Archive for April, 2014

Bijbelse Paradoxen (Deel V): Wet versus Genade

 

door Erik ter Horst

[Dit is het vijfde uit een serie artikelen waarin een aantal schijnbare tegenspraken in de Bijbel worden behandeld.]

Traditionele tegenstelling van Wet en Genade (Cranach 1535)

Traditionele tegenstelling van Wet en Genade (Cranach 1535)

Inleiding en Paradox

Op grond van de onderstaande teksten uit het Johannes Evangelie en de brieven van Paulus aan de Romeinen en de Galaten wordt veelal aangenomen dat de begrippen wet en genade elkaars tegenpolen zijn en elkaar uitsluiten: Waar de wet heerst is geen genade en waar de genade heerst is de wet overbodig geworden.

Joh. 1:17 (SV 1977) Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.

Rom. 6:14 (SV 1977) Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.

Gal. 2:21 (SV 1977) Ik doe de genade G’ds niet te niet; want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven.

Gal. 5:4 (SV 1977) Christus is u ijdel geworden, die door de wet gerechtvaardigd wilt worden; gij zijt van de genade vervallen.

Deze interpretatie brengt echter serieuze bezwaren met zich mee. In zowel het Oude Testament als het Nieuwe Testament komen we een aantal citaten tegen die hier niet mee in overeenstemming zijn, of althans, hiermee op gespannen voet staan:

1) Allereerst is het noodzakelijk te benadrukken dat ook na de opstanding van Jezus de Wet nog steeds valide is: “…totdat de hemel en de aarde voorbijgaan (Hebr. olam hazeh), zal er niet één jota noch één tittel van de wet voorbijgaan…” [1]. Ook de volgelingen van Jezus namen de wet serieuszelfs zo’n dertig jaar ná de dood en opstanding [2,3].

2) In de brief aan de Galaten wordt de wet voorgesteld als een onderwijzer en beschermheer die notabene tot de Messias leidt “…Zo dan, de wet is onze tuchtmeester, lees: onderwijzer (gr. paidagogos) geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden…” [4]

3) In de brief aan de Romeinen wordt enerzijds gezegd dat we niet onder de wet zijn, maar anderzijds worden we gewaarschuwd voor het overtreden van de wet, het zondigen: “…Wat dan ? Zullen wij zondigen, omdat wij niet onder de wet zijn, maar onder de genade ? Dat zij verre…” [5]. In het daarop volgende hoofdstuk zegt Paulus: “…De wet is heilig, rechtvaardig, goed en geestelijk…”  [6].

4) Ook in het Oude Testament wordt de wet hoog geacht. David vermeldt ons: “…De wet des HEEREN is volmaakt…” en “…De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen [7].

5) De wet bewerkt rechtvaardigheid en corrigeert onze levensstijl “…Als nu een mens zal gezondigd hebben…” , “…als hij aan een van die schuldig is, dat hij belijden zal waarin hij gezondigd heeft…”[8] En de wet wordt daarnaast ook aangeduid als een licht voor de volken [9]

De begrippen ‘wet’ en ‘genade’ worden weliswaar niet direct aan elkaar gekoppeld, maar een strikte scheiding aanbrengen, zoals de traditionele leer ons voorspiegelt, lijkt niet houdbaar. Het is immers niet erg consequent om enerzijds de wet hoog te achten, en deze te praktiseren, en anderzijds aan te geven dat de wet overbodig is en als het ware vervangen is door de genade. Om uit deze patstelling te komen is het noodzakelijk onderzoek te doen aan de bijbelse begrippen: zonde, werken, wet en genade. Vervolgens kunnen we de teksten opnieuw gaan bestuderen en interpreteren.

Het begrip ‘zonde’

Het begrip ‘zonde’ wordt in het Hebreeuws weergegeven door chata en in het Grieks door hamartia. Het woord chata is in het OT het meest gebruikelijke woord dat vertaald wordt met ‘zonde’. De betekenis komt expliciet naar voren in het boek Richteren [10]. Het betekent hier een verkeerde beweging maken of richting kiezen waardoor het doel, de bestemming, wordt gemist. Het begrip zonde en het uitvloeisel hiervan: de zonden, bewerken in essentie dat het levensdoel gemist wordt; het levensdoel dat HaSjeem met een ieder mens persoonlijk voorheeft.

In de eerste brief van Johanneswordt het begrip zonde en de hiermee gepaard gaande zonden gerelateerd aan de Torah, de wet. “Ieder die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid, en de zonde is de wetteloosheid.” [11] . In de brief aan de Romeinen geeft Paulus de situatie aan waar de mensheid zich in bevindt: “…Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods…”  [12]. Paulus geeft duidelijk aan wat de consequenties zijn van de zondige toestand en het zondigen. Johannes definieert het zondigen als wetteloosheid.

Het begrip ‘werk’

Het begrip ‘werk’ wordt in het Hebreeuws weergegeven door ma’asee en in het Grieks door ergon. Aan het begrip ‘werk’ kan een positieve, maar ook een negatieve waarde kleven. Paulus vat dit samen in de eerste brief aan Korinte [13] “Eens ieders werk zal openbaar worden…” Echter, in deze paragraaf bedoelen we niet het werk ten bate van de Gemeente van de Messias. Hier hebben we met het begrip ‘werken’ of ‘werk’ iets anders op het oog. Paulus geeft dit aan in de brief aan de Galaten [14] en impliciet in de brief aan Efeze [15].

In de Galatenbrief probeert Paulus duidelijk te maken dat het rechtvaardig worden voor G’d niet een kwestie is van eigen inzet en inspanning of door het zich  juridisch invoegen in het volk Israël als proseliet: “…die door de wet gerechtvaardigd wilt worden; gij zijt van de genade vervallen…”. Aan het rechtvaardig gerekend worden voor G’d, middels het zoenoffer van de Messias, kan de mens zelf niets toevoegen. De rechtvaardiging is louter en alleen genade. Dit wordt bevestigd in de brief aan Efeze: “…Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme…” Hiermee plaats Paulus het begrip ‘werk’ tegenover het begrip ‘genade’.

Het begrip ‘wet’

Het begrip ‘wet’ wordt in het Hebreeuws weergegeven door Torah en in het Grieks door nomos. Paulus gebruikt veelal het griekse woord nomos en dit betekent letterlijk ‘wet’. Hierdoor onstaat al snel de indruk dat het louter een juridische code betreft. Paulus schreef in het Grieks, maar de begrippen waarover hij schrijft komen uit de hebreeuwse geschriften en uit het joodse religieuze leven. Het hebreeuwse begrip Torah is dan ook veel breder dan een zogenaamde juridische code.

Het woord Torah is afgeleid van het werkwoord yarah en betekent in essentie: ‘het zich richten op een doel’ In deze context is de Torah de richtlijn die G’d ons aanreikt om op het juiste levenspoor te komen én te blijven om ons levensdoel te doen bereiken. De Torah heeft aldus verschillende aspekten en functies welke al min of meer genoemd zijn onder 1 t/m 5.

De grondbetekenis van het woord Torah gaat veel meer in de richting van ‘leren’ en ‘onderwijs’. Zoals een man zijn zoon instructies meegeeft voor het leven, zo geeft G’d instructies aan het volk Israël. Middels de wet openbaart G’d zich aan zijn volk én aan de mensheid in het algemeen. De wet geeft voorschriften hoe er met elkaar geleefd dient te worden en op welke wijze we G’d moeten benaderen. De twee belangrijkste bepalingen in de wet, die ook het doel van de wet vormen,  worden kernachtig door Mozes weergegeven in de boeken Deuteronomium [16,17,18]: “Zo zult gij de Heere, uw G’d, liefhebben…” en Leviticus [19]: “…maar gij zult uw naaste liefhebben als uzelf…” en herhaald door Jezus in o.a. het Evangelie van Markus: [20] “…gij zult de Heere, uw God, liefhebben…”  en “…Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf…” De wet is G’ds standaard voor rechtvaardigheid en is volmaakt [21]. Middels de wet toont G’d zijn liefde en betrokkenheid op alle aspekten van het leven; een leven dat geleefd dient te worden onder zijn leiding en zorg.

Het begrip ‘genade’

Het begrip ‘genade’ wordt in het Hebreeuws weergegeven door chen  en in het Grieks door charis. Het wordt door Paulus expliciet gebruikt in de brief aan de Efeziërs [22] “…Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u,  het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme…” Hieruit blijkt dat genade een gunst is, een gift van G’d.

