Jesjoea is een gemeentelijke viering waarvoor geestelijke en morele toelatingseisen gelden. Deze Maaltijd — ook het Heilig Avondmaal genoemd — is alleen voor gedoopte gelovigen die niet in openbare zonde leven. De Seider is echter een familieviering waarvoor deze toelatingseisen niet gelden. De nog ongedoopte kinderen van gelovigen bijvoorbeeld mogen niet deelnemen aan de Maaltijd van Jesjoea terwijl ze wel mogen aanzitten aan de Seider. De enigen die men niet aan de familie Seider zou moeten uitnodigen zijn gedoopte, volwassen gelovigen die formeel geëxcommuniceerd ofwel zijn gestraft met uitsluiting. Dit is omdat men met een uitgeslotene niet mag eten.

      Als ik de stellingname van uw gemeente goed begrijp, lees ik eruit af dat men uw vrouw wel toelaat tot de Seider, omdat vrouwen nu eenmaal niet besneden worden. Hier is echter opnieuw sprake van een verwarring. Bij de toelating van vreemdelingen volgens Ex. 12:48 is het niet zo dat mannen eerst besneden moeten worden om van het Paaslam te kunnen eten en dat vrouwen zondermeer toegelaten worden. Het gaat hier om de wettelijke invoeging in Israel van families van vreemdelingen. Een vrouw in zo’n familie is in de regel ofwel echtgenote, ofwel dochter, ofwel slavin van het familiehoofd. Volgens de Torah hebben vrouwen in de regel geen zelfstandige status. Hun toelating tot Israel en tot het vieren van de Seider is dus afhankelijk van de toelating van hun man, vader, of eigenaar.

      Wanneer een niet-Israelitische man in bijbelse tijden in het volk Israel werd opgenomen en werd besneden, hield dit vanzelf in dat daarmee ook zijn vrouw werd opgenomen. Een getrouwde vrouw kon echter niet in Israel worden ingevoegd zonder haar man, en netzomin een nog thuiswonende dochter zonder haar vader. De overgang van het familiehoofd was beslissend en hield de verplichte overgang in van iedereen die tot zijn huishouden behoorde. Dit is in wezen nog steeds zo bij een rabbinale overgang tot het Jodendom. Kinderen boven de leeftijd van Bar- of Bat-Mitzvah beslissen zelf. Echtgenoten kunnen alleen samen tot het Jodendom overgaan.

      Als uw gemeente dus de regeling van Ex. 12:48 toepast op de tegenwoordige Seider, en de besnijdenis vereist om aan de Seider te kunnen deelnemen, dan kan volgens die regeling ook uw vrouw niet deelnemen aan de Seider zolang u niet besneden bent. Bent u eenmaal besneden dan is daardoor ook uw vrouw toegelaten. Zoals ik hierboven heb uitgelegd, is Ex. 12:48 echter op de tegenwoordige Seider helemaal niet van toepassing.

      Met het voorafgaande is echter nog niet alles gezegd. Want de besnijdenis heeft niet alleen te maken met de Pesach Seider, maar is een gebod op zichzelf volgens Gen. 17:9-14 en Lev. 12:3. Hiermee komen we terug op het probleem of de besnijdenis ook voor niet-Joden geldt.

      Als uw plaatselijke gemeente ervan overtuigd is dat de besnijdenis ook voor niet-Joden geldt, dan moet zij in deze overtuiging natuurlijk consequent zijn, en ook de straf opleggen die aan het verwaarlozen van dit gebod verbonden is. De bijbelse straf voor het niet uitvoeren van de besnijdenis is uitroeiing, wat in onze tijd neerkomt of excommunicatie ofwel uitsluiting. Dit is dezelfde straf die staat op zonden zoals moord en hoererij. Iemand die van buitenaf bij de Gemeente van Jesjoea is gekomen en niet als kind besneden werd, moet dan alsnog besneden worden. Wil hij dit niet, dan moet hij buitengesloten worden — althans naar de consequenties van deze overtuiging.

      Als het zo zou zijn dat niet-Joden in de Gemeente besneden moeten worden, dan geldt deze eis tot besnijdenis onafhankelijk van de questie van deelname aan de Pesach Seider. Als de besnijdenis verplicht is voor iedere man in de Gemeente dan volgt logischerwijze ook dat een onbesnedene bijvoorbeeld niet kan deelnemen aan de Maaltijd van Jesjoea en dus helemaal niet werkelijk en volwaardig lid kan zijn van de Gemeente. En om die reden dus ook niet kan deelnemen aan een gemeentelijke Pesach Seider. Want iemand die onbesneden is en in die toestand blijft, leeft volgens deze overtuiging in ernstige zonde, en moet dus buitengesloten worden. De reden waarom zo iemand in dat geval niet tot de Seider toegelaten kan worden is dat men niet met een buitengeslotene mag eten.

      Het is echter, zoals ik in het artikel heb uiteengezet, uiterst moeilijk om de vraag te beslechten of de besnijdenis voor niet-Joden in de Gemeente inderdaad verplichtend is. Het lijkt mij daarom het beste om wegens de onbeslisbaarheid van deze vraag hier als plaatselijke gemeente geen praktische gevolgen aan te verbinden en de zaak maar te laten voor wat zij is, namelijk een onbeslisbare questie, ook al is dit op zichzelf geen bevredigende oplossing.

      Samenvattend:
      Aan een gemeentelijke Pesach Seider mag iedereen deelnemen, behalve degenen die formeel onder excommunicatie zijn. Niemand is echter verplicht hieraan deel te nemen, daar de Seider in beginsel een huiselijke, niet een gemeentelijke, aangelegenheid is. Aan de tegenwoordige Seider is niet de eis van de besnijdenis verbonden. Deze eis geldt alleen voor de bijbelse Seider met een Paaslam.

      De questie van de besnijdenis van niet-Joden is (vooralsnog) onbeslisbaar en moet dus aan het individuele geweten overgelaten worden. Mocht het in de toekomst duidelijk worden dat deze besnijdenis inderdaad bijbels verplichtend is, dan zouden degenen die zich dan niet willen laten besnijden buiten de Gemeente gesloten moeten worden. Zolang deze duidelijkheid er echter niet is, en er dus niets beslist kan worden, doet men er het beste aan de besnijdenis van niet-Joden over te laten aan het individuele geweten.

      Ik hoop dat u iets aan dit antwoord hebt. Mochten er nog vervolgvragen zijn, dan kunt u deze gerust stellen.

      Met een hartelijke groet, in Jesjoea,
      Geert ter Horst
      (Messianic613)


Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s





%d bloggers like this: