Archive for November, 2013

Bijbelse Paradoxen (Deel III): Rituele versus Morele Onreinheid

 

[Dit is het derde uit een serie artikelen waarin een aantal schijnbare tegenspraken ofwel paradoxen in de Bijbel worden behandeld.]

Traditionele Handenwasbeker

Traditionele Handenwasbeker

Inleiding en Paradox

Op basis van de onderstaande tekst uit het Evangelie van Markus wordt veelal aangenomen dat Jesjoea alle spijswetten overbodig achtte. Deze interpretatie brengt echter een aantal serieuze bezwaren met zich mee:

Mark. 7:18-19 (SV, 1977)18
En hij zeide tot hen: zijt ook gij alzo onwetende? Verstaat gij niet, dat al wat van buiten in de mens ingaat, hem niet kan verontreinigen.
19 Want het gaat niet in zijn hart, maar in de buik, en gaat in de heimelijkheid uit, reinigende al de spijzen.

A)  In de Evangeliën geeft Jesjoea duidelijk aan dat Hij niet gekomen is om de Wet [1] buiten werking te stellen. De spijswetten zijn onlosmakelijk verbonden met de Wet. Vanuit de historische situatie is het ondenkbaar dat Jesjoea de spijswetten niet in acht zou nemen, of zijn volgelingen zou aansporen tot ongehoorzaamheid hieraan. De gevolgen zouden niet te overzien zijn geweest. Ook vanuit theologisch oogpunt is dit niet aannemelijk te maken. Jesjoea zou dan, evenals Adam ongehoorzaam zijn geweest, en een zondaar [2] zijn geworden met als consequentie dat zijn missie zou zijn mislukt.

B)  Ook later, in het visioen van Petrus, [3] blijkt duidelijk dat de spijswetten, na de opstanding van Jesjoea, nog steeds van kracht waren. Tot driemaal toe zegt Petrus: “…ik heb nooit gegeten iets, dat onheilig of onrein was…” In dit visioen gaat het overigens niet over de het al of niet onheilig of onrein zijn van voedsel, maar om de omgang met niet-Joden. De niet-Joden, in dit geval Cornelius en zijn gezin, werden als onrein beschouwd en de omgang hiermee werd in z’n algemeenheid vermeden.

C) In de brief aan de Romeinen [4] pleit Paulus voor een acceptatie van de joodse gelovigen met hun gebruiken. Paulus probeert een klimaat te creëren waardoor Joden en niet-Joden in gemeenschap met elkaar kunnen leven. Niet door de spijswetten af te schaffen, maar door: Enerzijds de strikte scheiding tussen beide groepen, opgelegd door de inzettingen der ouden en de mondeling overgedragen traditie als onjuist te bestempelen. Anderzijds door rekening met elkaar te houden betreffende de geschiktheid van het voedsel, met name het vlees, om het hogere doel niet in gevaar te brengen.

Dit hogere doel betrof de vorming en instandhouding van de Gemeente van de Messias. Op beide groeperingen, Joden en niet-Joden, wordt dus een beroep gedaan om de eenheid te bewaren. Paulus verwerpt hier geen reinheids- of spijswetten, maar creëert er juist ruimte voor. Dit alles zonder de Wet geweld aan te doen.

D) Dit is in lijn met wat Paulus de Korinthiërs voorhoudt [5]. Ook hier benadrukt Paulus om de eenheid in de Gemeente van de Messias te bewaren. Er wordt met nadruk opgewezen dat het niet-joodse deel zich van de afgodendienst afzijdig dient te houden. Met name het zogenoemde offervlees zou een splijtzwam zou kunnen worden in  de Gemeente. Dit komt overeen met wat er werd afgesproken op het Apostelconvent te Jeruzalem waarbij, i.v.m. met ons onderwerp, het niet-joodse deel wordt opgeroepen zich af te houden van de afgodendienst en het verstikte.

Ook  hier wordt dus niet gesproken over het afschaffen van de spijswetten. Het Apostelconvent pleit eerder voor het tegenovergestelde. Er wordt juist aandacht gevraagd voor de fundamentele beginselen van de spijswetten opdat beide groepen naar elkaar toe zullen groeien en een eenheid zullen vormen.

In het algemeen wordt binnen het Christendom aangenomen dat Jesjoea zich tegen de “beknellende” Wet keerde en het wellicht niet zo nauw nam met de daarin genoemde voorschriften. Dit zou blijken uit de diverse discussies en confrontaties met de Schriftgeleerden, Farizeeën en Sadduceeën. In het Nieuwe Testament komen we een aantal citaten tegen van Jesjoea zelf die hier niet mee in overeenstemming zijn. Hieruit blijkt dat Jesjoea zich aan de Wet hield op allerlei terreinen, zoals: de sabbat [6] huwelijk en echtscheiding [7] en omgang met niet-Joden [8]. Hoewel er verschil van inzicht was betreffende de inzettingen der ouden en de mondeling overgedragen tradities m.b.t. tot de Wet, moeten de Farizeeën  diverse malen erkennen dat ze geen kwaad in hem konden vinden [9].

Het voorafgaande betekent dat we voor een ernstige moeilijkheid komen te staan indien we uit Mk. 7:15 zouden concluderen dat Jesjoea de spijswetten zou hebben afgeschaft of voor ongeldig verklaard. Indien Jesjoea zich enerzijds op de Wet zou beroepen om bepaalde tradities te bekritiseren of te relativeren (Mk. 7:8-13), en anderzijds (bepaalde gedeelten van) de Wet buiten werking zou stellen, dan zou hij zich verstrikken in een tegenstrijdigheid. De hier dreigende tegenstrijdigheid is zelf een aanwijzing dat Mk. 7:15 om een andere dan de gebruikelijke uitleg vraagt.

Om uit deze patstelling te komen is het noodzakelijk een poging te ondernemen om de bovengenoemde teksten uit het Nieuwe Testament (Mk. 7:1-23 en Mt. 15:1-20) in de joods historische context van de eerste eeuw te plaatsen. Vervolgens kunnen we de teksten opnieuw gaan bestuderen en interpreteren.

De Spijswetten

De basis voor de bijbelse spijswetten, (hebr. kashrut), zoals we die nu kennen, zijn neergeschreven in Leviticus [10] en Deuteronomium [11] . Hierbij wordt een scheiding aangebracht tussen reine en onreine dieren. Deze scheiding werd al meegegeven aan Noach [12]. De primaire reden die voor deze scheiding wordt genoemd is: heiliging [13]. Het volk Israël is immers het heilige en toegewijde volk van God. Het diende zich afgescheiden te houden van de volkeren om hen heen. De spijswetten geven hier mede een praktische invulling aan. Hierdoor werd de kans op assimilatie beperkt. In het OT wordt voor deze assimilatie ernstig gewaarschuwd [14].

De praktische consequenties van deze heiliging, komen we weer tegen in het NT wanneer in de eerste eeuw de Gemeente van de Messias wordt gevormd bestaande Joden en individuen uit de omringende volkeren, aangeduid als: niet-Joden. In de inleiding, zie sectie B, C en D, hebben we hier al de nodige voorbeelden van besproken. In de volgende paragrafen  zullen we hier wat dieper in gaan.

De Begrippen Rein en Onrein

In de bijbel komen de begrippen rein (hebr. tahor) en onrein (hebr. tamei) regelmatig voor. Een voorwerp, een dier of een persoon kan rein of onrein zijn. Hiermee wordt de rituele status, zoals gedefinieerd in de Wet, aangegeven. De status rein of onrein is niet gerelateerd aan een bepaalde vorm van hygiëne en duidt ook niet op een morele waarde. Soms worden rein en onrein gebruikt als metafoor om een bepaalde morele status aan te duiden. Binnen het kader van de Wet is het strikt genomen een natuurlijke status. Hier een voorbeeld ter verduidelijking: Als een persoon in contact komt met een dode, bij het overlijden van een familielid, dan wordt de persoon tamei. Ook alle voorwerpen die door de persoon worden aangeraakt kunnen tamei worden [15]. De status van het ‘onrein zijn’ beslaat een periode van zeven dagen. Ook het eten wordt, gedurende deze periode, door aanraking tamei. Het is belangrijk om in deze periode geen heilige voorwerpen i.v.m. de Tempeldienst te verontreinigen [16]. Een persoon diende dan ook eerst gereinigd te worden om het (omsloten) gebied van de Tempel binnen te gaan.

De tegenstelling rein-onrein lijkt te maken hebben met de tegenstelling leven-dood. De primaire vorm van onreinheid is de onreinheid van een dode. De andere vormen van onreinheid lijken min of meer van deze primaire vorm afgeleid. Deze zijn de onreinheid van dierlijke carcassen, de menstruatie, sexuele gemeenschap, de onreinheid van de moeder bij de geboorte van een kind, en de onreinheid van de melaatsheid. Bij al deze vormen speelt de aanwezigheid van de dood een rol. Bij dierlijke carcassen is dit onmiddellijk duidelijk. Melaatsheid is een dodelijke ziekte, dus iets dat direct leidt tot de dood. De andere vormen van onreinheid zijn zwakkere vormen van de aanwezigheid van de dood, en lijken te maken te hebben met de overgang van (mogelijk) leven naar niet-leven of omgekeerd. Deze overgangen worden aldus in verband gebracht met de dood en drukken dus altijd uit een bepaalde mate van bedreiging van het leven.

De Begrippen Kosjer en Treife

Zoals reeds min of meer gemeld is, in de paragraaf over de spijswetten, is er qua voedsel een eenvoudige tweedeling te maken: voedsel dat toegestaan is om te eten (kosjer) en voedsel dat verboden is om te eten (treife). Het hebreeuwse woord ‘kosjer’ betekent letterlijk: geschikt of toegestaan. Dit houdt in dat het voedsel afkomstig van planten of geoorloofde dieren, mits deze op een bepaalde manier bereid worden volgens de regels van de joodse religie, geschikt zijn voor consumptie.

De begrippen tahor (rein) en tamei (onrein) hebben een bredere betekenis dan de begrippen kosjer en treife. Deze laatste hebben uitsluitend betrekking op voedsel. Het verband tussen kosjer versus tahor én lo-kosjer versus tamei zullen we aan de hand van enkele voorbeelden verduidelijken.

Sommige diersoorten, zoals vermeld in Leviticus en Deuteronomium, worden intrinsiek als tamei (onrein) bestempeld en zijn tevens niet geschikt voor consumptie, afgezien van de wijze waarop het bereid is. Maar dit betekent niet dat alles wat tamei is treife zou zijn. Een voorbeeld: Een rund is intrinsiek tahor. Wanneer een persoon tamei is geworden door aanraking van een dode, en vervolgens kosjer vlees aanraakt heeft dit tot gevolg dat het vlees tamei wordt. Het vlees blijft echter wel kosjer. Een ander voorbeeld: Een dier dat intrinsiek kosjer en tahor is kan treife worden wanneer het op onjuiste wijze wordt geslacht, of tamei wanneer het een natuurlijke dood sterft.

De Historische Context

Voordat we beginnen met de analyse van de tekst is het noodzakelijk informatie te hebben omtrent de historische situatie. In de tijd van de Evangeliën waren zaken als tahor versus tamei en kosjer versus treife in verband met de Tempel relevant voor het dagelijks leven. Het verontreinigen van heilige voorwerpen was een grote zonde. Om dit te voorkomen waren er verplichte praktijken van reiniging, zoals de hierboven vermelde reinigingsprocedure van de as van de rode koe voor de onreinheid van een dode. Bij genezing van melaatsheid moest ook een bepaalde reinigingsprocedure gevolgd worden. De andere vormen van onreinheid werden gereinigd door het rituele bad (hebr. mikwe). Deze laatste reinigingsprocedure is niet alleen van belang in verband met de Tempel maar ook voor het dagelijks leven. Volgens de Wet mag bijvoorbeeld geen sexuele gemeenschap plaatsvinden tijdens de menstruatie en moet de menstruatieperiode officieel afgesloten worden met een reinigingsbad na de zevende dag. Deze reinigingsprocedure wordt nog steeds toegepast.

De priesters in de Tempel moesten ook voortdurend de handen reinigen in het koperen wasvat in de voorhof. Hiervan afgeleid hebben de Farizeen een reiniging van de handen (netilat yadayim) ingesteld voor lichtere vormen van onreinheid.

Uit de tekst van het Markus Evangelie blijkt dat de handwassing een algemeen gebruik was: “…Want de Farizeeën en al de Joden eten niet, tenzij dat zij eerst de handen dikwijls wassen, houdende de inzetting der ouden…” De Farizeeën waren dan ook verbaasd en geschokt dat sommige leerlingen van Jesjoea met ongewassen handen brood aten. De tekst geeft niet aan waarom sommige discipelen dit niet deden. Mogelijke oorzaken kunnen zijn: Deze discipelen behoorden niet tot de twaalven en waren niet goed op de hoogte van deze praktijk. De handwassing zou een niet-verplicht karakter kunnen hebben. Een andere oorzaak zou kunnen zijn gelegen in lokale verschillen tussen de landstreken Galilea en Judea.

Uit de tekst kunnen we opmaken dat Jesjoea zelf waarschijnlijk wel zijn handen wastte. Dit heeft hoogstwaarschijnlijk te maken met het feit dat Jesjoea regelmatig maaltijden had met de Farizeeën en dit dus gewend was. Bovendien zou het eten met ongewassen handen van een directe tafelgenoot een gewoonte zijn die door de Farizeeën moeilijk zou kunnen worden getolereerd. Dit kan worden opgemaakt uit een incident bij een maaltijd vermeld in het Lukas evangelie, waar Jesjoea zelf de handwassing niet uitvoert:

Lukas 12:37-41 (SV 1977)
37 Toen hij nu dit sprak, bad hem een zeker Farizeeër, dat hij bij hem het middagmaal wilde eten; en ingegaan zijnde, zat hij aan. 38 En de Farizeeër, dat ziende, verwonderde zich, dat hij niet eerst, voor het middagmaal, zich gewassen had. 39 En de Heere zeide tot hem: nu gij Farizeeën, gij reinigt het buitenste van de drinkbeker en van de schotel; maar het binnenste van u is vol van roof en boosheid. 40 Gij onverstandigen! Die het buitenste heeft gemaakt, heeft hij ook niet het binnenste gemaakt? 41 Doch geeft tot aalmoes, wat daarin is; en ziet, alles is u rein.

De Farizeeër bij wie Jesjoea te gast is verwondert zich over het niet-wassen. De reden van dit niet-wassen was hier waarschijnlijk dat Jesjoea door middel van een symbolisch teken de huichelarij van sommige Farizeeën die morele onreinheid minder ernstig namen dan rituele onreinheid aan de kaak wilde stellen. Daarnaast kunnen we uit het allereerste openbare optreden van Jesjoea, bij de bruiloft te Kana [17], concluderen dat het strikt naleven van de reinheidsgebruiken binnen de familie en vriendenkring van Jesjoea wellicht gebruikelijk was.

De Uitleg van Jesjoea

In deze paragraaf zullen we stilstaan bij het betoog en de uitleg van Jesjoea in verband met de nalating van de handwassing door de leerlingen. Op de beschuldiging van de Farizeeën reageert Jesjoea met een citaat uit de profeet Jesaja [18]. Er is blijkbaar een analoge situatie, namelijk dat er aan de God van Israël veelal lippendienst wordt bewezen, dat de geboden Gods niet worden nageleefd, en dat de prioriteiten gelegd worden op de menselijke overlevering; ook wel aangeduid in de Evangeliën als: De inzettingen der ouden en de mondelinge tradities. Jesjoea noemt met name het vijfde gebod genoemd: “…Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft…”  [19].

Er wordt door Jesjoea nadrukkelijk een beroep gedaan op de Farizeeën om als leermeesters van het volk gehoorzaam te zijn aan de Wet en morele onreinheid minstens even ernstig te nemen als rituele onreinheid.

Uit het gehele betoog van Jesjoea blijkt verder dat het niet over onrein, d.w.z. treife voedsel gaat. Het begrip onreinheid wordt hier door Jesjoea aangegrepen om een gelijkenis te maken tussen enerzijds voedsel, dat van buiten de mens inkomt en anderzijds de ongehoorzaamheid en huichelarij, die van binnen uitkomt. Onrein (tamei of zelfs treife) voedsel, maakt een mens in de regel niet onrein. Dit neemt niet weg dat Treife voedsel ongeoorloofd is en dat tamei voedsel ongeoorloofd is in de Tempel. Ongehoorzaam gedrag en huichelarij daarentegen creeren een ‘bemettellijke’ sfeer van morele verontreiniging en verval.