Als antwoord op deze genade wordt van de mens gevraagd trouw te zijn en te blijven aan de geboden van G’d. Middels het aanvaarden van Jezus als de ware Messias en als offergave voor de zonde en zonden, ontvangt de mens de volkomen genadegave, het eeuwige leven, voor de toekomende wereld (hebr. olam habah). De rechtvaardiging uit genade betekent niet alleen een begenadiging, maar een door de kracht van G’d herschapen leven.

Deze herschepping is nu nog slechts gedeeltelijk. De volkomen herschepping zal plaatsvinden bij de opstanding. De gedeeltelijke herschepping betreft de juiste oriëntatie en richting tijdens dit leven. De genade is als het ware een kracht, die de natuurlijke mens overwint, en de nieuwe mens ondersteunt in alle omstandigheden van het leven in deze tegenwoordige wereld (Hebr. olam hazeh). Door deze gedeeltelijke herschepping zijn we in staat de wet en de geboden van G’d te volbrengen met de intentie en het doel waarmee ze werden ingesteld, nl:

Deut. 6:5 (SV 1977) Zo zult gij de HEERE, uw G’d,  liefhebben, met uw ganse hart, en met uw ganse ziel, en met al uw vermogen.

Deut. 10:12 (SV 1977) Nu dan, Israël! wat eist de HEERE, uw G’d van u dan de HEERE, uw G’d, te vrezen in al zijn wegen te wandelen, en hem lief te hebben, en de HEERE, uw G’d,  te dienen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel.

Deut. 30:6 (SV 1977) En de HEERE, uw G’d,  zal uw hart besnijden, en het hart van uw zaad, om de HEERE, uw G’d, lief te hebben met uw ganse hart en met uw ganse ziel, opdat gij leeft.

Lev. 19:18 (SV 1977) Gij zult u niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen van uw volk; maar  gij zult uw naaste liefhebben als uzelf; Ik ben de HEERE!

Mk. 12:30-31 (SV 1977) En gij zult de Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod. En het tweede aan dit gelijk, is dit:  Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Er is geen ander gebod, groter dan deze.

Hieruit blijkt dat de wet en de genade samenwerken en elkaar aanvullen. Wanneer een persoon in eerste instantie de genade ontvangen heeft vanuit de christelijke traditie en hierdoor tot een juiste oriëntatie en richting van zijn leven is gekomen, heeft hij de wet nodig om aan deze levensrichting invulling te geven. Wanneer een persoon in eerste instantie de wet ontvangen heeft vanuit de joodse traditie en hierdoor de wet en de geboden volbrengt zal deze de genade nodig hebben om tot een juiste oriëntatie en richting van zijn leven te komen. Hieruit blijkt dat zowel de Jood als de niet-Jood de wet én de genade nodig hebben om tot het levensdoel te komen dat G’d met hen persoonlijk alsook gezamenlijk voorheeft.

Exegese van de Bijbelverzen

In deze paragraaf zullen we trachten de bijbelgedeelten uit de inleiding te verklaren aan de hand van de begrippen die zijn behandeld. We beperken ons tot enkele hoofdpunten.

In het Evangelie van Johannes [23] wordt aangegeven dat de wet is gegeven door Mozes en de genade door Jezus Christus. Dit wordt veelal gelezen als een tegenstelling en ook zo aangezet door sommige vertalingen door het woord “maar” toe te voegen, waardoor wet en genade tegenover elkaar komen te staan. Echter, de evangelist benoemt hier twee belangrijke historische feiten, niets meer en niets minder, nl: Dat de wet via Mozes bekend en concreet werd gemaakt én de genade middels Jezus Christus. Dit laatste wil zeggen dat door de offergave van Jezus de genade realiteit is geworden aangezien de Oud Testamentische belofte nu is ingewilligd.

In de brief aan de Romeinen [24] geeft Paulus aan dat wanneer een persoon de genade ontvangen heeft deze niet meer onder de wet is. Dit wil zeggen dat wanneer een persoon tot geloof gekomen is en de juiste oriëntatie en richting in zijn leven heeft gekregen deze niet meer valt onder het oordeel van de wet. Hieraan zit wel een voorwaarde, nl: dat er aan de nieuwe levensrichting invulling wordt gegeven. Zoals uit het voorgaande al is gebleken geeft de wet deze invulling in zowel woord als daad.

