Bijbelse Paradoxen (Deel IV): Onsterfelijke Ziel versus Opstanding

 

door Erik ter Horst

[Dit is het vierde uit een serie artikelen waarin een aantal schijnbare tegenspraken in de Bijbel worden behandeld.]

Paulus Verkondigt de Opstanding aan de Grieken (Hand. 17:31)

Paulus Verkondigt de Opstanding aan de Grieken (Hand. 17:31)

Inleiding en Paradox

Op basis van onderstaande tekst uit de tweede brief van Paulus aan de Korinthe wordt veelal aangenomen dat het ‘in de dood zijn’ zou duiden op een ‘afstaan’ van het lichaam om a.h.w. ‘thuis’ bij God de Vader te zijn. Dit zou ondersteund worden door hetgeen beschreven staat in de brief aan de Filippenzen waar Paulus aangeeft om ‘ontbonden’ te willen worden en ‘met Christus’ te willen zijn.

Verder zou dit blijken uit de opmerkingen van Jesjoea aan het adres van de misdadiger aan het kruis. En deze visie zou ook zijn uitgewerkt in de parabel van ‘De Rijke Man en De Arme Lazarus’. Vanaf het moment van overlijden zou er een toestand zijn, een tussenfase in de hemel, waar de gelovige in volle bewustzijn zou verblijven en in aanwezigheid van de verhoogde Messias Jesjoea de heerlijkheid zou aanschouwen. Deze tussenfase  zoud eindigen op het moment van de wederkomst (gr. parousia) van Jesjoea. Op dat moment verkrijgt iedere gelovige zijn verheerlijkte lichaam. Deze interpretaties brengen echter een aantal serieuze bezwaren met zich mee:

2 Kor. 5:8-9 (SV, 1977)8 Maar wij hebben goede moed, en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen, en bij de Heere in te wonen. 9 Daarom zijn wij ook zeer begerig, hetzij inwonende, hetzij uitwonende, om Hem welbehagelijk te zijn.

Fil. 1:21-23 (SV, 1977)21 Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin. 22 Maar te leven in het vlees, of dat mij vruchtbaar zij, en wat ik verkiezen zal, weet ik niet. 23 Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste.

1)    In het boek Daniel [1] wordt een beschrijving gegeven van de toestand in de dood. Dit is een toestand van een onbewust-zijn zo blijkt: “…in het stof der aarde slapen…” gevolgd door een opstanding “…ontwaken…” en het eeuwige leven ontvangen, óf het eeuwig afgrijzen tegemoet gaan.

2)    In het eerste boek van de Koningen [2] lezen we dat: “…David ontsliep met zijn vaderen…” Hieruit kunnen we concluderen dat de doden rusten en zich in een onbewuste toestand begeven. Er wordt niet gesproken dat David, of wie dan ook, zich op een andere lokatie zouden begeven als een soort van ‘geest’. Dit wordt ook bevestigd in het boek Prediker [3] “…maar de doden weten niets…”

3)    Ook in het boek van de Psalmen [4] wordt de toestand van de dood vrij specifiek beschreven: “…zijn geest gaat uit, hij keert weer tot zijn aarde…” en “…de doden zullen HaSjeem niet prijzen…” [5].  

4)    Zoals reeds opgemerkt werd de toestand van de overleden koning David beschreven als een ‘slapen’. Dit wordt ook in het Nieuwe Testament bevestigd in een toespraak door de apostel Petrus in de Handelingen [6]. In deze verzen wordt uitdrukkelijk vermeld dat David niet is opgevaren naar de hemel. Dit wordt later nog eens algemeen verwoord in een brief van Petrus: “…Want van die dag, dat de vaderen ontslapen zijn, blijven alle dingen alzo gelijk van het begin der schepping…” [7].

5)    Paulus geeft een sterk getuigenis af omtrent de toestand van de doden, welke gestorven zijn in geloof, alsmede hun toekomstpersepctief. In de eerste brief aan de Thessalonicenzen [8] wordt aangegeven dat men niet bedroefd hoefde te zijn over de doden “…opdat gij niet bedroefd zijt…” Deze opmerking van Paulus zou niet zinvol zijn geweest als de doden de eeuwige zaligheid al hadden bereikt. Ook is dit in strijd met de beschrijving die Paulus geeft in de eerste brief aan Korinte betreffende de opstanding van de gelovigen welke in de toekomst [9] plaats zal vinden.