De opmerking: “…Want het gaat niet in zijn hart, maar in de buik, en gaat in de heimelijkheid uit, reinigende al de spijzen…” kan wellicht de mogelijke vraagtekens oproepen.

De meningen zijn hierover dan ook verdeeld. Sommigen gaan er vanuit dat deze laatste zin een latere toevoeging is en in het oorspronkelijk Evangelie niet aanwezig was. Anderen zijn van mening dat hier geduid wordt op het biologische proces van de spijsvertering. De menselijke uitwerpselen worden immers niet als onrein (hebr. tamei) beschouwd [20].Hierdoor wordt de opmerking van Jesjoea in het kader van de Wet geplaatst en is zij verklaarbaar. Hoewel de begrippen en handelingen rondom rituele onreinheid vaak moeilijk te begrijpen zijn wordt zij op deze wijze wel aannemelijk.

Dat Jesjoea hiermee zou bedoelen dat alle spijzen rein zouden zijn en dat de spijswetten niet meer in acht werden genomen is vanuit historisch perspectief ondenkbaar. Ook de interpretatie dat Jesjoea alle spijzen die in het huis van de Farizeeër aanwezig waren zou hebben gereinigd is niet aannemelijk. Immers, dit voedsel was ongetwijfeld kosjer. Het zou hoogstens tamei kunnen zijn, d.w.z. ritueel ongeoorloofd in de Tempel. Maar dit zou niet bezwaarlijk zijn en bovendien zou dergelijk voedsel toch niet meer tahor gemaakt kunnen worden.

Volgens de de Farizeeën kon de onreinheid van de handen wel leiden tot een afgeleide onreinheid van het voedsel. Het aldus onrein geworden voedsel had volgens de Fariseze interpretatie echter niet meer de kracht om de persoon die het voedsel tot zich nam te verontreinigen. Het was dus een betrekkelijk zwakke vorm van onreinheid.

De woorden “reinigende alle spijzen” kunnen in verband hiermee een dubbele betekenis hebben, alnaargelang we veronderstellen of Jesjoea het al dan niet eens was met de Fariseze opvatting van de reiniging van de handen:

a) Indien Jesjoea het eens was met de Farizese interpretatie, zouden deze woorden betekenen dat het eten met ongewassen handen weliswaar het voedsel verontreinigt, maar dat deze onreinheid zo zwak is dat de eter zelf niet onrein wordt en dat het spijsverteringsproces ervoor zorgt dat de onreinheid verdwijnt doordat het voedsel wordt verteerd. Er is dus geen reinigingsprocedure noodzakelijk, het lichaam zelf zorgt hier voor de reiniging.

b) Indien Jesjoea het niet eens was met de Fariseze interpretatie zouden zijn woorden betekenen dat de onreinheid van de handen geen echte onreinheid is in de zin van de Wet en dus ten onrechte als een aparte categorie werd afgeleid door de Farizeen. In dit geval zouden de woorden “reinigende alle spijzen” betekenen dat Jesjoea alle spijzen voor rein verklaarde voor wat betreft de onreinheid van de handen, en dus deze vorm van onreinheid niet erkende als gefundeerd in de Wet.

De Evangelien tonen aldus aan dat Jesjoea een wetsgetrouwe Jood was en zich als zodanig niet verzette tegen de inzettingen der ouden en de mondeling overgedragen tradities m.b.t. tot de Wet. Het is dan ook aannemelijk dat Hij de rituele handwassing (hebr. netilat yadayim) praktiseerde. Jesjoea heeft de autoriteit van de Farizeeën hierin niet ter discussie willen stellen. De kritiek uit zich met name op het teniet doen van Gods geboden, in dit geval het vijfde gebod, en in het algemeen de foutieve prioriteitsstelling van de Farizeeën met betrekking tot morele onreinheid versus rituele onreinheid.

Het is mogelijk dat netilat yadayim ontstaan is uit een zuiver symbolische imitatie van de tempeldienst en oorspronkelijk geen betekenis had als reinigingsprocedure. De status van netilat yadayim zou dan vergelijkbaar zijn met die van bijv. het gebruik van het bestrooien van het brood met zout. Dit werd en wordt gedaan als huiselijke herinnering aan de offers, die altijd met zout moesten worden gebracht. Het breken van het brood bij het begin van de maaltijd symboliseert het brengen van het offer, de tafel symboliseert het altaar, de huisvader, die de maaltijd voorzit, symboliseert de priester, de hoofdbedekking is een imitatie van de hoofdbedekking van de priesters, etc. Het is gemakkelijk te onderkennen dat de instelling van het Avondmaal als herinning van het offer van Jesjoea aansluit bij deze symboliek. De wassing van de handen past hier goed in. In dat geval zou deze wassing oorspronkelijk een zuiver symbolisch gebruik zijn, dat eerst later door de Farizeen werd verzwaard tot een werkelijk reinigingsritueel.

Samenvatting en Conclusies

Bij het openen van de Bijbel worden we regelmatig verrast door tegenstellingen, tegenstrijdigheden en andere eigenaardigheden waar we vaak geen raad mee weten. We weten of voelen aan dat er iets niet klopt. Deze tegenstrijdigheden blijken bij nader inzien vaak paradoxen te zijn, zo ook hier !

Enerzijds werden we geconfronteerd met de traditionele uitleg betreffende het zogenaamde feit dat Jesjoea alle spijswetten overbodig achtte en in het algemeen zich tegen de “beknellende” Wet keerde en het wellicht niet zo nauw nam met de daarin genoemde voorschriften. Anderzijds met de citaten van Jesjoea zelf die aangeven dat Hij de Wet uiterst serieus nam op allerlei andere terreinen, dus logischerwijs ook op het gebied van de de spijswetten. Dit laatste, het valide zijn van de spijswetten, wordt bevestigd in diverse Nieuw Testamentische geschriften door zowel Petrus als Paulus.

Uit het voorgaande weten we nu dat het gedeelte uit het Markus Evangelie, alsook de parallel tekst uit Mattheus, geen directe relatie hebben met de spijswetten. Uit het gehele betoog van Jesjoea blijkt dat het niet over onrein voedsel gaat. Het begrip onreinheid wordt hier aangegrepen om een gelijkenis te maken tussen: Enerzijds voedsel, dat van buiten de mens inkomt (lees: rituele onreinheid). Anderzijds de ongehoorzaamheid, die van binnen uitkomt (lees: morele onreinheid). Daarnaast is het vanuit de historische situatie ondenkbaar dat Jesjoea de spijswetten niet in acht zou nemen, of zijn volgelingen zou aansporen tot ongehoorzaamheid hieraan.

____________

Bijbel Index:

[1]     Mt. 5:17                                  

[2]     1 Jh. 3:4; 1 Joh. 5:2-3

[3]     Hd. 10:9-16

[4]     Rm. 14:14, 20

[5]     1 Kor. 8:1-13; 1 Kor. 10:14-33

[6]     Mk. 2:27

[7]     Mk. 10:2-9

[8]     Mt. 10:5, Mt 15:24

[9]     Mt. 26:4; Mk. 14:1

[10]    Lv. 11:1-23

[11]    Dt. 14:3-21

[12]    Gn. 6:17-7:12

[13]    Lv. 11:44-45; Deut. 14:2, 21

[14]    Ex. 34:15-16

[15]    Num. 19:11-22

[16]    Lv. 7:20-21

[17]    Jh. 2:6

[18]    Jes. 29:13

[19]    Ex. 20:12

[20]    Dt. 23:12-14

Advertisements

Bijbelse Paradoxen (Deel II): De Opnames van Henoch & Elia versus de Opwekking en Tenhemelopneming van Jesjoea

 

[Dit is het tweede uit een serie artikelen waarin een aantal schijnbare tegenspraken ofwel paradoxen in de Bijbel worden behandeld.]

Rembrandt — Hemelvaart

Rembrandt — Hemelvaart

Inleiding en Paradox

Op basis van de onderstaande teksten uit het boek Genesis en II Koningen wordt veelal aangenomen dat Henoch en Elia, op min of meer dezelfde wijze als Jesjoea, werden opgenomen in de hemel. Deze interpretatie brengt echter serieuze bezwaren met zich mee:

Gen. 5:22-24 (SV, 1977)
22
En Henoch  wandelde met G’d, nadat hij Methúsalah gewonnen had, driehonderd jaren; en hij gewon zonen en dochters. 23 Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijf en zestig jaren. 24 Henoch dan wandelde met G’d; en hij was niet meer;  want G’d nam hem weg.

