Archive for the 'Circumcision' Category

De Niet-Joden en het Besnijdenisgebod in de Gemeente van de Messias: Een Eerste Verkenning van het Probleem

 

door Geert ter Horst

Tenecki — Circumcision of Christ (Monastery of Krusedol)In veel messiasbelijdende gemeenten leert men enerzijds dat niet alleen joodse maar ook niet-joodse gelovigen de Torah moeten onderhouden, terwijl men anderzijds leert dat de lichamelijke besnijdenis niet voor niet-Joden is. Dit is volgens mij een aperte tegenstrijdigheid. Indien de Torah voor de niet-Joden geldt, dan geldt de gehele Torah voor hen in al zijn aspecten en is er geen mogelijkheid om willekeurige uitzonderingen te maken voor een of ander gebod. Er kan dan dus geen onderscheid meer bestaan tussen Jood en niet-Jood, althans niet binnen de Gemeente van de Messias. Wel, uiteraard, in de wereld buiten deze Gemeente.

Indien niet-joodse gelovigen de Sjabbat horen te houden, en indien het niet-houden of overtreden van de Sjabbat een ernstige zaak is, dan is dit met de besnijdenis precies zo het geval. In beide gevallen stelt de Torah dat op opzettelijke en persistente overtreding de straf staat van karet, d.i. van buiten het verbond gesteld worden. In de theocratische situatie waar de Torah primair voor bedoeld is betekent dit de doodstraf of verbanning. In I Cor. 5:1-13 wordt voor een vergelijkbaar geval van incest (cf. Lev. 18:8), waarop volgens de Torah ook de straf van karet staat (Lev. 18:29), door Paulus de consequentie getrokken van excommunicatie.

Mocht het echter zo zijn dat de Apostelen leren dat de gelovigen uit de volken zich niet moeten laten besnijden, dan sluit dit onmiddellijk en vanzelf uit dat deze gelovigen de Torah zouden moeten onderhouden. Als de besnijdenis niet voor de gelovigen uit volken is, hoe kan dan bijv. zoiets als Pidjon HaBen (= de lossing van de eerstgeborene) wél voor hen zijn? Niemand heeft toch ooit gehoord van de lossing van een onbesnedene? Het is ook volkomen belachelijk om met een onbesneden jongen naar de Kohen te gaan voor de lossing. Want waarom zou een rite die voor de 31ste dag na de geboorte geldt verplichtend zijn en een andere rite, die is vastgesteld voor de 8ste dag, niet?

Stelt men dat de Apostelen een uitzondering hebben gemaakt voor de volken voor wat de besnijdenis betreft, dan kan dit alleen betekenen dat de Apostelen geleerd hebben dat de Torah niet voor de niet-Joden bedoeld is. Want indien de Torah wél voor hen zou gelden, dan zouden ook de Apostelen niet de macht hebben om te verklaren dat de besnijdenis niet op hen van toepassing is. Een Apostel kan zich immers niet boven de Torah stellen. Als de niet-joodse gelovigen in Israel zijn ingevoegd door het werk van de Messias, en op grond daarvan de Torah voor hen geldt, dan hebben de Apostelen geen bevoegdheid om een gebod van Mozes voor deze gelovigen ongeldig te verklaren, laat staan zo’n belangrijk en essentieel gebod als de besnijdenis.

Er zijn volgens mij drie opties om de afwijzing van de besnijdenis door de Apostelen voor niet-Joden te interpreteren en te begrijpen.

De eerste optie is dat de Apostelen bedoeld hebben te leren dat de Torah eenvoudig niet voor de niet-Joden geldt. De Apostelen zouden de niet-joodse gelovigen als Noachiden hebben beschouwd, dat wil zeggen als personen buiten het verbond met Abraham en het verbond van Sinaï.

De tweede optie is dat de Apostelen in dit verband met de term ‘besnijdenis’ doelden op de rituele bekeringsprocedure of gioer tot het Jodendom. Indien de Apostelen alleen deze rabbinale bekeringsprocedure — zoals die ondermeer door de Farizeërs in Handelingen hst. XV werd voorgesteld — afgewezen hebben, dan is er sprake van een andere situatie. Dan is het wellicht mogelijk dat de schriftelijke Torah van Mozes ook voor de gelovigen uit de volken geldt. In dat geval is bestaat er dus een belangrijk onderscheid tussen de rabbinale besnijdenis ‘ter bekering’ (gioer), en de bijbelse besnijdenis. Met andere woorden, we moeten dan voor niet-Joden twee soorten besnijdenis aannemen: een rabbinale, behorend bij de gioer-procedure, en een bijbelse (of apostolische). In dat geval zou het bijbelse besnijdenisgebod ook gelden voor gelovigen uit de volken.

De derde optie is dat de Apostelen de besnijdenis voor niet-Joden zouden hebben afgewezen om de reden dat de besnijdenisrite volgens henzelf, voltrokken aan niet-Joden, altijd en vanzelf de formele overgang of bekering zou inhouden naar het Jodendom. De Apostelen zouden hebben geredeneerd dat de niet-Joden door de Messias in het verbond — en dus ook in de Torah — zijn ingevoegd via het geloof, zonder de verdere noodzaak van een bekeringsprocedure en dus ook zonder de noodzaak van de besnijdenis. Zij zouden daarmee de niet-Joden hebben beschouwd als G-dvrezenden, die niet volledig en formeel tot het Jodendom zijn overgegaan. Als G-dvrezenden in de Messias zouden zij dan in beginsel alle geboden moeten doen, echter met uitzondering van de besnijdenis, want de besnijdenis zou nu eenmaal leiden tot de formele overgang tot het Jodendom. De Apostelen zouden in dat geval niet het alternatief van een zuiver bijbelse besnijdenis hebben gekend of geleerd. Zij zouden geen andere besnijdenis voor niet-Joden hebben gekend dan als onderdeel van de gioer, die door hen werd afgewezen.

Uiteraard kan alleen onder de tweede en de derde opties de algemene geldigheid van de Torah voor de niet-joodse gelovigen worden behouden. Simpelweg een uitzondering maken voor het besnijdenis-gebod, is, onder de aanname dat de Torah van toepassing is, iets onmogelijks. Want indien de besnijdenis niet voor niet-Joden geldt, dan gelden ook de Sjabbat en de spijswetten niet, en de gehele Torah niet. Het is nu eenmaal alles of niets. Indien de niet-Joden in Israel zijn ingevoegd door het geloof in de Messias, dan gelden voor hen dezelfde wetten en regels als voor alle andere Israelieten. En dan is er geen uitzondering mogelijk voor de besnijdenis.

Een moeilijkheid voor de eerste optie is dat Paulus duidelijk zegt dat degenen die in de Messias besloten zijn zonen van Abraham zijn (Gal. 3:29). En de Efeze-brief maakt duidelijk dat de gelovigen uit de volken niet langer vreemdelingen en bijwoners zijn en buitengesloten van de verbonden. In de Messias zijn zij nabij gekomen en hebben deel gekregen aan de erfenis van Israel (Ef. 2:11-13; 19-22). Het is daarom niet goed mogelijk hen als Noachiden te beschouwen.

Een moeilijkheid voor de tweede optie is dat zij een onderscheid vooronderstelt tussen twee soorten van besnijdenis voor niet-Joden, de farizeïsche of latere rabbinale, en de bijbelse (of apostolische). Dit onderscheid vinden we echter in het NT nergens. Het is een zuivere vooronderstelling. Deze optie werkt dus met een onbewijsbare vooronderstelling en steunt op de aanname dat de Apostelen de bijbelse besnijdenis, zoals deze in de schriftelijke Torah wordt geleerd, aan de gelovigen uit de volken zouden hebben onderwezen. Deze aanname lijkt de schijn tegen zich te hebben. Als zij juist zou zijn zou men namelijk verwachten dat de Apostelen, nadat zij de gioer duidelijk hadden afgewezen, duidelijkheid zouden verschaffen en de resterende bijbelse verplichting tot de besnijdenis zouden vermelden. Een dergelijke vermelding vinden we echter in het NT niet.

Men kan zich overigens ook afvragen of het maken van het onderscheid zelf tussen een gioer-besnijdenis en een besnijdenis volgens de schriftelijke Torah de zaak waarom het ging zou hebben verduidelijkt. Zou dit de complicaties omtrent de besnijdenis en haar betekenis niet eerder hebben vergroot?

Een moeilijkheid voor de derde optie is dat zij om een verdere verheldering vraagt voor wat betreft de positie van de niet-Joden. Als de niet-Joden via de Messias zijn ingevoegd in de verbonden van Israel, en als de invoeging via de Messias hier als het substituut fungeert voor de besnijdenis — althans volgens een bepaalde interpretatie van Col. 2:10-13 — hoe staat het dan met die geboden die van het besnijdenisgebod afhankelijk zijn, zoals Pidjon HaBen en Pesach?

Wat de Pesach-Seider betreft kunnen in de situatie van de ballingschap onbesneden mannen deelnemen aan de Seider. Dit is mogelijk omdat de Seider behoort tot de domeinen van de mondelinge Torah en van de traditie of gewoonte. Hij heeft in de schriftelijke Torah geen enkele status. Tot de bijbelse voorschriften van Pesach behoort het slachten van het Pesach-lam in de Tempel en het eten ervan binnen de grenzen van Jerusalem in een toestand van rituele reinheid. Deze bijbelse voorschriften kunnen nu niet gehouden worden. Daarom is een Seider zoals die nu gehouden wordt niet een echt Pesach volgens de normen van de geschreven Torah, maar alleen volgens de normen van de mondelinge Torah van de rabbinale traditie.

In I Cor. 5:8 lijkt Paulus niettemin deze ballingschap-Seider verplicht te stellen voor gelovigen uit de volken, wat dus impliciet betekent dat deze gelovigen onder het gezag van althans sommige gedeelten van de mondelinge Torah en de rabbinale wetgeving gesteld worden. Indien men aanneemt dat de gelovigen uit de volken in het geheel niet gebonden zijn aan rabbinale bepalingen en enkel het gezag van de bijbelse geboden voor hen geldt, dan geldt vanzelfsprekend de gehele Pesach-Seider zoals die sinds de verwoesting van de Tempel gehouden wordt niet voor hen. Want deze Seider is een puur rabbinale aangelegenheid en is geen bijbels gebod.

Wat Pidjon-HaBen betreft zou men bij het volgen van de derde optie moeten uitwijken naar de opvatting dat de mannelijke kinderen van niet-Joden in de Gemeente inderdaad besneden dienen te worden. Alleen zij die als volwassenen bij de Gemeente worden gevoegd zouden dus vrijgesteld zijn van de besnijdenis. In het NT vindt men echter niets over de besnijdenis van kinderen van niet-Joden. Men introduceert hiermee dus opnieuw een onbewezen aanname.

Het valt eenvoudig in te zien dat alle voorgestelde opties met moeilijkheden te kampen hebben. Geen enkele is zondermeer bevredigend. De eerste optie, dat de Torah niet voor niet-Joden geldt, is op zichzelf genomen innerlijk consistent zolang men binnen het conceptuele raamwerk van de mozaïsche openbaring blijft, maar voert tot grote moeilijkheden zodra de betreffende niet-Joden messiaanse gelovigen zijn. Want dan zijn zij volgens het NT zonen van Abraham. De tweede optie vertoont ook een sterke innerlijke consistentie, daar zij de schriftelijke Torah zondermeer voor alle gelovigen laat gelden. Maar zij steunt op de onbewezen en wellicht ook onbewijsbare aanname dat de Apostelen bij het verbieden van de gioer toch de bijbelse besnijdenis volgens Genesis hst. XVII en Leviticus hst. XII aan de niet-joodse gelovigen zouden hebben voorgehouden. Het is sterk de vraag hoe deze aanname te rechtvaardigen is. De derde optie is op zichzelf minder consistent maar heeft wel het voordeel dat zij beter lijkt aan te sluiten bij de historische situatie in de eerste eeuw en de aanname van twee soorten besnijdenis vermijdt. Daar staat dan echter weer als nadeel tegenover dat zij een andere onbewezen aanname introduceert.

Vanuit het perspectief van de mogelijkheid van karet is de halachisch veiligste optie uiteraard om het besnijdenisgebod zondermeer op niet-Joden toe te passen. Er blijven hier echter grote moeilijkheden met de teksten van het NT. Bij niet-toepassing van het gebod komen daar echter weer andere moeilijkheden voor in de plaats.

Een Verbod op de Besnijdenis is een Verbod op het Jodendom

 

door Geert ter Horst

[Dit artikel werd geplaatst in het Katholiek Nieuwsblad van 23 augustus 2012.]

In zijn opinie bijdrage van 16 augustus j.l.: “Ontmoedig Besnijden van Jongens” in het Katholiek Nieuwsblad bepleit ethicus Gert van Dijk namens het KNMG een ontmoedigingsbeleid voor het besnijden van jongens. De belangrijkste argumenten die hij aanhaalt voor zijn positie zijn de stellingen dat de jongensbesnijdenis medisch schadelijk zou zijn en dat de beslissing om al dan niet te besnijden bij de persoon zelf zou moeten liggen, niet bij de ouders. Het lichaam van het kind zou gevrijwaard moeten blijven van onomkeerbare religieuze tekens. Het laatste zou betekenen dat de besnijdenis eventueel op volwassen leeftijd zou kunnen worden uitgevoerd, niet echter, zoals het Jodendom voorschrijft, op de achtste dag na de geboorte.

Het stuk van Van Dijk is voornamelijk een reactie op een eerder artikel van Rabbijn Lody van de Kamp tegen de stellingname van het KNMG. Van de Kamp’s artikel verscheen ook in het KN, onder de titel: “Besnijdenis in ‘Historisch’ Perspectief”. Ik wil hier op enkele aspecten van Van Dijks betoog en zijn verwoording van het KNMG standpunt ingaan die niet of minder expliciet door Van de Kamp werden behandeld. In de eerste plaats op het argument van de zogenaamde schadelijkheid. Dit argument is namelijk een merkwaardige zaak.

Het is wel een opmerkelijk feit dat de zogenaamde schadelijkheid van een rite die in de loop van de joodse geschiedenis miljoenen en nog eens miljoenen malen is uitgevoerd, en die zo’n 4000 jaar oud is, nooit door het joodse volk zelf is gethematiseerd of geproblematiseerd. Het Jodendom is een religie die grote waarde hecht aan al wat de lichamelijke gezondheid en de hygiene bevordert. Indien deze schadelijkheid dus al bestaat, is ze ongetwijfeld zo miniem dat ze nooit is opgevallen en dus praktisch zo goed als onschadelijk is. In ieder geval heeft het joodse volk niet merkbaar geleden onder deze schadelijkheid, helaas wel onder de wreedheid van vreemde machthebbers die gepoogd hebben de besnijdenis te verbieden. Joden hebben herhaaldelijk hun bloed en leven moeten geven om de voor het Jodendom fundamentele instelling van de besnijdenis te handhaven.

Hier kan men aan toevoegen een overweging betreffende de religieuze en sociale schadelijkheid die juist zou ontstaan door het niet uitvoeren van de besnijdenis. Dit zou de boodschap uitdragen dat een joodse jongen niet op volwaardige wijze in het joodse volk mag worden ingevoegd. Wat voor vragen omtrent de eigen identiteit zou dit oproepen bij een opgroeiend kind?

De schadelijkheid van stemmingmakerij tegen of van een verbod op de besnijdenis lijkt mij daarom al vele malen groter dan de veronderstelde schadelijkheid van de rite van de besnijdenis zelf.

In verband met de onlangs door het Keulse Landesgericht genomen beslissing dat de besnijdenis van jonge jongens als lichamelijke mishandeling zou moeten worden aangemerkt [1], wil ik graag het uitstekende betoog van de jurist Geert-Jan Alexander Knoops in het Nieuw Israelietisch Weekblad onder de aandacht brengen [2]. Knoops artikel is ook van belang voor het andere punt dat Van Dijk tegen de besnijdenis opwerpt, namelijk dat deze inhoudt het aanbrengen van een onomkeerbaar lichamelijk merkteken.

Dat het lichaam van het kind vrij moet blijven van onomkeerbare religieuze merktekens is een argument waarmee Van Dijk in ieder geval als KNMG woordvoerder zijn perken te buiten gaat. Hij begeeft zich hiermee op een niet-medisch terrein. De interpretatie van de religieuze rechten van ouders met betrekking tot de opvoeding van hun kinderen is helemaal geen zaak waarover het KNMG met enige bevoegdheid kan spreken.

Dit neemt niet weg dat ook dit argument hogelijk overtrokken is. De besnijdenis is een lichamelijk merkteken, maar dit merkteken bevindt zich op een plaats die voor anderen verborgen is, en die geen sociaal stigma met zich meebrengt indien iemand op volwassen leeftijd mocht besluiten het Jodendom te verlaten. In alle praktische situaties van het dagelijks leven is er van de besnijdenis niet meer te zien dan van het ‘eeuwig merkteken’ van de katholieke kinderdoop — ook een rite die het kind onomkeerbaar een religieuze identiteit opdringt en daarom wellicht niet de goedkeurig kan wegdragen van de verlichte ethici van het KNMG — namelijk niets.

Het interessante van het betoog van Van Dijk is, op dit punt, dat hijzelf niet inziet dat zijn criterium helemaal geen neutrale zaak is. Het is van secularistische inspiratie en daarom evengoed wereldbeschouwelijk gekleurd als joodse of islamitische opvattingen. Het gaat uit van een modern individualisme, dat evenzeer een geloof is als een godsdienstig geloof.

Bij dit secularistische geloof zijn allerlei fundamentele vragen te stellen. Ik wijs slechts op een enkel punt. Wat is dit moderne individu eigenlijk? Ik bedoel: waardoor krijgt het zijn inhoud? Het antwoord moet wel zijn: door willekeurige invloeden uit de samenleving, de markt, de mode, &c. Dit moderne individu, met zijn hooggeroemde vrijheid, staat veel minder sterk dan op het eerste gezicht lijkt. Wat is per slot een individu? Het doolt maar wat rond, in verschillende richtingen, op zoek naar orientatie voor zijn leven. Het is eindeloos manipuleerbaar door de bovengenoemde invloeden. Het is daarom uiterst kwetsbaar. Als alles om het individu draait, hebben levensidealen ook maar de houdbaarheid van het individu. Die houdbaarheid is niet al te groot.

Hieruit blijkt dat de moderne vrijheidsgedachte aan overspanning lijdt. Dit vrijheidsideaal vergt veel te veel van het individu. Men kan met goede argumenten verdedigen dat een individu dat opgroeit en genormeerd wordt door een religieuze traditie sterker staat dan het moderne individu. Het krijgt van den beginne een zinvolle inhoud aangereikt en het maakt deel uit van een gemeenschap die een vaste levensrichting heeft en niet zwalkt of zwabbert. Op de duur kan daarom een kleine religieuze groep, die een vaste koers aanhoudt, een veel grotere invloed ten goede uitoefenen dan een grote anonieme massa waarvan de individuen voor eigen rekening leven.

Het Jodendom is geen individualistisch geloof. Het is een geloof waarin de godsdienstige taak en functie toekomt aan het joodse volk in zijn geheel, doorheen alle generaties. Het Jodendom is dus een godsdienst met sterk aristocratische noties. Dit houdt in dat het individu vanaf de moederschoot wordt ingevoegd in het grote project van het joodse volk, het gestalte geven aan de Torah.

Men mag een dergelijk project verwijten dat het de vrijheid van het individu beperkt en kinderen indoctrineert met de inhoud van een bepaalde traditie. Dit geef ik graag toe. Niet religieuze mensen van allerlei snit indoctrineren hun kinderen evenzeer door hun pogingen ze tot seculiere individualisten op te voeden. Ook het secularisme is gebaseerd op traditie en indoctrinatie, al wil het dat zichzelf niet bekennen. Het secularisme, dat zich niet wil baseren op traditie maar op de rede, hanteert op onkritische wijze een rede-concept dat gevormd is binnen een bepaald humanistisch filosofisch milieu en zijn traditie.

De aristocratische trekken van het Jodendom vormen echter geen essentiele moeilijkheid voor de invoeging in een moderne maatschappij met een democratische constitutie. Geen enkele godsdienst is intern democratisch. Dat zou ook onzinnig zijn. Democratie is een uitwendige beregeling om in maatschappelijke vrede met verschillen in levensidealen om te gaan. De democratie is echter zelf geen primaire bron van inhoudelijke levensidealen. Ook een secularist, hetzij liberaal, socialistisch of nog anders georienteerd, laat zijn eigen inhoudelijke levensideaal niet op democratische wijze bepalen. Geen atheist bijv. is bereid om het vraagstuk of G-d bestaat bij meerderheid van stemmen te laten beslissen.

Gezien het feit dat men vanaf zijn geboorte joods is en als zodanig wordt aangemerkt — niet alleen door de joodse gemeensschap maar ook door de niet-joodse wereld — kan de onomkeerbaarheid van een religieus lichamelijk merkteken eigenlijk geen bezwaar zijn. Want het eerste onomkeerbare lichamelijke merkteken, dat ieder kind meekrijgt, is de geboorte. Door de geboorte wordt een kind al gemerktekend als joods of als niet-joods.

Uit dit basale gegeven blijkt nogmaals de overtrokkenheid van de moderne vrijheidsopvatting. Vanuit de typisch moderne fascinatie voor de zgn. ‘mogelijkheden’ van het leven zou men het liefst een individu willen dat nog helemaal onbepaald en open is en dat alles zelf kan kiezen. Niemand kan echter kiezen of hij geboren wordt en niemand kan zijn ouders en voorouders kiezen. Deze dingen worden vooraf voor iemand bepaald, en daarmee wordt reeds in belangrijke mate iemands positie in het geheel van de mensheid en haar geschiedenis vastgelegd. De eigen keuze is altijd secundair en kan alleen plaatsvinden in een context waarin men al inhouden heeft meegekregen waarvoor of waartegen men zelf stelling kan nemen. Keuzevrijheid is alleen zinvol indien ze een dergelijke secundaire en ondergeschikte plaats behoudt en niet naief wordt verheerlijkt tot iets allesbepalends.

Tegen het einde van zijn stuk merkt Van Dijk op dat verzet tegen de besnijdenis niets uitstaande heeft met antisemitisme. Hij noemt in dit verband het verschijnsel dat sommige Joden de besnijdenis niet toepassen maar vervangen door een ander ritueel. Deze argumentatie van Van Dijk is behalve onbehoorlijk, omdat hij, zoals eerder opgemerkt, zijn boekje te buiten gaat, in hoge mate dubieus.

In de eerste plaats zijn Joden die de besnijdenis principieel weigeren toe te passen hooguit een soort flauwekul-Joden. In de hoofdstromingen van de joodse traditie, zowel in de orthodoxe wereld als in het zgn. Conservative Judaism, en bovendien ook in het liberale of Reform segment, wordt de besnijdenis gezien als essentieel, zelfs als de kern-rite van heel het Jodendom. Slechts enkele fringe-groeperingen aan de uiterste rand van het Reform-Jodendom zwichten hier voor de moderniteit. Het is tekenend voor het gebrek aan begrip van Van Dijk dat hij deze fringe-groeperingen ten voorbeeld stelt aan het traditionele Jodendom. Hij kan toch zelf weten dat geen zichzelf respecterende traditionele gemeenschap daar in zal trappen.

De toets ter bepaling van de kwestie of een besnijdenisverbod antisemitisch is, is eenvoudig welke de gevolgen zijn van zo’n verbod. Welnu, die gevolgen zijn zeer duidelijk. Het eerste gevolg ervan is dat het gehele traditionele Jodendom gecriminaliseerd wordt. Het verbieden van de besnijdenis komt neer op het verbieden van het Jodendom. De enkele Joden aan de uiterste rand van het Reform-spectrum die de besnijdenis vervangen door een ander ritueel worden door niemand serieus genomen.

Geen synagoge in Nederland of waar elders ook zou kunnen functioneren onder een verbod op de besnijdenis. De joodse gemeenschap zou moeten emigeren, want Jodendom zonder besnijdenis is ten enenmale onmogelijk.

Niemand maakt mij wijs dat een verbod op de traditionele joodse religie, zoals ze al millennia bestaat, geen antisemitisme is. Antisemitisme komt waarachtig niet alleen uit de extreem-rechtse hoek. Vele van de als o zo tolerant aangemerkte denkers van de Verlichting waren expliciete Jodenhaters. Immanuel Kant wenste de Joden een schone dood, en de hogepriester van de verlichtingsfilosofen, Voltaire, schreef over de Joden met het schuim op de mond.

Dit verschijnsel van Verlichtings-antisemitisme is minder verwonderlijk dan het op het eerste gezicht lijkt. De Verlichting lijdt namelijk in verhoogde mate aan dezelfde ziekte als het traditionele Christendom, de ziekte van de vervangingstheologie. Deze vervangingstheologie oordeelt dat met de komst van Jezus het Jodendom en zijn Torah obsoleet zijn geworden en hun vervulling vinden in een Christendom dat in belangrijke mate heeft afgerekend met rituele observanties. Op vergelijkbare wijze oordeelt het verlichtingsdenken dat alle traditionele religies obsoleet zijn geworden en hun vervulling vinden in een humanistisch secularisme. Dit secularisme meet zichzelf vervolgens op arrogante wijze een soort keurmeesterschap aan op het terrein van wat er voorlopig, zolang er ‘helaas’ nog traditionele religies bestaan, door de beugel kan qua religieuze riten en observanties. De blinde naieviteit die hier aan het werk is, zou alleen maar belachelijk zijn indien ze niet zo gevaarlijk was. Terwijl de grote christelijke kerken sinds de Shoa, in een proces van zelfinkeer, belangrijke stappen hebben gezet om de vervangingstheologie te boven te komen, is een vergelijkbare zelfreflectie binnen het verlichtingsdenken ver te zoeken. Dit denken is zichzelf veelal onbewust van zijn eigen antisemitisme.

Het betoog van Gert van Dijk past wat dit betreft in een typisch nederlandse traditie, waarbij veelal gepoogd wordt niet door rechtstreekse aanvallen maar langs zijdelingse weg, met gebruikmaking van ogenschijnlijk neutrale argumenten, de joodse gemeenschap te treffen.

Een besnijdenisverbod heeft op de langere duur dezelfde gevolgen voor de joodse gemeenschap als afgedwongen assimilatie. Het joodse volk wordt namelijk als volk geconstitueerd door zijn religie. Wie jood is wordt bepaald door Torah en traditie. Een besnijdenisverbod zou het functioneren van de joodse religie zodanig schaden dat er van Jodendom eigenlijk geen sprake meer zou zijn, met als gevolg dat binnen enkele generaties niet meer duidelijk zou zijn wie joods is en wie niet. Dat komt dus neer op gedwongen verdwijning van de joodse gemeenschap door middel van assimilatie.

Van Dijk heeft kennelijk niet door welke fundamentele importantie de besnijdenis binnen het Jodendom heeft. Anders zou hij namelijk ook wel door hebben dat zijn streven om de besnijdenis uit te bannen nimmer zal slagen. Het betreft hier een rite voor de handhaving waarvan Joden herhaaldelijk in de geschiedenis het martelaarschap op zich hebben genomen. Het grote historische voorbeeld is hier de vervolging onder Antiochus IV (de zgn. Epiphanes), die in zijn streven naar een universeel hellenisme de besnijdenis en nog andere joodse observanties verbood. Dezelfde universalistische geest is werkzaam in het hedendaagse secularisme. Men vindt de uitzonderingspositie die religies innemen tegenover dit grote en universalistische project onverdraaglijk.

Omdat het volstrekt zeker is dat het Jodendom de kern-rite van de besnijdenis nooit ofte nimmer, onder welke bedreigingen ook, zal opgeven, zouden seculiere humanisten zoals Van Dijk zichzelf weleens vragen kunnen stellen omtrent de zinnigheid van het nastreven van een verbod. Juist omdat van te voren al vast staat dat het Jodendom niet van koers zal veranderen, staat het ook van te voren vast dat in een eventuele strijd hierover het Jodendom uiteindelijk zal winnen. Die strijd kan weliswaar veel joods leed veroorzaken en zelfs joodse levens kosten, maar het eindresultaat ervan zal zijn dat er op de duur weer andere tijden aanbreken.

De moderne wereld van het individualisme zal een eventueel verbod een tijdlang, maar ook slechts een tijdlang, kunnen volhouden. Dit moderne individualisme is zoals reeds gezegd niet erg stabiel en op een gegeven moment zal er weer een andere wind gaan waaien. En dan zullen er weer Joden zijn die openlijk hun zonen besnijden op de achtste dag na de geboorte. Er zal niets veranderd zijn, behalve dat de Jodenhaters voor de zoveelste keer op de mesthoop van de geschiedenis terecht zullen komen en bij de galerij van de infamen zullen worden gevoegd.

Dit zou een puur strategische reden kunnen zijn voor secularisten om af te zien van het pogen de besnijdenis te verbieden. Anders gezegd, wanneer iemand geen respect heeft voor het Jodendom of voor religies in het algemeen, of zelfs antisemitische neigingen heeft, zou zo iemand in dit strategische argument toch een reden kunnen vinden om voorzichtig te zijn en zich de vingers niet te branden aan het vervolgen van de joodse religie.