In het algemeen wordt binnen het Christendom aangenomen dat wanneer een gelovige komt te sterven, deze afstand doet van het lichaam,  en de persoon zich begeeft in de hemel samen met de verhoogde Messias in heerlijkheid. In zowel het Oude Testament als het Nieuwe Testament komen we een aantal citaten tegen die hier niet mee in overeenstemming zijn. Uit deze citaten blijkt dat de doden als het ware slapen en wachten totdat ze zullen worden opgewekt om het opstandingslichaam ontvangen.  

Om uit deze patstelling te komen is het noodzakelijk een poging te ondernemen om de bovengenoemde teksten uit het Nieuwe Testament (2 Kor. 5:8-9 en Fil. 1:21-23) in de toenmalige joodse denkwereld terug te plaatsen en hierbij het Grieks-Romeinse gedachtengoed, met name de invloeden van Plato, even op de  achtergrond te zetten. Vervolgens kunnen we de teksten opnieuw gaan bestuderen en interpreteren.

De Ziel vanuit Bijbels Perspectief

De basis voor de bijbelse antropologie wordt gelegd in het boek Genesis waar staat  “…En HaSjeem God had de mens geformeerd uit  het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel…” [10]. Hieruit blijkt dat de schepping van de mens bestaat uit twee fasen:

Het levenloze lichaam wat aangeduid wordt als ‘mens’: de “…mens geformeerd uit het stof der aarde…” Hoewel levenloos wordt het schepsel toch aangeduid als mens. Dit wordt bevestigd door Paulus in de eerste brief aan Korinte “…De eerste mens kwam uit de aarde voort…” [11].

Wanneer de levensadem wordt ingeblazen wordt de mens een levende ziel (hebr. nefesh, gr. psuche) genoemd. Hierbij dient opgemerkt te worden dat dit niet alleen van mensen wordt gezegd, maar ook van dieren die zich begeven in het water [12] , op de aarde [13] en in de lucht [14]. Ook hier vinden we een gelijksoortige tekst bij Paulus. [15].

Met deze achtergrond kunnen we begrijpen dat er wordt gesproken over zielen die zullen sterven [16] en dat er zielen onrein konden worden door in contact te komen met een overledene [17]. De bijbelse definitie van het begrip ziel is: een lichamelijk levend wezen. Het kardinale punt is hier dat mensen noch dieren worden benoemd als tweedelige schepselen bestaande uit een lichaam én een ziel. Het bijbelse uitgangspunt is: De mens, alsook het dier, is ziel. Door de ‘adem des levens’  zijn zij levende zielen, bewuste wezens, wezens met verlangens, met passies, en emoties. Het bijbelse begrip ‘ziel’ kenmerkt zich juist door te benadrukken dat het om het gehele wezen of de gehele persoon gaat. Een sprekend voorbeeld hiervan is te vinden in de profetie van Jesaja: “…omdat hij zijn ziel (hebr. nefesh) uitgestort heeft in de dood,  en met de overtreders is geteld geweest, en hij veler zonden gedragen heeft, en  voor de overtreders gebeden heeft… ” [18].

Over het algemeen wordt aangenomen dat de ziel het onsterfelijke deel is van de mens. De ziel is a.h.w. ‘een gevangene’ van het lichaam, dat bij het overlijden vrijkomt om naar de ‘hemel’ te gaan. Voor deze platonistische visie, ook wel aangeduid als dualisme, vinden we in de bijbel geen steun. De strijd die Paulus aan moet gaan met de Griekse wijsbegeerte is daarmee echter nog niet beslecht. Ondanks alle waarschuwingen van Paulus [19] tegen de Griekse invloeden is de leer van Plato, betreffende de onsterfelijkheid van de ziel, de bijbelse leer gaan verdringen en algemeen geaccepteerd. In de Rooms-Katholieke kerk werd er een synthese gevormd van enerzijds de Grieks-Romeinse en anderzijds de Joods-Bijbelse cultuur. Dit heeft er voor gezorgd dat het idee van een onsterfelijke ziel werd ingebed in de kerkelijke leer en in de theologie.

De Geest vanuit Bijbels Persectief

De basis voor de bijbelse antropologie wordt gelegd in het boek Genesis waar staat  “…En HaSjeem God had de mens geformeerd uit  het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel…” [20]. Hieruit leren we dat het inblazen van de levensadem in de mens, gevormd uit het stof der aarde, resulteert in een levende persoon, een levend wezen. De levensadem  is de ‘vonk’ die de mens tot een levende ziel maakt in tegenstelling tot wat we zouden kunnen noemen: een levenloze ziel. De levensadem (hebr. ruach, gr. pneuma) is datgene wat mens en dier gemeenschappelijk hebben. [21].

Het Oude Testament legt ons uit wat de essentie is van deze levensadem (hebr. ruach) namelijk: een onzichtbare vitale kracht die de schepselen tot leven brengt. Wanneer de levensadem wordt weggehaald sterft het schepsel. Tijdens het sterven keert de levensadem terug naar zijn bron [22,23,24,25]. Het schepsel zelf keert terug tot stof, van waaruit deze gevormd is. De levensadem, of ook wel geest genoemd, bevat geen persoonlijkheid die zelfstandig, zonder het lichaam, kan bestaan. Dit laatste is louter gebaseerd op een platonistische ingeving; in de Schrift vinden we hiervoor geen aanwijzingen. De levensadem is louter de levenskracht of levensbron die het schepsel letterlijk tot leven wekt.

Ook in het Nieuwe Testament wordt de levensadem (gr. pneuma) of geest overeenkomstig gebruikt, nl. als levenskracht en als bron van het leven  [26,27,28]. Het lichaam is dood zonder de geest, aldus Jacobus. Dit wordt vaak uitgelegd alsof de geest het lichaam overleeft als een ‘overwinnaar’ van het zwakke lichaam. Alsof de geest een reeële persoonlijkheid is die zelfstandig, zonder lichaam, zou functioneren. Daarmee springen we als het ware in de wereld van de Griekse filosofie, met als gevolg een mix van denkbeelden die afbreuk doet aan wat de Apostelen proberen over te brengen. Het begrip van een ontlichaamde geest is niet gebaseerd op bijbelse gegevens en conflicteert met het bijbelse gedachtengoed betreffende de opstanding. De opstanding betreft de gehele persoon van dood naar leven. De gedachtenspinsels die hiermee interfereren vormen een bedreiging voor het bijbelse toekomstperspectief. Hieraan kunnen we ontkomen door ons te herbronnen op de bijbelse antropologie en de bijbehorende begrippen terug te plaatsen in de joodse denkwereld.

De Rijke Man en de Arme Lazarus

Dit gedeelte uit het Evangelie van Lukas wordt vaak aangegrepen als bewijs voor het verkrijgen van ‘beloning’ en ‘straf’ direct nadat de dood is ingetreden; dus voordat de opstanding der doden heeft plaatsgevonden. Verderop in ons betoog zullen we hier op ingaan en de visie van Paulus toelichten.

Het verhaal van Lazarus begint met:  “…En er was een zeker rijk mens…” [29] evenals het verhaal van de verloren zoon “…Een zeker mens had twee zonen…” [30] en de onrechtvaardige rentmeester “…Er was een zeker rijk mens…” [31]. Dit geeft duidelijk aan dat het hier om een verhaal, een parabel gaat, bevattend een morele les. Het gaat hierbij niet om exacte feitelijkheden en het is geen theologische verhandeling over de eschatologie. Zou de rijke man echt kunnen communiceren met vader Abraham in de hemel? Uit het verhaal blijkt overigens ook dat het niet om zogenaamde ‘ontlichaamde zielen’ gaat. Er wordt immers gesproken over lichaamsdelen, zoals: de ogen, de vinger en de tong [32]. Het gebruiken van deze parabel voor het beschrijven van de  ‘toestand’ direct na de dood is dan ook niet juist.