II Kon. 2:1 en 11 (SV, 1977)
Het geschiedde nu, toen de Heere Elía met een onweder ten hemel opnemen zou, dat Elía met Elísa ging van Gilgal. […] 11 En het gebeurde, toen zij voortgingen, gaande en sprekende, ziet, zo was er een vurige wagen met vurige paarden, die tussen hen beiden scheiding maakten. Alzo voer Elía met een onweder ten hemel.

A)      Paulus geeft aan dat Jesjoea de eerste was die werd opgewekt, zie I Kor. 15:20, “…Maar nu,  Christus is opgewekt uit de doden, en is  de eersteling geworden van hen, die ontslapen zijn…”

B)      En dat vervolgens bij de wederkomst de overige gelovigen opgewekt zullen worden, zie I Kor. 15:23, “…Maar een ieder in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in zijn toekomst…”

C)      Ook in de Kolossebrief wordt bevestigd dat Jesjoea de eerste is die opgewekt is uit de dood, zie Kol. 1:18, “…En hij is het hoofd van het lichaam, namelijk van de gemeente, hij, die het begin is, de eerstgeborene uit de doden, opdat hij in allen de eerste zou zijn…”

D)      En dat de gelovigen die ontslapen zijn pas bij de wederkomst tot Jesjoea gebracht zullen worden, zie I Thess. 4:14, “…Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal G’d ook hen, die ontslapen zijn in Jezus, weerbrengen met hem…”

E)       Maar, het kan nog sterker uitgedrukt worden: Petrus merkt op dat — uitgezonderd uiteraard Jesjoea — niemand is opgestaan uit de doden sinds de schepping van deze wereld, zie II Pet. 3:4, “…En zeggen:  Waar is de belofte van Zijn toekomst ? Want van die dag, dat de vaderen ontslapen zijn, blijven alle dingen alzo gelijk van het begin der schepping…”

In evangelische kringen wordt geleerd dat Henoch en Elia ten hemel werden opgenomen. In het Nieuwe Testament komen we een aantal citaten tegen van zowel Petrus als Paulus die hier niet mee in overeenstemming zijn. Uit deze citaten blijkt dat geen enkel menselijk wezen, uitgezonderd Jesjoea, is opgestaan uit de doden.

Om uit deze patstelling te komen is het noodzakelijk de bovengenoemde teksten uit het Oude Testament (Gen. 5:22-24 en II Kon. 2:1, 11) in een bredere context te plaatsen. Vervolgens kunnen we de teksten opnieuw gaan bestuderen en interpreteren.

De Opname van Henoch

Uit het boek Genesis zouden we de conclusie kunnen trekken dat Henoch werd opgenomen naar G’ds aanwezigheid in de hemel. Het werkwoord ‘nam’ (hebr. lakach) betekent: wegnemen, verwijderen, wegvoeren. Het werkwoord heeft geen unieke betekenis in de zin van het wegnemen van het leven, wegnemen van zonde of iets dergelijks. In de Septuagint wordt voor het werkwoord ‘nam’ (gr. Metethēken) gebruikt. Het verschijnt verschillende keren in zowel het OT [1,2,3] als NT [4,5,6] en betekent: verandering van plaats, herplaatsen, verplaatsing, overplaatsing, opnieuw vestigen. Dit wekt sterk de indruk dat we het werkwoord ‘nam’ moeten lezen als een beweging van de ene lokatie naar de andere. Het woord houdt geen verband met een verandering, verhoging, of verheerlijking van het aardse leven, en spreekt nergens over het opnemen naar een bepaalde vorm of positie van onsterfelijkheid.

Henoch werd niet opgenomen in de hemel en ontving geen onsterfelijkheid. Hij werd verplaatst naar een andere lokatie opdat hij de dood niet zou zien. Verder blijkt uit de Hebreeënbrief dat ze hem zochten [7]. En uit de brief van Judas zouden we kunnen opmaken dat er vijandschap was tussen Henoch en zijn tijdgenoten naar aanleiding van zijn profetische woorden en hij wellicht met de dood werd bedreigd [8]. Blijkbaar ging men er vanuit dat Henoch zich ergens anders gevestigd had, weliswaar middels een g’ddelijk ingrijpen en op een onbekende plek, maar in ieder geval nog steeds op aarde was. Uiteindelijk stierf Henoch in het geloof, zoals de brief aan de Hebreeën ons wil leren: de beloften niet verkregen hebbende, maar heeft deze van verre gezien, geloofd, omhelsd en beleden [9].

De Opname van Elia

Het jaar waarin Elia werd opgenomen en weggedragen werd, in een wervelwind, was 852 v. Chr. In dat jaar regeerde koning Joram (zoon van Achab) over het noordelijk gedeelte van Israël [10]. Elisa volgde Elia op als profeet [11]. In het zuidelijke gedeelte regeerde Joram (zoon van Josafat) naast zijn vader vanaf 853 v. Chr., en werd definitief koning over Juda in 848 v. Chr. [12]. Vanaf 852 tot 841 v. Chr. was er dus een Joram in Juda alsook een Joram in Israël. Koning Joram van Juda werd afvallig en wendde zich tot de afgoden [13]. Het jaar voordat Joram stierf (842 v. Chr.), tien jaar nadat Elia was weggenomen, ontving hij een brief van Elia [14]. Elia was blijkblaar nog steeds op aarde, in leven, en in dienst van de G’d van Israël. Sommigen dachten dat Elia in de bergen zat. Er werd intensief naar hem gezocht, maar hij werd niet gevonden [15]. Blijkbaar ging men er van uit dat Elia zich ergens anders gevestigd had, weliswaar middels een g’ddelijk ingrijpen en op een onbekende plek, maar in ieder geval nog steeds op aarde was. Ook hier wordt niet gesproken over een verandering, verhoging, of verheerlijking van het aardse leven en evenmin over het opnemen naar een bepaalde vorm of positie van onsterfelijkheid.

Wanneer nu in II Kon. 2:11 gezegd wordt dat Elia in een stormwind ten hemel voer, kan dit dus niet betekenen dat hij in de eigenlijke hemel, de verblijfplaats van de engelen, werd opgenomen. De term ‘hemel’ heeft echter meerdere betekenissen in de Bijbel en er wordt ook gesproken van de vogelen des hemels [16], de dauw des hemels [17], en de sterren des hemels [18]. Dit taalgebruik maakt duidelijk dat de term ‘hemel’ in II Kon. 2:11 heel wel de luchthemel of de wolkenhemel kan aanduiden.

Elia werd, evenals Henoch, niet opgenomen in de hemel der engelen en ontving geen vorm van onsterfelijkheid. Hij werd door de lucht weggedragen naar een onbekende lokatie waar hij G’d bleef dienen. Uiteindelijk stierf ook Elia in het geloof, zoals de brief aan de Hebreeën ons wil leren: hebbende door het geloof getuigenis gehad maar de belofte niet verkregen [19].

De Opwekking en Tenhemelopneming van Jesjoea

Jesjoea werd na zijn lijden begraven. Na drie dagen in de dood te zijn geweest werd Hij opgewekt. Afgezien van het lijden, zou dit ook gebeurd zijn wanneer Jesjoea een natuurlijke dood gestorven was. Immers, Jesjoea had de dood niet verdiend. Het opstandingslichaam van Jesjoea was onsterfelijk. Het natuurlijke sterfelijke lichaam was getransformeerd (veranderd) naar een onsterfelijk lichaam. En na veertig dagen werd Jesjoea vervolgens opgenomen in de hemel.

Hieruit blijkt dat allereerst ons natuurlijke aardse leven afgelegd dient te worden voordat we een onsterfelijk lichaam kunnen ontvangen; tenzij, en dat is de enige uitzondering, we nog in dit aardse leven zijn bij de wederkomst [20]. Dit laatste was bij Henoch en Elia niet aan de orde aangezien Jesjoea zelf nog niet was geboren, laat staan terug zou kunnen keren op aarde. Bovendien is het de vraag of het in principe mogelijk was om een opstandingslichaam te ontvangen vóórdat Jesjoea zelf zou zijn opgewekt als eerstgeborene uit de doden. In ieder geval lijkt dit in strijd te zijn met de gedachte van het Johannes evangelie, dat Jesjoea zelf de gestorven gelovigen zal opwekken [21] .