In de brief aan de Galaten [25,26] stelt Paulus aan de orde dat een persoon niet gerechtvaardigd kan worden worden op basis van het betrachten van de wet. Paulus, die evenals Jezus de wet nauwgezet praktiseerde, verzet zich hier niet tegen de wet als zodanig. Het kardinale punt dat Paulus probeert duidelijk te maken is dat het rechtvaardig worden voor G’d niet een kwestie is van eigen inzet en inspanning of door het zich juridisch invoegen in het volk Israël. Was dit wel het geval geweest dan was Jezus tevergeefs gestorven en was de genade overbodig geworden. De genade is een gunst, een vrije gift van G’d, en wordt geschonken wanneer we tot geloof komen. Hierdoor worden we herschapen en krijgen we een leven met een nieuwe oriëntatie. Deze nieuwe levensrichting dient ingevuld te worden middels het onderhouden van de wet en de geboden in woord en daad. Kortom, wet én genade zijn beide noodzakelijk om tot ons levensdoel te komen.

Samenvatting en Conclusies

Bij het openen van de Bijbel worden we regelmatig verrast door tegenstellingen, tegenstrijdigheden en andere eigenaardigheden waar we vaak geen raad mee weten. We weten of voelen aan dat er iets niet klopt. Deze tegenstrijdigheden blijken bij nader inzien vaak paradoxen te zijn, zo ook hier!

Enerzijds werden we geconfronteerd met de traditionele uitleg betreffende de begrippen ‘wet’ en ‘genade’ als zijnde tegenstellingen die elkaar uitsluiten: Waar de wet heerst is geen genade en waar genade heerst is de wet overbodig geworden. Anderzijds bleek uit citaten uit zowel het OT als NT dat een scheiding, zoals de traditionele leer ons voorspiegelt, niet houdbaar is.

Daaraan kunnen we nog toevoegen dat de Apostel Johannes duidelijk heeft laten zien dat het gehoorzamen aan de wet tegenover het overtreden van de wet, dus wetteloosheid, staat. Paulus’ redenering laat zien dat de werken tegenover de genade staan. Hieruit blijkt dat de traditionele opvatting, die de wet tegenover de genade stelt, niet juist is, of in ieder geval correctie behoeft.

Uit het voorgaande is gebleken dat de wet en de genade elkaar nodig hebben, dus complementair zijn. Immers om tot een tot een juiste oriëntatie en richting van ons leven te komen hebben we de genade nodig. Naast de genade is de wet onontbeerlijk om aan deze nieuwe levensrichting invulling te geven. Slechts dan kunnen we ons levensdoel bereiken dat G’d met een ieder van ons persoonlijk alsook gezamenlijk voorheeft. Dit levensdoel wordt diverse keren in het Oude Testament aangegeven en herhaald door de Heer Jezus:

Mk. 12:30-31 (SV 1977) En gij zult de Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod. En het tweede aan dit gelijk, is dit:  Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Er is geen ander gebod, groter dan deze.

_____________________________________________________________________

 

Bijbel Index:

 

[1]     Matt. 5:17

[2]     Hand. 3:1]

[3]     Hand. 24:11,17

[4]     Gal. 3:19-26

[5]     Rom. 6:15

[6]     Rom. 7:12-14

[7]     Psalm 19:8-9

[8]     Lev. 5:1,5

[9]      Deut. 4:6-8

[10]    Richt. 20:16

[11]    1 Joh. 3:4

[12]    Rom. 3:23

[13]    1 Kor. 3:13-15

[14]    Gal. 5:1-5

[15]    Ef. 2:8-9

[16]    Deut. 6:5

[17]    Deut. 10:12

[18]    Deut. 30:6

[19]    Lev. 19:18

[20]    Mk. 12:30-31

[21]    Ps. 19:8-9

[22]    Ef. 2:8-9

[23]    Joh. 1:17

[24]    Rom.6:14

[25]    Gal. 2:21

[26]    Gal. 5:4

 

Are Kitniyot Permitted on Passover?

 

In the Video here below of Torah Nation TV a great explanation is given by Rabbi David Bar-Hayim of Machon Shilo, as to why he considers Kitniyot to be completely permissible on Passover for everyone, including Askenazim.  According to R. Bar-Hayim the stringency of Kitniyot was never really binding, and was rejected by a number of outstanding Rishonim as erroneous, ill-informed, and even roundly stupid. Watch the Video and draw you own conclusion.

This Video can also be viewed at the website of Jewish Press. You’ll find it included in the article: Is It Time to Abandon Kitniyot?, April 11, 2014.