____________

[1] Zie hiervoor diverse bijdragen op de webpagina van de Zentralrat der Juden in Deutschland, ondermeer: “Zum Urteil des Kölner Landesgerichts zur Beschneidung von Jungen” en: “Ganze jüdische Welt ist betroffen”. Zie ook twee belangrijke artikelen op de pagina van de Orthodoxe Rabbinerkonferenz Deutschland: “Toleranz ohne Respekt” en: Millionenfacher Eingriff.

[2] Geert-Jan Alexander Knoops, “Lichamelijke Integriteit”, NIW 10 augustus 2012.

On Tim Hegg’s Fellow Heirs; A Critical Review

While I greatly appreciate Tim Hegg as a scholar on Paul (The Letter Writer), I see some difficulties in his opinion on circumcision and in his conception of the relation of Jew and Gentile in the Messianic Community. The following remarks try to explore the difficulties inherent in Hegg’s viewpoint in his book Fellow Heirs, with the intent of developing a clearer vision on the implications of full Torah observance by Gentile believers in Yeshua. My criticisms of Hegg’s position are not purposing to discourage or undermine Gentile Torah observance.

In his Fellow Heirs Hegg makes a sharp distinction between circumcision as a biblical commandment on the one side and as a part of the rabbinic conver­sion procedure on the other side. He maintains that the biblical command­ment may apply to Gentile believers, not however the rabbinic conversion procedure. He further holds that biblical ciricumcision, when applied to a Gentile, does not make a Jew out of the Gentile. According to Hegg, a circum­cised Gentile is still a Gentile. The rabbinic conversion ritual however, does intend to change the Gentile into a (proselyte) Jew. Hegg rejects the rabbinic conversion for Gentiles. Matters become a bit complicated here because he even considers the rabbinic conversion to be illegitimate. It would lack a foun­dation in Scripture. Hegg takes the position that a conversion from Gentile into (proselyte) Jew is impossible. For him, Jewishness is defined by ethnicity, and ‘proselyte Jew’ therefore is a non-category. Everyone is either a Jew or a Gentile by birth, and that status cannot be changed by any means.

Hegg tries to prove his position on Jewish and Gentile status  by pointing to the biblical stranger (ger) who attached himself to Israel. The stranger could become in­cluded in Israel, but he remained a non-Jew.  By means of the above made distinctions, Hegg is able to make room for Gentile circumcision in a way that seems not to be in conflict with either the Apostolic Decree of the Jerusalem Council or with Paul’s letter to the Gala­tians. The circumcision applicable to Gentiles is the biblical circumcision, not the circumcision of the rabbinic conversion procedure. Gentile believers who get themselves circumcised are in Hegg’s view simply obedient to a bibli­cal injunction, without any consequences on Jewish or Gentile identity. Gentiles nowadays become included in Israel by faith in Yeshua, but they do not be­come Jews, not even by means of circumcision. Like the stranger in ancient Israel, they remain non-Jews, while sharing equal covenantal rights and respon­sibilities with their Jewish fellows in the Messianic Community. Hegg’s conception is in a way an intelligent one. It has the double advantage of making Gentile circumcion harmless so to say in regard of consequences on Jewish or Gentile status, and at the same time of seeming not to be in con­flict with the Apostolic Decree and Paul’s letters. The Apostolic Decree is in­ter­preted as bearing upon the circumcision of the rabbinic conversion ritual, not upon the biblical commandment. Paul’s letter to the Galatians is viewed by Hegg in the same light. Paul’s anger was directed against the rabbinic conversion procedure, not against the biblical commandment. 

Now the question arises whether this conception is indeed true. My hypothesis is, that it is not. I’ll try to prove this below. My first point is that Hegg’s stance on the stranger in Israel is unsatisfactory. By defining Jewishness in purely ethnic terms he creates an enduring distinc­tion between Jews and strangers within the one covenant community of Israel. And at the same time he reduces this distinction into a kind of non-distinction, because both born Israelites and faithful strangers have equal ac­cess to the covenantal privileges and share the same obligations. But, one may ask, is Jewishness indeed an ethnic category? And what sense is to be attri­buted to Hegg’s distinction (and non-distinction) between Israelite and stranger (ger)? 

Let’s begin with the last question, the distinction Hegg makes between born Israelites (or Jews) and strangers. Hegg says that this distinction is found in the Torah. The Torah knows about several categories of strangers, to be accu­rate, but among them is a category of faithful strangers who fully attach themselves to Israel and become covenant members. This is the category that really matters for Hegg’s conception. He emphasizes that their attachment to Israel is by faith, without a conversion ritual. He interprets the rabbinic con­version procedure as an “ethnic status change”, and qualifies it as unbiblical: “…the Scriptures nowhere contain a ritual of conversion, since this was a later rabbinic innovation. Nor do the Scriptures ever suggest that when one attaches himself to Israel or to the God of Israel, his ethnic status changes. Thus, the “ritual of conversion” was a rabbinic idea, nor a biblical one”. (Fellow Heirs, p. 32) 

From what Hegg further says it is clear that he views the biblical attachement to Israel as full incorporation in Israel and its covenants. It is a national in­clu­sion: “When the native born and the ger stood together on Ebal and Gerazim, they together swore to obey all of the Torah. The covenant of God is a single piece of cloth that cannot be divided”. (Ibid, p. 38)  In my eyes it is not convincing to deduce from the formula that there shall be one law for the born Israelite and for the stranger that the circumcised Gentile remains a Gentile. This sentence in the Torah is simply a warning against dis­cri­mination, of making a distinction between two classes of Israelites. There is only one class of Israelites, that is what the Torah is saying by this formula. The circumcised stranger is fully absorbed by the Jewish people. He is called a stranger only because he is no descendant of Jacob. And it is obvi­ous that his descendants — or the fourth generation of them — are Jewish. They are all members of the same nation, the same people. Peoplehood is the view­point here.