Henoch en Elia kunnen aldus niet opgenomen zijn in de hemel ten eerste omdat Henoch (en Elia) de dood niet hebben gezien zoals de Hebreeënbrief ons leert [22]. De uitdrukking: ‘de dood niet gezien hebben’ duidt impliciet op iets anders dan op een zogenaamde opname. In de tweede plaats, en dit is veel belangrijker, was Jesjoea zelf nog niet uit de doden opgewekt ten tijde van Henoch en Elia. De ten hemel opname van Jesjoea is dus fundamenteel verschillend van hetgeen we bestudeerd hebben over Henoch en Elia.

Samenvatting en Conclusies

Bij het openen van de Bijbel worden we regelmatig verrast door tegenstellingen, tegenstrijdigheden en andere eigenaardigheden waar we vaak geen raad mee weten. We weten of voelen aan dat er iets niet klopt. Deze tegenstrijdigheden blijken bij nader inzien vaak paradoxen te zijn, zo ook hier !

Enerzijds werden we geconfronteerd met de traditionele uitleg betreffende de opname van Henoch en Elia, namelijk een opname die min of meer gelijkwaardig was aan de opname van Jesjoea, met de uitzondering dat Henoch en Elia de dood niet zouden hebben gezien. Anderzijds met citaten van Paulus en Petrus die aangeven dat er geen enkel menselijk wezen sinds de schepping is opgestaan uit de doden en geen enkel menselijk wezen onsterfelijkheid heeft aangenomen, behalve Jesjoea.

Hieruit kunnen we concluderen dat de opname van Henoch en Elia geen overgang naar onsterfelijkheid kan zijn geweest. Henoch en Elia zijn uiteindelijk, evenals alle andere gelovigen, gestorven. De brief aan de Hebreeën geeft duidelijk aan hierop geen uitzondering te maken. Henoch en Elia hebben, evenals alle andere overleden gelovigen, geen notie van het verstrijken van de tijd. Zij “wachten” nu a.h.w. op de wederkomst van Jesjoea. Henoch en Elia zullen, evenals als alle andere gelovigen, opgewekt worden tot een leven dat onsterfelijk is bij de wederkomst van Jesjoea. Een hoopvol “wachten” dat iedere gelovige, in leven of in de dood, met deze geloofshelden mag delen!

Bijbel Index:

[1]     Deut. 27:17

[2]     Jes. 29:14

[3]     I  Kon. 21:25

[4]     Hand. 7:16

[5]     Jud. 4

[6]     Heb. 7:12

[7]     Heb. 11:5

[8]     Jud 14-16

[9]     Heb. 11:13

[10]   II Kon. 1:17; 3:1

[11]    II Kon. 2:1, 11

[12]    II Kon. 8:16

[13]    II Kron. 21:11

[14]    II Kron. 21:12-15

[15]    II Kon. 2:17

[16]    I Sam. 17:44, 46; I Kon. 14:11; 16:4; Cp. Gen. 1:20

[17]    Gen. 27:28, 39

[18]    Gen. 22:17; 26:4

[19]    Heb. 11:32, 40

[20]    I Thess. 4:16-17

[21]     Joh. 6:39-40

[22]    Heb. 11:5

Bijbelse Paradoxen (Deel I): De Levitische Offers versus het Offer van Jesjoea

                                                  

[Dit is het eerste uit een serie artikelen waarin een aantal schijnbare tegenspraken ofwel paradoxen in de Bijbel worden behandeld.]

Van Eyck — De Aanbidding van het Lam G'ds

Van Eyck — De Aanbidding van het Lam G’ds

Inleiding en Paradox

Op basis van de onderstaande tekst uit de brief aan de Hebreeën wordt veelal aangenomen dat de dood en opstanding van de Messias het einde betekende van de tempeldienst en de levitische offers.

Heb. 9:11-14 (SV, 1977)
11Maar Christus, de hogepriester der toekomende goederen, gekomen zijnde, is door de meerdere en volmaaktere tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel, 12 Noch door het bloed der bokken en kalveren,  maar door zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende. 13 Want indien het bloed der stieren en bokken, en de as der jonge koe, besprengende de onreinen, hen heiligt tot de reinheid des vleses; 14 Hoeveel te meer zal  het bloed van Christus,  Die door de eeuwige Geest zichzelf G’de onbestraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken,  om de levende G’d te dienen?

Deze interpretatie brengt een drietal serieuze bezwaren met zich mee:

1)    In de Evangeliën geeft Jesjoea duidelijk aan dat hij niet gekomen is om de Wet  buiten werking te stellen. [1] De levitische offers zijn onlosmakelijk verbonden met de Wet.

2)    De volgelingen van Jesjoea nemen deel aan de tempeldienst, zelfs na dertig jaar ná de dood en opstanding van de Messias. [2,3]

3)    In de profetieën wordt aangegeven dat de Tempel, de offers, en het priesterschap van Aäron hersteld zullen worden. [4,5,6,7]

In het algemeen wordt binnen het Christendom de rol van het oud testamentische zondoffer geïnterpreteerd als een middel waardoor een persoon vergeving van zonden ontvangt, waarbij de schuld en de straf worden overgedragen op het offerdier. Echter, nadat de Messias zijn offer heeft gebracht zou dit overbodig geworden zijn. Hieruit volgt de merkwaardige conclusie dat Jesjoea zich opofferde om offerdieren te sparen.

De schrijver van de Hebreeënbrief vermeld ons ook nog het volgende: “…Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneemt…” [8]. Hierbij komt de vraag op waarom er überhaupt dieren werden geofferd.

Om uit deze patstelling te komen is het in eerste instantie noodzakelijk enkele bijbelse begrippen toe te lichten die het uitgangspunt vormen van de Hebreeënbrief en waarvan de schrijver veronderstelt dat deze bekend zijn bij de lezer. Vervolgens kunnen we de tekst opnieuw gaan bestuderen en interpreteren.

Olam Hazeh en Olam Habah

In de eschatologie van de Bijbel, dus ook in de brief aan de Hebreeën, wordt de werkelijkheid verdeeld in wat men zou kunnen noemen twee sferen, nl.: de Tegenwoordige Wereld (hebr. Olam Hazeh)  en de Toekomende Wereld (hebr. Olam Habah).

Met de tegenwoordige wereld of Olam Hazeh wordt bedoeld deze tijdelijke werkelijkheid zoals die in den beginne door God geschapen is en nog steeds voortbestaat. Met andere woorden, de wereld zoals we die kennen en ervaren. Maar óók de werkelijkheid vanuit historisch perspectief bezien. Dat wil zeggen vanaf het allereerste begin tot het einde van de wereldgeschiedenis. Volgens de Apostelen behoort ook het Messiaanse Rijk nog tot de tegenwoordige wereld. De wederkomst van Jesjoea is namelijk zijn terugkeer vanuit de hemel om zijn Koninkrijk op te richten. Jesjoea’s Rijk is weliswaar niet van deze wereld, d.w.z. ontleent zijn principes niet aan deze wereld, maar komt wel in deze wereld.

Met de Toekomende Wereld (hebr. Olam Habah) wordt bedoeld de nieuwe werkelijkheid zoals beschreven is in het boek de Openbaring van Johannes. Op het eind van het Messiaanse Rijk zal er een Nieuwe Hemel en een Nieuwe Aarde worden gevormd waarbij het Nieuwe Jeruzalem uit de hemel komt neerdalen [9]. In de brief aan de Hebreeën gaat de schrijver er vanuit dat deze twee begrippen bekend zijn.

Exegese van Hebreeën 9:11-14

De schrijver van de Hebreeënbrief gebruikt in dit gedeelte een joodse uitlegregel, genaamd: kal vachomer in het Latijn aangeduid met: argumentum a minore ad maius, ‘een redenering van klein naar groot’ waarmee wordt bedoeld: Wat van toepassing is in een minder belangrijke situatie is zeker van toepassing in een meer belangrijke situatie. De schrijver bedoelt dus te zeggen: Indien het bloed van de offers het vlees (het vergankelijke bestaan) heiligt en reinigt m.b.t. de Tegenwoordige Wereld; hoe veel te meer zal het bloed van de Messias de geest (het onvergankelijke bestaan) heiligen en reinigen m.b.t. tot de Toekomende Wereld.

Met andere woorden, de schrijver veronderstelt dat de levitische offers een rol en functie hebben in deze wereld, maar dat deze wel beperkt is. Zoals het priesterschap van Aäron, de offers, en de hiermee gepaard gaande rituelen van toepassing zijn op de Tegenwoordige Wereld, zo zijn het offer van de Messias en diens priesterschap volgens de orde van Melchizedek van toepassing op het hemelse en het eeuwige van de Toekomende Wereld. De dood van Jesjoea, de Messias, betekende niet dat de offers in de Tempel werden afgeschaft; Zijn dood vertegenwoordigt een offer van een andere orde  en heeft daardoor ook een andere functie.

Dit roept de vraag op: Wat zijn deze functies? Om deze vraag te kunnen beantwoorden moeten we allereerst meer informatie hebben over de Tabernakel, wat later onder koning Salomo de Tempel werd. Bij de voorschriften voor de bouw van de Tabernakel wordt gezegd dat G’d in het midden van de Israelieten zal komen wonen [10]. De Tabernakel of Tempel is dus de g’ddelijke residentie.

Aangezien de aardse Tempel een afspiegeling is van de hemelse Tempel, zo is de g’ddelijke aanwezigheid in de aardse tempel een afspiegeling van de g’ddelijke aanwezigheid in de hemelse tempel. Deze g’ddelijke aanwezigheid in de aardse Tempel is van een lagere orde dan in de hemelse Tempel.

De Tempel is dus de g’ddelijke verblijfplaats. Het mag duidelijk zijn dat we deze plaats niet zondermeer kunnen naderen. Het spanningsveld dat hier speelt is wellicht het best te omschrijven als een dichotomie: een tweedeling of exacte scheiding tussen twee niet overlappende gebieden. Deze twee gebieden zijn het sacrale (het heilige, het afgezonderde dat bij G’d hoort) en het profane (het niet-heilige of gewone). Om deze afstand te overbruggen is een handeling noodzakelijk die het mogelijk maakt G’d te naderen. Deze handeling bestaat uit het offeren. Het Hebreeuwse woord voor offer is korban, en betekent: ‘nabij brengen’. Het is afkomstig van het werkwoord karav en duidt op het doel om de mens terug te brengen bij G’d.

In het boek Leviticus worden verschillende typen van offeranden beschreven. De offers kunnen we indelen in: brandoffers, spijsoffers, dankoffers, zondoffers, en schuldoffers. Aangezien in de aangehaalde tekst uit de Hebreeënbrief de nadruk ligt op het zondeprobleem in relatie tot zowel de levitische offers als het offer van Jesjoea, zullen we ons richten op het zondoffer.

Het Zondoffer volgens de Wet

Het zondoffer (hebr. korban chatat) staat beschreven in het boek Leviticus [11] en kent verschillende rituelen en vormen. Wanneer een Israëliet zondigde werd een offer verlangd. Indien nodig en mogelijk werd er een jonge stier of een geit geofferd. In dat geval werd tijdens de  handoplegging (hebr. semichah) de zonde beleden. De zondige identititeit, waarover straks meer, werd overgedragen op het dier. Indien het dier herkend werd als valide werd het geslacht door de offeraar. Het bloed werd door de priester op de hoornen van het altaar aangebracht en vervolgens uitgegoten op de bodem van het altaar.[12] Het zondoffer werd niet alleen gebracht naar aanleiding van zonde, maar ook bij sommige gevallen van rituele onreinheid.[13]

Hoe kan een offer de mens terugbrengen bij G’d of nader tot G’d brengen ? Dit nabijbrengen geschied in dit geval middels het ritueel slachten, doden, van een dier.[14]

Bij het gewone slachten, buiten de Tempel, wordt het dier aan de mens ter beschikking gesteld om te dienen als voedsel. Bij het slachten in de Tempel wordt het dier aan G’d teruggegeven. Aangezien het dier dat geofferd wordt het eigendom is van de offeraar, dus in zekere mate één met hem is, wordt in het offer uitgedrukt dat de mens zijn verantwoordelijkheid neemt en zich (opnieuw) aan G’d toewijdt. Dit wordt beklemtoond door het ritueel van de handoplegging vergezeld van de belijdenis van de zonde. Deze handoplegging drukt aldus ook een overdracht uit. De zonde of schuld wordt op het dier overgedragen en dit dier sterft vervolgens in het offer in plaats van de mens.

Hoe moeten we deze overdracht en deze plaatsvervanging begrijpen? Kan zonde of schuld wel op een ander wezen worden overgedragen? De Bijbel beklemtoont immers dat ieder verantwoorderlijk is voor zijn eigen zonde en de Wet staat niet toe dat een rechtbank iemand anders straft in de plaats van degene die de overtreding begaan heeft.

De overdracht van de zonde op het offerdier staat in nauw verband met het gegeven dat dit offerdier het eigendom is van de offeraar en dus met hem geïdentificeerd wordt. Men kan het als volgt bezien. In het ritueel van de handoplegging maakt degene die het zondoffer brengt zich uitdrukkelijk los van zijn zonde en brengt hij deze zonde onder het oordeel van G’d. Dit oordeel van G’d wordt vervolgens voltrokken aan het offerdier, dat met de zonde beladen is. Maar dit offerdier is anderzijds deel van de offeraar zelf. Het is immers zijn eigendom en wordt om die reden met hem geïdentificeerd. In het offerdier brengt de offeraar dus eigenlijk zichzelf ten offer. Echter niet letterlijk, anders zou de zaak daarmee besloten zijn. Indien de zondaar zichzelf letterlijk aanbiedt om de doodstraf te ondergaan, dan is het verhaal afgelopen zodra die straf is voltrokken. Er is dan geen toekomst voor de zondaar. De enige wijze waarop een zinvol offer mogelijk is, is dat de zondaar vereenzelvigd wordt met iets dat bij hem hoort, dan ‘deel’ van hemzelf is. Dit iets of dit deel van hem gaat nu de dood in. Dit is het offerdier. Door symbolisch, door handoplegging, de zonden op het offerdier te leggen, belijdt de zondaar dat hij de dood waardig is. Bij de voltrekking van de doodstraf wordt de zondaar nu vertegenwoordigd door het offerdier. In plaats dat hijzelf sterft gaat dit eigendom van hem, iets dat hem nabij is, de dood in. De zondaar lijdt dus wel schade doordat iets dat hem toebehoort sterft, maar tegelijkertijd hij redt het vege lijf en komt om zo te zeggen met de schrik vrij.

De vertegenwoordiging van de zondaar in het offerdier is slechts een gedeeltelijke en daarom ook een problematische. Het is duidelijk dat het offerdier de mens niet echt kan vervangen of diens tekort aanvullen. De mens kan zich niet van de verantwoordelijkheid jegens G’d afmaken door hem een substituut aan te bieden. Die opgave berust bij hemzelf en blijft bij hemzelf.

In het offer komt er echter zogezegd een voorlopige en beperkte juridische schikking tot stand. Door het brengen van het offer erkent de mens zijn zonde en erkent hij dus de g’ddelijke maatstaf over het menselijk leven. De schuldbelijdenis, die met het offeren plaatsvindt, houdt tegelijkertijd het voornemen in om in de toekomst niet meer te zondigen. Daartegenover staat dat G’d de symbolische toewijding van de mens in het offer erkent. G’d neemt het offer als voorlopige en beperkte voorziening en schikking van de schuld aan en biedt in ruil daarvoor de mens vergeving van de zonde aan. De vergeving houdt in dat de mens niet de strafdood voor de zonde behoeft te ondergaan. Hij krijgt een nieuwe kans tot leven en krijgt zo de gelegenheid om althans de rest van zijn leven aan G’d toe te wijden.

Het voorlopige en beperkte karakter van de voorziening tot schikking van de schuld die het offer is, heeft tot gevolg dat ook de daardoor ontvangen vergeving een beperkt en voorlopig karakter heeft. Het zondoffer is slechts een voorziening voor een beperkt aantal overtredingen in een beperkt aantal categorieën van zonde. Er zijn zonden waarvoor geen zondoffer gebracht kan worden, zoals moord, overspel en gijzeling. Indien de genade onbeperkt was zou immers het gehele bestel van de Wet en van G’ds bestuur over Zijn volk ontwricht worden. De theocratie zou tot een aanfluiting worden.

De voorziening van het zondoffer is ook voorlopig. De onmiddellijke strafdood, die op de zonde zou moeten volgen, wordt weliswaar ontgaan, maar uiteindelijk moet de zondige mens toch sterven. De dood is onvermijdelijk omdat de menselijke natuur bedorven is geraakt door de gevolgen van de zonde van Adam. Daardoor is de mens de levende en ononderbroken gemeenschap met G’d kwijtgeraakt en is hij geneigd zich van G’d af te wenden. De vergeving die tot stand komt door het dieroffer is dus slechts een vergeving die van toepassing is binnen de orde van het tijdelijke leven in deze tegenwoordige wereld. Het gaat in het zondoffer niet om een definitieve en alomvattende vergeving en een daarmee samenhangende definitieve en alomvattende verzoening. Ingeval de Wet opnieuw werd overtreden was het dus noodzaak het gehele offerritueel te herhalen.

Een definitieve en alomvattende vergeving en verzoening zouden slechts tot stand kunnen komen indien er een offer zou zijn op grond waarvan de menselijke natuur weer geheel en al hersteld zou kunnen worden. Dit kan niet door een dieroffer bewerkt worden. Zoals gezegd kan de toewijding van een dier het tekort aan toewijding van de mens niet echt vervangen of aanvullen. Deze aanvulling of vervanging is slechts symbolisch. Een volledig herstel van de menselijke natuur is daarom alleen mogelijk zijn indien er een mens gevonden kan worden die niet met zonde of de gevolgen daarvan besmet is en die zich dus volledig en onbeperkt aan G’d kan toewijden en zo zelf een offer kan zijn ten behoeve van anderen. Die mens zou de anderen volledig kunnen vertegenwoordigen. Daarbij moet dan nog wel verondersteld worden dat die anderen op zekere wijze in hem geïncludeerd zijn en hun leven van hem ontvangen, op een analoge wijze zoals nu de overige mensen in Adam zijn geïncludeerd en hun leven ontvangen door uit hem voort te komen via het voorplantingsproces. Adam is immers de verwekker van alle overige mensen.

Het Zondoffer van Jesjoea

Het offer dat een volledig herstel van de menselijke natuur mogelijk maakt is het kruisoffer van Jesjoea. De mogelijkheid van dit offer berust op de volstrekte zondeloosheid van Jesjoea. Die zondeloosheid berust op haar beurt op het feit dat Jesjoea nooit persoonlijk gezondigd heeft, en dus niet besmet is met enige daadwerkelijke zonde en daarop gebaseerde schuld, en daarnaast op het feit dat Jesjoea’s menselijke natuur niet bedorven is geraakt door de gevolgen van Adam’s zonde. Jesjoea is dus vrij van wat wel ‘erfzonde’ genoemd wordt, dat is een bedorven menselijke natuur die boze neigingen kent en als gevolg daarvan onderworpen is aan de macht van de dood.

Het volledig afwezig zijn van de zonde en van de zondige neiging in Jesjoea betekent dat zijn dood volledig onverdiend was. Het was niet alleen dat Jesjoea nooit iets strafwaardigs gedaan had en dus zeker niet de gewelddadige kruisdood verdiend had. Iedere dood, waaronder de zgn. ‘natuurlijke’ dood, zou onverdiend geweest zijn. Jesjoea verdiende eenvoudigweg niet te sterven. G’ds belofte aan de mens was immers vanaf de schepping dat de mens voor eeuwig zou leven indien hij gehoorzaam was aan G’d. Deze belofte wordt herhaald in de Wet: Wie deze dingen doet zal erdoor leven. Door Jesjoea’s leven werd deze gehoorzaamheid aan G’d volstrekt bewaarheid. Dus kon G’d hem niet in de dood laten. G’d was het aan zijn beloften verplicht om Jesjoea op te wekken uit de dood en hem eeuwig leven te schenken. Jesjoea slaagde voor de test waarvoor Adam was gezakt.

Hoe Jesjoea’s dood een offerdood kan zijn ten behoeve van de overige mensen en hoe deze met G’d verzoend kunnen worden door de dood van Jesjoea is vervolgens de vraag. Dit veronderstelt immers de hierboven genoemde inclusie. Er moet iets zijn waardoor de anderen in Jesjoea geïncludeerd zijn en hun leven van hem ontvangen.

Dit iets is het geloof. Zij die in Jesjoea geloven, dat wil zeggen zij die hem erkennen als de beloofde Messias van Israel en als hun persoonlijke Heer en Verlosser, kiezen partij voor hem, en tegen de boze machten van deze wereld die hem ter dood hebben gebracht. Zij belijden daarmee dat Jesjoea’s leven de voorbeeldige maatstaf is voor het menselijk leven. Op grond van dit geloof is G’d bereid Jesjoea als hun representant voor Zijn aangezicht te beschouwen. Hij beziet hen als geestelijkerwijs geïncludeerd in Jesjoea.

Wanneer deze gelovigen belijden dat Jesjoea de exclusieve maatstaf is van het menselijk leven, belijden zij ook dat zijzelf zondige wezens zijn die aan deze maatstaf niet toekomen en daarom niet het leven maar de dood verdiend hebben. G’d beschouwt hen daarom als geestelijk wedergeboren in Jesjoea. Zij zijn in principe afgestorven aan hun oude bestaan. Om die reden geeft G’d hen deel aan Jesjoea’s verrijzenisleven. Jesjoea kan nu worden bezien als gestorven in hun plaats, als hun vertegenwoordiger, en daarom als de voorziening van een definitief zondoffer. Door hun inclusie in Jesjoea wordt de kern van hun bestaan, het menselijk hart, vernieuwd. Hun oude bestaan wordt in hun vertegenwoordiger, Jesjoea, in de dood gevoerd. En vervolgens wordt hun een nieuw bestaan gegeven dat geworteld is in Jesjoea’s verrijzenis. Zij zijn definitief verzoend met G’d omdat het zondeprobleem tot in de kern is aangepakt. Het hele menselijk bestaan is in de dood gevoerd en wordt van daaruit hernieuwd. Het oude bestaan wordt niet voortgezet onder een voorlopige voorziening van verzoening. Het wordt geheel en al getransformeerd of omgezet tot een nieuw bestaan.

Het dierlijke zondoffer kon alleen een beperkte en voorlopige voorziening tot verzoening bieden, die telkens wanneer nodig herhaald diende te worden. Het dieroffer gaf geen mogelijkheid tot een volkomen vernieuwing van het menselijk leven aangezien het dier dat geofferd werd niet kon worden vernieuwd tot een verrijzenisleven. Dieren zijn principieel tijdelijk en niet voor een eeuwigheidsleven bestemd. Het offerdier kan de mens ook maar op beperkte wijze vertegenwoordigen. Het kan weliswaar beschouwd worden als onschuldig, maar, gelijk vanzelf spreekt, niet als de voorbeeldige maatstaf van het menselijk leven welke leidt tot erkenning ervan en dus tot een geestelijke ommekeer. Het menselijk bestaan kan dus ook niet geïncludeerd worden in het bestaan van een dier en van daaruit hernieuwd worden.

De vereenzelviging (identificatie) van mens en dier in het dieroffer geschiedt in de rite die door de Wet wordt ingesteld, de vereenzelviging van de mens met Jesjoea als zondoffer geschiedt door de ommekeer van het hart die door de Heilige Geest wordt bewerkt. Het effect van de verzoening en vergeving die in het dierlijk zondoffer worden bewerkt is de mogelijkheid tot voortzetting van het tijdelijke leven in deze wereld. Het effect van de verzoening en vergeving die door het offer van Jesjoea worden bewerkt is de vernieuwing van de menselijke natuur en het deelkrijgen aan het eeuwig leven van de wereld die komt.

Betekent dit dat zij die voorafgaande aan Jesjoea’s komst onder de wettelijke offerdienst van Israel leefden geen deel konden hebben aan het het offer van Jesjoea? Volstrekt niet. Degenen die in de tijd voorafgaande aan Jesjoea de wettelijke zondoffers brachten en daarbij niet alleen maar de rite in acht namen maar ook het geloof en de juiste intentie van het hart hadden, kregen op grond van die intentie deel aan het offer van Jesjoea. Reeds voorafgaand aan dit offer werden zij op grond van de voorgekende verdiensten van Jesjoea in hem geïncludeerd.

Betekent dit dat na Jesjoea’s offer dieroffers niet meer nodig zijn en dat deze offers in de toekomst van het Messiaanse Rijk niet meer gebracht zullen worden? Volstrekt niet. Het offer van Jesjoea vervangt niet zomaar de dieroffers van de Wet. Dit zou alleen zo zijn indien onze verrijzenis in de tijd samenviel met Jesjoea’s verrijzenis. Dan zou de Toekomende Wereld voor ons aangebroken zijn en waren dieroffers onnodig en ook onmogelijk geworden. In de tegenwoordige tijd hebben wij ons aandeel in de Toekomende Wereld echter nog slechts in en door het geloof. Dit geloof en de ermee gepaard gaande genadegaven stellen ons in staat naar G’ds wil te leven binnen het bestel van deze wereld en binnen de beperkingen van de gevallen menselijke natuur. De vernieuwing van ons bestaan heeft nu nog de vorm van een nieuwe orientatie van ons leven in de omstandigheden van de oude schepping. Die nieuwe orientatie is weliswaar gericht op de nieuwe schepping van de Toekomende Wereld en is zelf een geestelijke herschepping van de kern van ons bestaan. Zij is echter nog niet de concrete en lichamelijke realisering van die vernieuwing.

In het Messiaanse Rijk zullen er nog steeds mensen zijn die in sterfelijke lichamen zullen leven. De tegenwoordige gelovigen zullen verheerlijkt worden bij de Wederkomst en dan het verrijzenisleven ontvangen. Het volk Israel zal echter pas collectief tot Jesjoea bekeerd worden bij de Wederkomst. De dan levende Israelieten en het overblijfsel van de volken na de Grote Verdrukking zullen in sterfelijke lichamen het Messiaanse Rijk binnen gaan. In dat Rijk zal opnieuw een g’ddelijke verblijfplaats zijn van waaruit de regering zal uitgaan. Dit zal een Tempel zijn zoals beschreven in het boek Ezechiel. Er zal dan een g’dsregering zijn over de gehele wereld, uitgaande van Jerusalem.

In die omstandigheden zullen opnieuw dieroffers gebracht worden, ook zondoffers. Net zoals onder de theocratie en het koningschap ten tijde van de Tabernakel en de Tempel zal de genade en de mogelijkheid van het zondoffer beperkt zijn tot bepaalde categorieën van zonde. De te brengen zondoffers zullen ook van toepassing zijn op hen die tijdens het Messiaanse Rijk tot waarachtig geloof gekomen zijn, en die dus hun definitieve vergeving hebben in het offer van Jesjoea. Want wanneer er een theocratie, een g’dsregering is worden de aardse gevolgen die de Wet aan de zonde verbindt niet weggenomen door de definitieve verzoening en vergeving welke bewerkt worden door het offer van Yeshua. In het uiterste geval zal dus iemand die een ernstige zonde begaat gedood moeten worden, ook al is hij een gelovige, omdat er voor die zonde geen zondoffer voorzien is. Indien zo iemand bijvoorbeeld de zonde van hoererij bedrijft, en daarna oprecht berouw heeft en zich bekeert, zal hij toch ter dood veroordeeld moeten worden, op gelijke wijze als ten tijde van Mozes. Hij ontvangt dan in Jesjoea’s zoenoffer wel vergeving voor de Toekomende Wereld, maar in deze wereld wordt hij veroordeeld tot de dood.

De dieroffers worden dus wel uiteindelijk door Jesjoea’s offer overbodig gemaakt, doch dit geschiedt pas bij het aanbreken van de nieuwe schepping, de Toekomende Wereld, wanneer alle uitverkorenen het verrijzenisleven zullen hebben en zonde en onreinheid volkomen uitgebannen zullen zijn.

Het offer van Jesjoea is met oprechte intentie gebracht en door G’d aanvaard, immers Jesjoea is opgestaan uit de dood. Zijn opstanding is het bewijs van de aanvaarding van zijn offer. Het spanningsveld tussen het sacrale en profane voor wat betreft de menselijke zondige aard is nu in principe opgeheven. De verstoorde relatie is weer hersteld en vernieuwd.

Het is dus onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken zonden kan wegnemen en een persoon rein kan maken voor deelname aan de Toekomende Wereld. Dit is dan ook niet het doel van het offerritueel. De offers van de tempel zijn relevant voor de reiniging en heiliging  van de natuurlijke mens om G’d te gehoorzamen en te aanbidden in de Tegenwoordige Wereld. Alleen het offer van Jesjoea kan een persoon van zonde reinigen en is noodzakelijk om toegang te krijgen tot de Toekomende Wereld.

Heb. 9:15 (SV, 1977)
15 En daarom is hij de middelaar van het nieuwe testament,  opdat, de dood daartussen gekomen zijnde, tot verzoening der overtredingen, die onder het eerste testament waren, degenen, die geroepen zijn, de beloftenis der eeuwige erve ontvangen zouden.

Jesjoea, de Messias, is de hogepriester en middelaar van het Nieuwe Verbond [15]. Hij offerde zijn leven om diegenen te verlossen die gezondigd hadden onder het Oude Verbond. Door middel van zijn priesterschap is hij is in staat om de mensen een eeuwige erfenis te schenken in de Toekomende Wereld. Voor de levitische offers was deze eeuwige erfenis van de Toekomende Wereld niet bereikbaar. Echter, beide verbonden zijn belangrijk en werken samen. Het Oude Verbond maakt deel uit van het leven in de huidige wereld en is een voorafschaduwing van de dingen die komen gaan. Het Nieuwe Verbond, is een vernieuwing van het Oude Verbond  en komt tot vervolmaking in de Toekomende Wereld.

Met deze achtergrond kunnen we nu ook begrijpen dat de eerste apostolische gemeenschappen verbonden bleven met de Tempel. Ze begrepen dat het offer van de Messias betrekking heeft op en pas volledig geëffectueerd wordt in de Toekomende Wereld, niet in de Tegenwoordige Wereld.

Het Messiaanse Rijk met de herstelde offerdienst moet dus wel deel uitmaken van deze wereld (de Olam Hazeh), en niet van de wereld die komt (de Olam Habah). Na het Messiaanse Rijk zullen een Nieuwe Hemel en een Nieuwe Aarde de huidige vervangen. Het Nieuwe Jeruzalem zal dan neerdalen, en daarin zal geen Tempel of offergave meer zijn.

Samenvatting en Conclusies

Bij het openen van de Bijbel worden we regelmatig verrast door tegenstellingen, tegenstrijdigheden en andere eigenaardigheden waar we geen raad mee weten. We weten of voelen aan dat er iets niet klopt. Deze tegenstrijdigheden blijken bij nader inzien vaak paradoxen te zijn, die ontstaan doordat realiteiten die in onderscheiden orden of sferen thuishoren met elkaar worden vermengd en op eenzelfde niveau worden gesteld.

Enerzijds werden we geconfronteerd met de traditionele uitleg van de offergaven als zijnde overbodig geworden door het offer van Jesjoea, met als gevolg dat Jesjoea zich opofferde om offerdieren te sparen. Anderzijds met het gegeven dat het bloed van bokken en stieren de zonden niet weg kan nemen, met als gevolg dat het gehele offerritueel zinloos lijkt te worden.

Uit het voorgaande weten we dat de levitische offers betrekking hebben op de Tegenwoordige Wereld (hebr. Olam Hazeh) en dat het offer van Jesjoea betrekking heeft op de Toekomende Wereld (hebr. Olam Habah).

Vanuit het fundamentele onderscheid tussen de Olam Hazeh en de Olam Habah is het mogelijk de schijnbaar tegenstrijdige teksten te begrijpen. Het offer van Jesjoea was niet bedoeld om de levitische offers te vervangen, tenminste niet zolang deze wereld nog zou voortbestaan. Immers het offer van Jesjoea is van een andere orde en betreft een dieper niveau, dat van het hart. Hierdoor is zijn offer in staat het menselijk hart en zo de hele mens te vernieuwen. Jesjoea is de middelaar die vermag om de mens een eeuwige erfenis te schenken in de Toekomende Wereld.


Index:

[1]     Matt. 5:17

[2]     Hand. 3:1

[3]     Hand. 24:11,17

[4]     Jes. 25:6-8; 65:25

[5]     Zach. 8:3

[6]     Ezech. 37:26-27

[7]     Jer. 33:15-18

[8]     Heb. 10:4

[9]     Opb. 21:1-2

[10]    Ex. 25:8

[11]    Lev. 4:1-5:13; 6:24-7:7

[12]    Lev. 4:30

[13]    Lev. 12:6; 14:9; Num 6:11, 14

[14]    Lev. 1:5

[15]    Jer. 31:33; Heb. 9:11-15