Daarnaast is het van belang dit verhaal in de context te plaatsen van het Lukas Evangelie. Het verhaal van de Arme Lazarus en de Rijke Man is onderdeel van een aantal gelijkenissen die in wezen over twee groepen handelt. De twee groepen: tollenaars-zondaars en de Farizeeën worden ons in de voorafgaande delen op verschillende manieren voorgesteld:

Zij die tot de eerste groep behoren worden voorgesteld als het verloren schaap, als de verloren penning, als de verloren zoon; die van de tweede groep als de ‘rechtvaardigen’, de thuis gebleven zoon, de rentmeester. In dit laatste deel vinden we deze groepen ook weer terug als Lazarus en als Rijke Man. We moeten in de geschetste figuren van de Arme Lazarus en de Rijke Man geen natuuurlijke en afzonderlijke personen zien, maar zoals reeds gezegd groepen of typen van mensen. Hiermee vervalt dan de mening dat Jesjoea ons hier iets zou openbaren over wat achter de natuurlijke dood ligt. Het gaat hier niet over het sterven van natuurlijke mensen, maar over iets anders.

In deze parabel trekt Jesjoea de consequentie van de leer der Farizeeën. Zij leerden: Wie het slecht gaat in dit leven kan rekenen op een goed leven hiernamaals. Zij zeiden niet: Wie het hier goed gaat, ziet later de rollen omgekeerd. Dit ware consequent geweest. Jesjoea is hierin wel consequent met als gevolg: De Rijke Man die vrolijk en prachtig geleefd heeft, komt nu in een plaats van lijden, van pijn en dorst.

Zo ook de zinsnede “…En het geschiedde, dat de bedelaar stierf, en door de engelen gedragen werd in de schoot van Abraham…” Dat was eveneens de leer der Farizeeën. Zij geloofden dit aangaande de ziel, zoals blijkt uit de apocriefe boeken en de geschriften van Flavius Josephus. Jesjoea stelt het hier echter voor als de gehele persoon betreffend. Niet zijn ziel ging heen — de ziel hoeft niet gedragen te worden — maar de gehele persoon. Er is geen enkele expliciete zinspeling op de ontlichaamde ziel of geest bij Jesjoea, integendeel, het blijkt dat Lazarus een vinger had, dus een lichaam. Men kan dit inkleding noemen, passend bij de voorstelling maar daarmee is de zelfstandig voortlevende ziel nog niet bewezen. Nergens in de Bijbel vinden we dat engelen ‘zielen’ naar de hemel ‘dragen’.

Zoals reeds eerder aangegeven ‘slapen’ de doden en vertoeven deze in het graf (hebr. sheool, gr. hades). Alle doden, ‘goed’ of ‘slecht’ zijn hierin aan elkaar gelijk. Het principe van beloning en straf zal pas een aanvang nemen bij respectievelijk de heerlijkheid van het opstandingsleven en wat genoemd wordt de ‘tweede dood’. Dit alles verdient meer aandacht, maar zal omwille van de omvang van dit artikel nu niet verder behandeld worden.

Jesjoea en de Misdadiger aan het Kruis

De kruisiging van Jesjoea, zoals beschreven in het Evangelie van Lukas, [33] vermeldt een dialoog tussen Jesjoea en de berouwvolle misdadiger. Deze dialoog bestaat uit de volgende woorden: “…En hij zei tot Jesjoea: Heer, gedenk mijner, als gij in uw Koninkrijk zult gekomen zijn. En Jesjoea zei tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: heden zult gij met mij in het Paradijs zijn…” [34].

Deze dialoog wordt vaak aangehaald als bewijs dat direct na het overlijden de gelovige naar het hemelse Paradijs gaat of in een paradijselijke toestand terecht komt. Het gaat hierbij om de functie en betekenis van het woord: ‘heden’. Deze wordt aangegeven door middel van de punctuatie welke is aangebracht in de vertaling maar ontbreekt in de Griekse grondtekst. De letterlijke vertaling van de grondtekst kan op twee manieren worden gelezen:

“…Voorwaar u zeg ik: heden met mij gij zult zijn in het paradijs…”

“…Voorwaar u zeg ik heden: met mij gij zult zijn in het paradijs…”

Lukas 23 geeft hierover geen uitsluitsel; het kan beide betekenissen hebben. Echter, wanneer we de uitspraak van Jesjoea in de context van de dialoog plaatsen wordt de betekenis helder. Door de misdadiger wordt immers gevraagd of Jesjoea hem wil gedenken in zijn Koninkrijk. Dat wil zeggen bij Zijn wederkomst (gr. parousia). Jesjoea geeft duidelijk aan, vooruitlopend op de komst van het Koninkrijk, dat op die Grote Dag de misdadiger bij Jesjoea in het Paradijs zal zijn.