Now when Hegg sees the Israelite nation as composed of Jews and non-Jews, this may be so from a purely ethnic viewpoint. But from a his­torical viewpoint this is a distinction that disappears within a few generations. In the long run, all the members of the Israelite nation, strangers or native born, are Jewish. When Hegg comes to consider Paul’s theology of adoption, he seems to equate the aforementioned national inclusion of born Israelites and strangers with the pauline conception of the adoption as sons: “All of God’s chosen ones, whether descended from Jacob or brought near from the nations com­prise the people called God’s adopted son” (p. 47). In this way, the Commu­nity of Yeshua the Messiah comprises the believing remnant of Israel and the faithful of the nations. But the real question is whether the faithful of the na­tions in the Messianic Community become identified with Israel on a national level, in the same way as the strangers before the appearance of Messiah. This question is not treated by Hegg in its propter terms, because he conceives of Jewishness as a purely ethnic reality, a matter of lineage only. But precisely this conception is untenable in my view. A historical people never is to be equated with ethnicity.

For the Jewish people in particular such a point of view would have disastrous results. Large parts of it, descendants from converts, would be a kind of illigitimate Jews, despite the fact that they factually are fully incor­porated in the Jewish people. Thus there are two vital differences here. First, peoplehood or nationality appears to be something different from he­redity. Second, identification on a national level may not be equated too quickly with inclusion by faith. Identification on a national level may be by birth or by legal means, by a change of nationality. Identification by faith is not by birth, nor by any legal means, but is a spiritual reality. It is clear that Paul meant that Gentiles have been brought within the com­mon­wealth of Israel by means of their faith. Well, no one can become a mem­ber of another nation by such a thing as faith. I am a Dutchman, but I cannot be­come a member of the British commonwealth, or the British nation for that matter, by any faith whatsoever, not even by adopting the faith of the Angli­can Church. If I want to become British, I have to change my nationality in an orderly formal and legal way, otherwise things would become hopelessly confused. In Israel in the days of Paul this change of nationality was per­formed by the rabbinic conversion process. Hegg’s interpretation of the rabbinic conversion remains largely unintel­ligible to me. First, I never found that the rabbis conception of the proselyte ritual is that of an ethnic status change. That would be a selfcontradictory con­ception, because ethnic status by definition can never change. A person has the parents he has and the heredity he has. No one can change that, not even a rabbinic tribunal. Neither does the rabbinic conversion intend to perform such a kind of change. The rabbis do not say that one’s ethnic status is changed by the conversion ritual. One’s legal status and one’s peoplehood is changed. The convert becomes a legal (or adopted ) son of Abraham because he chooses for a change of peoplehood, of nationality. That is the basic idea. A change of nationality or peoplehood is far from selfcontradictory, in contra­distinction to an ethnic change, which is a contradiction in the very terms.

The rabbis conceived of this change of nationality as motivated by faith in the one God of Israel. Faith is always presupposed by the rabbis as the real and valid motive for conversion. But at the same time, faith should not be seen as the formal and legal means of national inclusion. In this respect it is only a motivating force. One of the new things consequential upon of the appearance of Messiah ac­cording to Paul is that Gentile believers can become faithful covenant mem­bers without national inclusion in Israel. They need not become members of the chosen nation. Their faith therefore need not (perhaps even must not for Paul) result in circumcision, as this would be an effort to perfect by the flesh what was be­gun in the Spirit (Gal. 3:3). The Gentile believers must not get circumcised, because the result of covenantal circumcision is national inclusion in Israel according to Paul. By means of circumcision — whether this be interpreted as the rabbinic procedure or as the biblical commandment is irrelevant at this point —, Paul conceives one to be added to the community of the circum­cised. The community of the circumcised for Paul is the circumcised nation, Israel. This national inclusion was precisely what the Pharisees of Acts 15:3 were attempting to bring about. For them the unity of the nation and the unity of the faith was the same thing. Paul however at this point makes a cru­cial dis­tinction.  To put it simply, Hegg’s primary distinction is between ethnic inclusion in Israel and inclusion by faith. He conceives both types of inclusion as national inclusion if I have understood him correctly.

My primary distinction however is between national inclusion and inclusion by faith. Inclusion by faith in my view therefore does not necessarily result in national inclusion. Gentile mem­bers of the Messianic Community can be spiritually included in Israel, with­out national identification (through circumcision).