De Uitleg van Paulus 

In deze paragraaf zullen we proberen de bijbelcitaten van Paulus, die deel uitmaken van de paradox, uit te leggen. Hierbij zullen we gebruikmaken van hetgeen reeds gezegd is over: ziel en geest. Daarnaast is het belangrijk om de eschatologie van Paulus als een eenheid te zien.

2 Kor. 5:8-9: Er zijn een aantal opmerkelijke overeenkomsten tussen 2 Kor 5 en 1 Kor. 15. Het eerste betreft het overkleed worden met onsterfelijkheid: 2 Kor. 5:2,4 vergeleken met 1 Kor 15:54. Het tweede betreft het verschijning van de nieuw mens: 2 Kor. 5:2 vergeleken met 1 Kor. 15:47. Afgezien van het feit dat de eerste en tweede brief aan Korinthe in korte tijdspanne na elkaar zijn geschreven (± 55 n. Chr.) en gericht zijn aan dezelfde groep gelovigen, wordt duidelijk dat het in beide gedeelten over één en dezelfde gebeurtenis gaat, namelijk over de opstanding der doden. Om 2 Kor. 5 op te vatten als het moment waarop een gelovige komt te overlijden en onsterfelijkheid ontvangt is in tegenspraak met 1 Kor. 15. Paulus zou hiermee de eenheid en consistentie van het gezamelijke thema: de opstanding der doden, teniet doen.

Het centrale thema dat Paulus hier uitwerkt betreft de hoop, van iedere gelovige, en het vooruitzicht op de opstanding. Dit begint al in een hoofdstuk 4 met: “…wetende, dat Hij, Die de Heer Jesjoea opgewekt heeft, ook ons door Jesjoea zal opwekken, en daar met u zal stellen…” [35] en dit loopt door tot in hoofdstuk 5. Het zogenoemde “…uit te wonen…” en  “…in te wonen…” [36] duidt dan ook op het inwisselen van ons sterfelijke lichaam voor een onsterfelijk lichaam dat we zullen ontvangen bij de wederkomst (gr. parousia).

Fil. 1:21-23: Wanneer we dit gedeelte lezen als een op zichzelf staand gegeven zouden we kunnen concluderen dat Paulus verwachtte bij Jesjoea te zullen zijn onmiddellijk na zijn dood. In dezelfde brief lezen we echter ook: “…Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelf kan onderwerpen… ” [37]. Uit deze tekst blijkt dat het gaat over een situatie waarbij alles onderworpen is aan de Messias. Deze situatie neemt zijn aanvang bij de oprichting van het Koninkrijk als Jesjoea terugkomt. Paulus spreekt dus simpelweg van een samen zijn: “…en met de Messias te zijn… ” door de dood, gevolgd door de opstanding.  Het citaat: “…hebbende begeerte, om ontbonden te worden…” betekent eenvoudig bij de Messias zijn bij diens wederkomst (gr. parousia).

Ook de beschrijving die Paulus geeft van de opstanding in de brief aan de Thessalonicenzen [38] zou geen betekenis hebben indien er na de dood een directe ‘ontmoeting’ met Jesjoea zou zijn. Dezelfde beschrijving vinden we terug in de eerste brief aan Korinte [39]. Het populaire geloof dat een gelovige ‘levend’ of ‘bewust’, in welke vorm dan ook, bij Jesjoea zou kunnen zijn zonder de opstanding ondergaan te hebben is uitgesloten! Dat zou betekenen dat de dood geen werkelijke dood is, maar op een of andere manier een voortzetting van het ‘leven’. De opstanding der doden zou een inhoudsloos begrip worden.

Uit de bovenstaande passages uit de brieven aan Korinthe, de brief aan Filippi alsook de brief aan de Thessalonicenzen blijkt dat Paulus zijn hoop gevestigd heeft op de opstanding. Dan zal er een ontmoeting met Jesjoea zijn, niet daarvóór.

Samenvatting en Conclusies

Bij het openen van de Bijbel worden we regelmatig verrast door tegenstellingen, tegenstrijdigheden en andere eigenaardigheden waar we vaak geen raad mee weten. We weten of voelen aan dat er iets niet klopt. Deze tegenstrijdigheden blijken bij nader inzien vaak paradoxen te zijn, zo ook hier !

Enerzijds werden we geconfronteerd met de traditionele uitleg betreffende het feit dat dat wanneer een gelovige komt te overlijden, deze afstand doet van het lichaam,  en de persoon zich begeeft in de hemel samen met de verhoogde Christus in heerlijkheid. Anderzijds met citaten uit het OT alsook het NT die hier niet mee in overeenstemming zijn. Uit deze citaten blijkt dat de doden ‘slapen’ en ‘wachten’ totdat ze zullen worden opgewekt om het opstandingslichaam ontvangen.

Uit het voorgaande weten we nu dat de traditionele uitleg niet juist is en dat, ondanks alle waarschuwingen van Paulus, de Griekse invloeden, met name de leer van Plato betreffende de onsterfelijkheid van de ziel, de bijbelse leer is gaan verdringen en vervangen.

Wanneer we trachten het bijbelse mensbeeld met betrekking tot lichaam, ziel en geest zo getrouw mogelijk weer te geven, blijkt dat het individu een ondeelbare eenheid is; niet een ziel die als het ware beroofd wordt van zijn lichaam wanneer de dood zijn intrede doet. De consequentie hiervan is dat de opstanding een werkelijke opstanding is, een echte transitie van dood naar leven, die zal plaatsvinden bij Jesjoea’s wederkomst. Dan “…zullen wij hem gelijk wezen; want wij zullen hem zien, gelijk hij is…” [40].

Het weer tot leven brengen is aldus onmiskenbaar verbonden aan de opstanding. De overledenen blijven in het stof der aarde totdat ze worden opgewekt om deel te nemen aan het eeuwige leven in de toekomende wereld (hebr. olam habah). De boodschap die in het OT en NT consistent wordt uitgedragen is dat de doden nu ‘slapen’. Hiermee wordt aangegeven dat de doden zich niet bewust zijn van tijd en ‘wachten’ op het grote moment dat ze zullen worden opgewekt “…in een punt des tijds…” (1 Kor. 15:52). Dit alles werd reeds lang geleden dichterlijk genoteerd door de schrijver van het boek Job:

Job 14:11-15 (SV, 1977) :11 De wateren verlopen uit een meer, en een rivier droogt uit en verdort; 12 Alzo ligt de mens neer, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden. 13 Och, of Gij mij in het graf verstaakt, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat Gij mij een bepaling steldet, en aan mij gedachtig waart! 14 Als een man gestorven is, zal hij weer leven? Ik zou al de dagen van mijn strijd hopen, totdat mijn verandering komen zou. 15 Dat Gij zoudt roepen, en ik U zou antwoorden, dat Gij tot het werk Uwer handen zoudt begerig zijn.

______________

 Bijbel Index:

[1]     Dn. 12:2                                             [21]    Gen. 7:14

[2]     1 Kon. 2:10                                      [22]    Pr. 3:19-20

[3]     Pr. 9:5                                                [23]    Pr 12:7

[4]     Ps. 146:4                                          [24]    Ps. 104:29

[5]     Ps. 115:17                                         [25]    Job. 34:14-15

[6]     Hand. 2:29,34                                [26]    Jak. 2:26

[7]     2 Pet. 3:4                                          [27]    Luk. 23:46

[8]     1 Thess. 4:13-18                            [28]    Hand. 7:59

[9]     1 Kor. 15:22,42                              [29]    Luk. 16:19-31

[10]    Gen. 2:7                                           [30]    Luk. 15:11-32

[11]    1 Kor. 15:47                                   [31]    Luk. 16:1-13

[12]    Gen 1:20                                          [32]    Luk. 16:23-24

[13]    Gen 1:24                                          [33]    Luk. 23:33-43

[14]    Gen. 1:30                                        [34]    Luk. 23:42-43

[15]    1 Kor. 15:39                                   [35]    2 Kor. 4:14

[16]    Ez. 18:4,20                                     [36]    2 Kor. 5:8

[17]    Lev. 21:11                                        [37]    Fil 3:21

[18]    Jes. 53:12                                        [38]    1 Thess. 4:16

[19]    Kol. 2:8                                            [39]    1 Kor. 15:52

[20]    Gn. 2:7                                             [40]    1 Joh. 3:2

Advertisements

0 Responses to “Bijbelse Paradoxen (Deel IV): Onsterfelijke Ziel versus Opstanding”



  1. Leave a Comment

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s





%d bloggers like this: