Archive for the 'Sacrifices' Category

Bijbelse Paradoxen (Deel I): De Levitische Offers versus het Offer van Jesjoea

                                                  

[Dit is het eerste uit een serie artikelen waarin een aantal schijnbare tegenspraken ofwel paradoxen in de Bijbel worden behandeld.]

Van Eyck — De Aanbidding van het Lam G'ds

Van Eyck — De Aanbidding van het Lam G’ds

Inleiding en Paradox

Op basis van de onderstaande tekst uit de brief aan de Hebreeën wordt veelal aangenomen dat de dood en opstanding van de Messias het einde betekende van de tempeldienst en de levitische offers.

Heb. 9:11-14 (SV, 1977)
11Maar Christus, de hogepriester der toekomende goederen, gekomen zijnde, is door de meerdere en volmaaktere tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel, 12 Noch door het bloed der bokken en kalveren,  maar door zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende. 13 Want indien het bloed der stieren en bokken, en de as der jonge koe, besprengende de onreinen, hen heiligt tot de reinheid des vleses; 14 Hoeveel te meer zal  het bloed van Christus,  Die door de eeuwige Geest zichzelf G’de onbestraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken,  om de levende G’d te dienen?

Deze interpretatie brengt een drietal serieuze bezwaren met zich mee:

1)    In de Evangeliën geeft Jesjoea duidelijk aan dat hij niet gekomen is om de Wet  buiten werking te stellen. [1] De levitische offers zijn onlosmakelijk verbonden met de Wet.

2)    De volgelingen van Jesjoea nemen deel aan de tempeldienst, zelfs na dertig jaar ná de dood en opstanding van de Messias. [2,3]

3)    In de profetieën wordt aangegeven dat de Tempel, de offers, en het priesterschap van Aäron hersteld zullen worden. [4,5,6,7]

In het algemeen wordt binnen het Christendom de rol van het oud testamentische zondoffer geïnterpreteerd als een middel waardoor een persoon vergeving van zonden ontvangt, waarbij de schuld en de straf worden overgedragen op het offerdier. Echter, nadat de Messias zijn offer heeft gebracht zou dit overbodig geworden zijn. Hieruit volgt de merkwaardige conclusie dat Jesjoea zich opofferde om offerdieren te sparen.

De schrijver van de Hebreeënbrief vermeld ons ook nog het volgende: “…Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneemt…” [8]. Hierbij komt de vraag op waarom er überhaupt dieren werden geofferd.

Om uit deze patstelling te komen is het in eerste instantie noodzakelijk enkele bijbelse begrippen toe te lichten die het uitgangspunt vormen van de Hebreeënbrief en waarvan de schrijver veronderstelt dat deze bekend zijn bij de lezer. Vervolgens kunnen we de tekst opnieuw gaan bestuderen en interpreteren.

Olam Hazeh en Olam Habah

In de eschatologie van de Bijbel, dus ook in de brief aan de Hebreeën, wordt de werkelijkheid verdeeld in wat men zou kunnen noemen twee sferen, nl.: de Tegenwoordige Wereld (hebr. Olam Hazeh)  en de Toekomende Wereld (hebr. Olam Habah).

Met de tegenwoordige wereld of Olam Hazeh wordt bedoeld deze tijdelijke werkelijkheid zoals die in den beginne door God geschapen is en nog steeds voortbestaat. Met andere woorden, de wereld zoals we die kennen en ervaren. Maar óók de werkelijkheid vanuit historisch perspectief bezien. Dat wil zeggen vanaf het allereerste begin tot het einde van de wereldgeschiedenis. Volgens de Apostelen behoort ook het Messiaanse Rijk nog tot de tegenwoordige wereld. De wederkomst van Jesjoea is namelijk zijn terugkeer vanuit de hemel om zijn Koninkrijk op te richten. Jesjoea’s Rijk is weliswaar niet van deze wereld, d.w.z. ontleent zijn principes niet aan deze wereld, maar komt wel in deze wereld.

Met de Toekomende Wereld (hebr. Olam Habah) wordt bedoeld de nieuwe werkelijkheid zoals beschreven is in het boek de Openbaring van Johannes. Op het eind van het Messiaanse Rijk zal er een Nieuwe Hemel en een Nieuwe Aarde worden gevormd waarbij het Nieuwe Jeruzalem uit de hemel komt neerdalen [9]. In de brief aan de Hebreeën gaat de schrijver er vanuit dat deze twee begrippen bekend zijn.

Exegese van Hebreeën 9:11-14

De schrijver van de Hebreeënbrief gebruikt in dit gedeelte een joodse uitlegregel, genaamd: kal vachomer in het Latijn aangeduid met: argumentum a minore ad maius, ‘een redenering van klein naar groot’ waarmee wordt bedoeld: Wat van toepassing is in een minder belangrijke situatie is zeker van toepassing in een meer belangrijke situatie. De schrijver bedoelt dus te zeggen: Indien het bloed van de offers het vlees (het vergankelijke bestaan) heiligt en reinigt m.b.t. de Tegenwoordige Wereld; hoe veel te meer zal het bloed van de Messias de geest (het onvergankelijke bestaan) heiligen en reinigen m.b.t. tot de Toekomende Wereld.

Met andere woorden, de schrijver veronderstelt dat de levitische offers een rol en functie hebben in deze wereld, maar dat deze wel beperkt is. Zoals het priesterschap van Aäron, de offers, en de hiermee gepaard gaande rituelen van toepassing zijn op de Tegenwoordige Wereld, zo zijn het offer van de Messias en diens priesterschap volgens de orde van Melchizedek van toepassing op het hemelse en het eeuwige van de Toekomende Wereld. De dood van Jesjoea, de Messias, betekende niet dat de offers in de Tempel werden afgeschaft; Zijn dood vertegenwoordigt een offer van een andere orde  en heeft daardoor ook een andere functie.

Dit roept de vraag op: Wat zijn deze functies? Om deze vraag te kunnen beantwoorden moeten we allereerst meer informatie hebben over de Tabernakel, wat later onder koning Salomo de Tempel werd. Bij de voorschriften voor de bouw van de Tabernakel wordt gezegd dat G’d in het midden van de Israelieten zal komen wonen [10]. De Tabernakel of Tempel is dus de g’ddelijke residentie.

Aangezien de aardse Tempel een afspiegeling is van de hemelse Tempel, zo is de g’ddelijke aanwezigheid in de aardse tempel een afspiegeling van de g’ddelijke aanwezigheid in de hemelse tempel. Deze g’ddelijke aanwezigheid in de aardse Tempel is van een lagere orde dan in de hemelse Tempel.

De Tempel is dus de g’ddelijke verblijfplaats. Het mag duidelijk zijn dat we deze plaats niet zondermeer kunnen naderen. Het spanningsveld dat hier speelt is wellicht het best te omschrijven als een dichotomie: een tweedeling of exacte scheiding tussen twee niet overlappende gebieden. Deze twee gebieden zijn het sacrale (het heilige, het afgezonderde dat bij G’d hoort) en het profane (het niet-heilige of gewone). Om deze afstand te overbruggen is een handeling noodzakelijk die het mogelijk maakt G’d te naderen. Deze handeling bestaat uit het offeren. Het Hebreeuwse woord voor offer is korban, en betekent: ‘nabij brengen’. Het is afkomstig van het werkwoord karav en duidt op het doel om de mens terug te brengen bij G’d.

In het boek Leviticus worden verschillende typen van offeranden beschreven. De offers kunnen we indelen in: brandoffers, spijsoffers, dankoffers, zondoffers, en schuldoffers. Aangezien in de aangehaalde tekst uit de Hebreeënbrief de nadruk ligt op het zondeprobleem in relatie tot zowel de levitische offers als het offer van Jesjoea, zullen we ons richten op het zondoffer.

Het Zondoffer volgens de Wet

Het zondoffer (hebr. korban chatat) staat beschreven in het boek Leviticus [11] en kent verschillende rituelen en vormen. Wanneer een Israëliet zondigde werd een offer verlangd. Indien nodig en mogelijk werd er een jonge stier of een geit geofferd. In dat geval werd tijdens de  handoplegging (hebr. semichah) de zonde beleden. De zondige identititeit, waarover straks meer, werd overgedragen op het dier. Indien het dier herkend werd als valide werd het geslacht door de offeraar. Het bloed werd door de priester op de hoornen van het altaar aangebracht en vervolgens uitgegoten op de bodem van het altaar.[12] Het zondoffer werd niet alleen gebracht naar aanleiding van zonde, maar ook bij sommige gevallen van rituele onreinheid.[13]

Hoe kan een offer de mens terugbrengen bij G’d of nader tot G’d brengen ? Dit nabijbrengen geschied in dit geval middels het ritueel slachten, doden, van een dier.[14]

Bij het gewone slachten, buiten de Tempel, wordt het dier aan de mens ter beschikking gesteld om te dienen als voedsel. Bij het slachten in de Tempel wordt het dier aan G’d teruggegeven. Aangezien het dier dat geofferd wordt het eigendom is van de offeraar, dus in zekere mate één met hem is, wordt in het offer uitgedrukt dat de mens zijn verantwoordelijkheid neemt en zich (opnieuw) aan G’d toewijdt. Dit wordt beklemtoond door het ritueel van de handoplegging vergezeld van de belijdenis van de zonde. Deze handoplegging drukt aldus ook een overdracht uit. De zonde of schuld wordt op het dier overgedragen en dit dier sterft vervolgens in het offer in plaats van de mens.

Hoe moeten we deze overdracht en deze plaatsvervanging begrijpen? Kan zonde of schuld wel op een ander wezen worden overgedragen? De Bijbel beklemtoont immers dat ieder verantwoorderlijk is voor zijn eigen zonde en de Wet staat niet toe dat een rechtbank iemand anders straft in de plaats van degene die de overtreding begaan heeft.

De overdracht van de zonde op het offerdier staat in nauw verband met het gegeven dat dit offerdier het eigendom is van de offeraar en dus met hem geïdentificeerd wordt. Men kan het als volgt bezien. In het ritueel van de handoplegging maakt degene die het zondoffer brengt zich uitdrukkelijk los van zijn zonde en brengt hij deze zonde onder het oordeel van G’d. Dit oordeel van G’d wordt vervolgens voltrokken aan het offerdier, dat met de zonde beladen is. Maar dit offerdier is anderzijds deel van de offeraar zelf. Het is immers zijn eigendom en wordt om die reden met hem geïdentificeerd. In het offerdier brengt de offeraar dus eigenlijk zichzelf ten offer. Echter niet letterlijk, anders zou de zaak daarmee besloten zijn. Indien de zondaar zichzelf letterlijk aanbiedt om de doodstraf te ondergaan, dan is het verhaal afgelopen zodra die straf is voltrokken. Er is dan geen toekomst voor de zondaar. De enige wijze waarop een zinvol offer mogelijk is, is dat de zondaar vereenzelvigd wordt met iets dat bij hem hoort, dan ‘deel’ van hemzelf is. Dit iets of dit deel van hem gaat nu de dood in. Dit is het offerdier. Door symbolisch, door handoplegging, de zonden op het offerdier te leggen, belijdt de zondaar dat hij de dood waardig is. Bij de voltrekking van de doodstraf wordt de zondaar nu vertegenwoordigd door het offerdier. In plaats dat hijzelf sterft gaat dit eigendom van hem, iets dat hem nabij is, de dood in. De zondaar lijdt dus wel schade doordat iets dat hem toebehoort sterft, maar tegelijkertijd hij redt het vege lijf en komt om zo te zeggen met de schrik vrij.

De vertegenwoordiging van de zondaar in het offerdier is slechts een gedeeltelijke en daarom ook een problematische. Het is duidelijk dat het offerdier de mens niet echt kan vervangen of diens tekort aanvullen. De mens kan zich niet van de verantwoordelijkheid jegens G’d afmaken door hem een substituut aan te bieden. Die opgave berust bij hemzelf en blijft bij hemzelf.

In het offer komt er echter zogezegd een voorlopige en beperkte juridische schikking tot stand. Door het brengen van het offer erkent de mens zijn zonde en erkent hij dus de g’ddelijke maatstaf over het menselijk leven. De schuldbelijdenis, die met het offeren plaatsvindt, houdt tegelijkertijd het voornemen in om in de toekomst niet meer te zondigen. Daartegenover staat dat G’d de symbolische toewijding van de mens in het offer erkent. G’d neemt het offer als voorlopige en beperkte voorziening en schikking van de schuld aan en biedt in ruil daarvoor de mens vergeving van de zonde aan. De vergeving houdt in dat de mens niet de strafdood voor de zonde behoeft te ondergaan. Hij krijgt een nieuwe kans tot leven en krijgt zo de gelegenheid om althans de rest van zijn leven aan G’d toe te wijden.

Het voorlopige en beperkte karakter van de voorziening tot schikking van de schuld die het offer is, heeft tot gevolg dat ook de daardoor ontvangen vergeving een beperkt en voorlopig karakter heeft. Het zondoffer is slechts een voorziening voor een beperkt aantal overtredingen in een beperkt aantal categorieën van zonde. Er zijn zonden waarvoor geen zondoffer gebracht kan worden, zoals moord, overspel en gijzeling. Indien de genade onbeperkt was zou immers het gehele bestel van de Wet en van G’ds bestuur over Zijn volk ontwricht worden. De theocratie zou tot een aanfluiting worden.

De voorziening van het zondoffer is ook voorlopig. De onmiddellijke strafdood, die op de zonde zou moeten volgen, wordt weliswaar ontgaan, maar uiteindelijk moet de zondige mens toch sterven. De dood is onvermijdelijk omdat de menselijke natuur bedorven is geraakt door de gevolgen van de zonde van Adam. Daardoor is de mens de levende en ononderbroken gemeenschap met G’d kwijtgeraakt en is hij geneigd zich van G’d af te wenden. De vergeving die tot stand komt door het dieroffer is dus slechts een vergeving die van toepassing is binnen de orde van het tijdelijke leven in deze tegenwoordige wereld. Het gaat in het zondoffer niet om een definitieve en alomvattende vergeving en een daarmee samenhangende definitieve en alomvattende verzoening. Ingeval de Wet opnieuw werd overtreden was het dus noodzaak het gehele offerritueel te herhalen.

Een definitieve en alomvattende vergeving en verzoening zouden slechts tot stand kunnen komen indien er een offer zou zijn op grond waarvan de menselijke natuur weer geheel en al hersteld zou kunnen worden. Dit kan niet door een dieroffer bewerkt worden. Zoals gezegd kan de toewijding van een dier het tekort aan toewijding van de mens niet echt vervangen of aanvullen. Deze aanvulling of vervanging is slechts symbolisch. Een volledig herstel van de menselijke natuur is daarom alleen mogelijk zijn indien er een mens gevonden kan worden die niet met zonde of de gevolgen daarvan besmet is en die zich dus volledig en onbeperkt aan G’d kan toewijden en zo zelf een offer kan zijn ten behoeve van anderen. Die mens zou de anderen volledig kunnen vertegenwoordigen. Daarbij moet dan nog wel verondersteld worden dat die anderen op zekere wijze in hem geïncludeerd zijn en hun leven van hem ontvangen, op een analoge wijze zoals nu de overige mensen in Adam zijn geïncludeerd en hun leven ontvangen door uit hem voort te komen via het voorplantingsproces. Adam is immers de verwekker van alle overige mensen.

Het Zondoffer van Jesjoea

Het offer dat een volledig herstel van de menselijke natuur mogelijk maakt is het kruisoffer van Jesjoea. De mogelijkheid van dit offer berust op de volstrekte zondeloosheid van Jesjoea. Die zondeloosheid berust op haar beurt op het feit dat Jesjoea nooit persoonlijk gezondigd heeft, en dus niet besmet is met enige daadwerkelijke zonde en daarop gebaseerde schuld, en daarnaast op het feit dat Jesjoea’s menselijke natuur niet bedorven is geraakt door de gevolgen van Adam’s zonde. Jesjoea is dus vrij van wat wel ‘erfzonde’ genoemd wordt, dat is een bedorven menselijke natuur die boze neigingen kent en als gevolg daarvan onderworpen is aan de macht van de dood.

Het volledig afwezig zijn van de zonde en van de zondige neiging in Jesjoea betekent dat zijn dood volledig onverdiend was. Het was niet alleen dat Jesjoea nooit iets strafwaardigs gedaan had en dus zeker niet de gewelddadige kruisdood verdiend had. Iedere dood, waaronder de zgn. ‘natuurlijke’ dood, zou onverdiend geweest zijn. Jesjoea verdiende eenvoudigweg niet te sterven. G’ds belofte aan de mens was immers vanaf de schepping dat de mens voor eeuwig zou leven indien hij gehoorzaam was aan G’d. Deze belofte wordt herhaald in de Wet: Wie deze dingen doet zal erdoor leven. Door Jesjoea’s leven werd deze gehoorzaamheid aan G’d volstrekt bewaarheid. Dus kon G’d hem niet in de dood laten. G’d was het aan zijn beloften verplicht om Jesjoea op te wekken uit de dood en hem eeuwig leven te schenken. Jesjoea slaagde voor de test waarvoor Adam was gezakt.

Hoe Jesjoea’s dood een offerdood kan zijn ten behoeve van de overige mensen en hoe deze met G’d verzoend kunnen worden door de dood van Jesjoea is vervolgens de vraag. Dit veronderstelt immers de hierboven genoemde inclusie. Er moet iets zijn waardoor de anderen in Jesjoea geïncludeerd zijn en hun leven van hem ontvangen.

Dit iets is het geloof. Zij die in Jesjoea geloven, dat wil zeggen zij die hem erkennen als de beloofde Messias van Israel en als hun persoonlijke Heer en Verlosser, kiezen partij voor hem, en tegen de boze machten van deze wereld die hem ter dood hebben gebracht. Zij belijden daarmee dat Jesjoea’s leven de voorbeeldige maatstaf is voor het menselijk leven. Op grond van dit geloof is G’d bereid Jesjoea als hun representant voor Zijn aangezicht te beschouwen. Hij beziet hen als geestelijkerwijs geïncludeerd in Jesjoea.

Wanneer deze gelovigen belijden dat Jesjoea de exclusieve maatstaf is van het menselijk leven, belijden zij ook dat zijzelf zondige wezens zijn die aan deze maatstaf niet toekomen en daarom niet het leven maar de dood verdiend hebben. G’d beschouwt hen daarom als geestelijk wedergeboren in Jesjoea. Zij zijn in principe afgestorven aan hun oude bestaan. Om die reden geeft G’d hen deel aan Jesjoea’s verrijzenisleven. Jesjoea kan nu worden bezien als gestorven in hun plaats, als hun vertegenwoordiger, en daarom als de voorziening van een definitief zondoffer. Door hun inclusie in Jesjoea wordt de kern van hun bestaan, het menselijk hart, vernieuwd. Hun oude bestaan wordt in hun vertegenwoordiger, Jesjoea, in de dood gevoerd. En vervolgens wordt hun een nieuw bestaan gegeven dat geworteld is in Jesjoea’s verrijzenis. Zij zijn definitief verzoend met G’d omdat het zondeprobleem tot in de kern is aangepakt. Het hele menselijk bestaan is in de dood gevoerd en wordt van daaruit hernieuwd. Het oude bestaan wordt niet voortgezet onder een voorlopige voorziening van verzoening. Het wordt geheel en al getransformeerd of omgezet tot een nieuw bestaan.

Het dierlijke zondoffer kon alleen een beperkte en voorlopige voorziening tot verzoening bieden, die telkens wanneer nodig herhaald diende te worden. Het dieroffer gaf geen mogelijkheid tot een volkomen vernieuwing van het menselijk leven aangezien het dier dat geofferd werd niet kon worden vernieuwd tot een verrijzenisleven. Dieren zijn principieel tijdelijk en niet voor een eeuwigheidsleven bestemd. Het offerdier kan de mens ook maar op beperkte wijze vertegenwoordigen. Het kan weliswaar beschouwd worden als onschuldig, maar, gelijk vanzelf spreekt, niet als de voorbeeldige maatstaf van het menselijk leven welke leidt tot erkenning ervan en dus tot een geestelijke ommekeer. Het menselijk bestaan kan dus ook niet geïncludeerd worden in het bestaan van een dier en van daaruit hernieuwd worden.

De vereenzelviging (identificatie) van mens en dier in het dieroffer geschiedt in de rite die door de Wet wordt ingesteld, de vereenzelviging van de mens met Jesjoea als zondoffer geschiedt door de ommekeer van het hart die door de Heilige Geest wordt bewerkt. Het effect van de verzoening en vergeving die in het dierlijk zondoffer worden bewerkt is de mogelijkheid tot voortzetting van het tijdelijke leven in deze wereld. Het effect van de verzoening en vergeving die door het offer van Jesjoea worden bewerkt is de vernieuwing van de menselijke natuur en het deelkrijgen aan het eeuwig leven van de wereld die komt.

Betekent dit dat zij die voorafgaande aan Jesjoea’s komst onder de wettelijke offerdienst van Israel leefden geen deel konden hebben aan het het offer van Jesjoea? Volstrekt niet. Degenen die in de tijd voorafgaande aan Jesjoea de wettelijke zondoffers brachten en daarbij niet alleen maar de rite in acht namen maar ook het geloof en de juiste intentie van het hart hadden, kregen op grond van die intentie deel aan het offer van Jesjoea. Reeds voorafgaand aan dit offer werden zij op grond van de voorgekende verdiensten van Jesjoea in hem geïncludeerd.

Betekent dit dat na Jesjoea’s offer dieroffers niet meer nodig zijn en dat deze offers in de toekomst van het Messiaanse Rijk niet meer gebracht zullen worden? Volstrekt niet. Het offer van Jesjoea vervangt niet zomaar de dieroffers van de Wet. Dit zou alleen zo zijn indien onze verrijzenis in de tijd samenviel met Jesjoea’s verrijzenis. Dan zou de Toekomende Wereld voor ons aangebroken zijn en waren dieroffers onnodig en ook onmogelijk geworden. In de tegenwoordige tijd hebben wij ons aandeel in de Toekomende Wereld echter nog slechts in en door het geloof. Dit geloof en de ermee gepaard gaande genadegaven stellen ons in staat naar G’ds wil te leven binnen het bestel van deze wereld en binnen de beperkingen van de gevallen menselijke natuur. De vernieuwing van ons bestaan heeft nu nog de vorm van een nieuwe orientatie van ons leven in de omstandigheden van de oude schepping. Die nieuwe orientatie is weliswaar gericht op de nieuwe schepping van de Toekomende Wereld en is zelf een geestelijke herschepping van de kern van ons bestaan. Zij is echter nog niet de concrete en lichamelijke realisering van die vernieuwing.

In het Messiaanse Rijk zullen er nog steeds mensen zijn die in sterfelijke lichamen zullen leven. De tegenwoordige gelovigen zullen verheerlijkt worden bij de Wederkomst en dan het verrijzenisleven ontvangen. Het volk Israel zal echter pas collectief tot Jesjoea bekeerd worden bij de Wederkomst. De dan levende Israelieten en het overblijfsel van de volken na de Grote Verdrukking zullen in sterfelijke lichamen het Messiaanse Rijk binnen gaan. In dat Rijk zal opnieuw een g’ddelijke verblijfplaats zijn van waaruit de regering zal uitgaan. Dit zal een Tempel zijn zoals beschreven in het boek Ezechiel. Er zal dan een g’dsregering zijn over de gehele wereld, uitgaande van Jerusalem.

In die omstandigheden zullen opnieuw dieroffers gebracht worden, ook zondoffers. Net zoals onder de theocratie en het koningschap ten tijde van de Tabernakel en de Tempel zal de genade en de mogelijkheid van het zondoffer beperkt zijn tot bepaalde categorieën van zonde. De te brengen zondoffers zullen ook van toepassing zijn op hen die tijdens het Messiaanse Rijk tot waarachtig geloof gekomen zijn, en die dus hun definitieve vergeving hebben in het offer van Jesjoea. Want wanneer er een theocratie, een g’dsregering is worden de aardse gevolgen die de Wet aan de zonde verbindt niet weggenomen door de definitieve verzoening en vergeving welke bewerkt worden door het offer van Yeshua. In het uiterste geval zal dus iemand die een ernstige zonde begaat gedood moeten worden, ook al is hij een gelovige, omdat er voor die zonde geen zondoffer voorzien is. Indien zo iemand bijvoorbeeld de zonde van hoererij bedrijft, en daarna oprecht berouw heeft en zich bekeert, zal hij toch ter dood veroordeeld moeten worden, op gelijke wijze als ten tijde van Mozes. Hij ontvangt dan in Jesjoea’s zoenoffer wel vergeving voor de Toekomende Wereld, maar in deze wereld wordt hij veroordeeld tot de dood.

De dieroffers worden dus wel uiteindelijk door Jesjoea’s offer overbodig gemaakt, doch dit geschiedt pas bij het aanbreken van de nieuwe schepping, de Toekomende Wereld, wanneer alle uitverkorenen het verrijzenisleven zullen hebben en zonde en onreinheid volkomen uitgebannen zullen zijn.

Het offer van Jesjoea is met oprechte intentie gebracht en door G’d aanvaard, immers Jesjoea is opgestaan uit de dood. Zijn opstanding is het bewijs van de aanvaarding van zijn offer. Het spanningsveld tussen het sacrale en profane voor wat betreft de menselijke zondige aard is nu in principe opgeheven. De verstoorde relatie is weer hersteld en vernieuwd.

Het is dus onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken zonden kan wegnemen en een persoon rein kan maken voor deelname aan de Toekomende Wereld. Dit is dan ook niet het doel van het offerritueel. De offers van de tempel zijn relevant voor de reiniging en heiliging  van de natuurlijke mens om G’d te gehoorzamen en te aanbidden in de Tegenwoordige Wereld. Alleen het offer van Jesjoea kan een persoon van zonde reinigen en is noodzakelijk om toegang te krijgen tot de Toekomende Wereld.

Heb. 9:15 (SV, 1977)
15 En daarom is hij de middelaar van het nieuwe testament,  opdat, de dood daartussen gekomen zijnde, tot verzoening der overtredingen, die onder het eerste testament waren, degenen, die geroepen zijn, de beloftenis der eeuwige erve ontvangen zouden.

Jesjoea, de Messias, is de hogepriester en middelaar van het Nieuwe Verbond [15]. Hij offerde zijn leven om diegenen te verlossen die gezondigd hadden onder het Oude Verbond. Door middel van zijn priesterschap is hij is in staat om de mensen een eeuwige erfenis te schenken in de Toekomende Wereld. Voor de levitische offers was deze eeuwige erfenis van de Toekomende Wereld niet bereikbaar. Echter, beide verbonden zijn belangrijk en werken samen. Het Oude Verbond maakt deel uit van het leven in de huidige wereld en is een voorafschaduwing van de dingen die komen gaan. Het Nieuwe Verbond, is een vernieuwing van het Oude Verbond  en komt tot vervolmaking in de Toekomende Wereld.

Met deze achtergrond kunnen we nu ook begrijpen dat de eerste apostolische gemeenschappen verbonden bleven met de Tempel. Ze begrepen dat het offer van de Messias betrekking heeft op en pas volledig geëffectueerd wordt in de Toekomende Wereld, niet in de Tegenwoordige Wereld.

Het Messiaanse Rijk met de herstelde offerdienst moet dus wel deel uitmaken van deze wereld (de Olam Hazeh), en niet van de wereld die komt (de Olam Habah). Na het Messiaanse Rijk zullen een Nieuwe Hemel en een Nieuwe Aarde de huidige vervangen. Het Nieuwe Jeruzalem zal dan neerdalen, en daarin zal geen Tempel of offergave meer zijn.

Samenvatting en Conclusies

Bij het openen van de Bijbel worden we regelmatig verrast door tegenstellingen, tegenstrijdigheden en andere eigenaardigheden waar we geen raad mee weten. We weten of voelen aan dat er iets niet klopt. Deze tegenstrijdigheden blijken bij nader inzien vaak paradoxen te zijn, die ontstaan doordat realiteiten die in onderscheiden orden of sferen thuishoren met elkaar worden vermengd en op eenzelfde niveau worden gesteld.

Enerzijds werden we geconfronteerd met de traditionele uitleg van de offergaven als zijnde overbodig geworden door het offer van Jesjoea, met als gevolg dat Jesjoea zich opofferde om offerdieren te sparen. Anderzijds met het gegeven dat het bloed van bokken en stieren de zonden niet weg kan nemen, met als gevolg dat het gehele offerritueel zinloos lijkt te worden.

Uit het voorgaande weten we dat de levitische offers betrekking hebben op de Tegenwoordige Wereld (hebr. Olam Hazeh) en dat het offer van Jesjoea betrekking heeft op de Toekomende Wereld (hebr. Olam Habah).

Vanuit het fundamentele onderscheid tussen de Olam Hazeh en de Olam Habah is het mogelijk de schijnbaar tegenstrijdige teksten te begrijpen. Het offer van Jesjoea was niet bedoeld om de levitische offers te vervangen, tenminste niet zolang deze wereld nog zou voortbestaan. Immers het offer van Jesjoea is van een andere orde en betreft een dieper niveau, dat van het hart. Hierdoor is zijn offer in staat het menselijk hart en zo de hele mens te vernieuwen. Jesjoea is de middelaar die vermag om de mens een eeuwige erfenis te schenken in de Toekomende Wereld.


Index:

[1]     Matt. 5:17

[2]     Hand. 3:1

[3]     Hand. 24:11,17

[4]     Jes. 25:6-8; 65:25

[5]     Zach. 8:3

[6]     Ezech. 37:26-27

[7]     Jer. 33:15-18

[8]     Heb. 10:4

[9]     Opb. 21:1-2

[10]    Ex. 25:8

[11]    Lev. 4:1-5:13; 6:24-7:7

[12]    Lev. 4:30

[13]    Lev. 12:6; 14:9; Num 6:11, 14

[14]    Lev. 1:5

[15]    Jer. 31:33; Heb. 9:11-15

Advertisements

DE VERNIEUWING VAN HET VERBOND EN HET BLIJVEN VAN DE TORAH

Aantekeningen bij enige gedeelten van de brief aan de Hebreën

ontleend aan “Semitic Light on Hebrews” van James Trimm, “De verbonden en de wet” van S. van Mierlo, “Jewish New Testament Commentary” van David Stern, en “L’Épitre aux Hébreux” van C. Spicq

 

 

 1.             Inleiding

 

Nadat de auteur (in Heb. 9) gewag heeft gemaakt van het ritueel van de Grote Verzoendag, spreekt hij zich uit ten gunste van de tempeldienst. Hij doet dit door middel van een homiletische midrasj op Ps. 40:6-8 (Heb. 10:5-9); Jer. 31:33-34 (Heb. 10:16-17) en Hab. 2:3-4 (Heb. 10:37-38). Kernwoorden zijn hier: ‘behagen/wil’; ‘kom’; ‘Torah in het hart’; ‘zonde’ en ‘(geen) offerande’. De auteur begint deze midrasj door Ps. 40:6-8 te citeren (Heb. 10:5-10). Hij verknoopt deze passage met Jer. 31:34 (Heb. 10:16-18), door middel van de kernwoorden ‘zonde’, ‘in hun harten’ en ‘geen offer’. De wet in het hart (of ingewand) is ook een thema in Ps. 40, maar dit wordt afgekapt in het citaat in Heb. 10:5-10. De auteur besluit met het citeren van Hab. 2:3-4 (Heb. 10:37-38) door de kernwoorden ‘Hij die staat te komen’ en ‘geen behagen’. De context van Heb. 10 is dat de auteur zojuist over Jesjoea gesproken heeft met betrekking tot het ritueel van Jom Kippoer, in Heb. 8 en 9. In Heb. 10:1-3 stelt de auteur dat de offers blijven bestaan als een gedachtenis. De auteur verzet zich tegen degenen die zich tegen de tempel keren en moedigt het bijwonen van de tempeldienst aan (Heb. 10:25).

 

De kernwoorden van de midrasj laten zien wat het onderwerp van de auteur is: de offers, en dat wat aan G’d niet behaagt. De auteur beargumenteert dat het einde van de zondoffers in Ps. 40:6-8 en het plaatsen van de Torah in het hart (Ps. 40:8) de psalm-passage verbinden aan het sluiten van het nieuwe verbond in Jer. 31:31-34, dat nog moet geschieden. Volgens de auteur beschrijft Ps. 40 een tijd waarin niet langer zondoffers aangeboden zullen worden, omdat de zonde niet meer gedacht zal worden. G’d heeft geen behagen meer in zondoffers, aangezien zij resulteren uit zonden, welke hij, wanneer het nieuwe verbond daar is, niet langer zal gedenken. Deze offers zullen dus mogelijkerwijs eindigen met het komen van het nieuwe verbond (Heb. 11:18 zie ook Heb. 8:13). De auteur besluit door Hab. 2:3-4 en Hag. 2:6-7 te citeren. De bedoeling van dit citaat lijkt te zijn de wederkomst van de Messias en de vestiging van het nieuwe verbond voor ogen te stellen als de de vervulling, niet de afschaffing van de tempeldienst (Hag. 2:8-10).

 

 

2.         Uitleg van Heb. 10:1-38; 12:25-26

 

10:1a   Want de Torah heeft een schaduw van de toekomende goederen, niet het beeld zelf der zaken.

De auteur verwijst naar het feit dat de aardse tabernakel een schaduw van de hemelse is (zie Heb. 8:5; 9:11). Deze passage betekent niet dat de Torah niet zou moeten gehouden worden, aangezien zij een schaduw is. De Torah is nooit anders geweest dan een schaduw komende goede dingen, zelfs niet in de dagen van Moses.

 

10:1b             Daarom kan zij met dezelfde offeranden, welke men alle jaren gedurig opoffert, hen die daar toegaan, nimmermeer vervolmaken.

De jaarlijkse offers van de Grote Verzoendag zijn hier aangeduid.

 

10:3     Maar daarin geschiedt alle jaren een gedachtenis van zonden.

In plaats van te onderwijzen dat het systeem van de tempeloffers door Jesjoea afgeschaft is, vermeldt de auteur dat de offers dienen als een jaarlijkse gedachtenis van zonden.

 

10:5-10 = Ps. 40:6-8. Psalm 40:6-8 was waarschijnlijk als een bewijsplaats gebruikt door tegenstanders van de auteur. De Ebionieten waren gekant tegen de tempeldienst omdat zij geloofden dat Jesjoea het systeem van de offers had afgeschaft. Ook anderen, zoals de Essenen, verzetten zich tegen de tempel, omdat zij meenden dat de offerdienst werd beheerd en uitgeoefend door een corrupte priesterkaste. De auteur van de Hebreënbrief daarentegen neemt stelling ten gunste van de offerdienst.

 

10:18   Waar dan voor deze dingen vergeving bestaat, is er geen zondoffer meer nodig.

Inderdaad, er behoeft geen tweede werkelijk afdoend offer te worden gebracht, zoals het kruisoffer. Dit geschiedde eens en voor altijd (9:25-28). Doch de afschaduwing (10:1) van dit offer, die op zichzelf geen waarde heeft, moet dienst doen zowel vóór als nà het kruisoffer, als gedachtenis van de zonden.

 

Dat deze tekst niet leert dat er geen symbolische offers in de tempel meer moeten worden gebracht, blijkt bovendien uit het feit dat Heb. 10:5-7 valt onder het hierboven genoemde citaat uit Ps. 40:6-8. Toen de psalm werd geschreven, ten tijde van koning David, bestond uiteraard de offerdienst van de Torah. Aan deze psalm een argument ontlenen om de offerdienst voor afgeschaft te houden komt erop neer dat men de offerdienst minstens sinds koning David voor illegitiem houdt.

 

10:25   En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat temeer, als gij ziet dat de dag nadert.

Dit is een van de meest misbruikte passages in het Nieuw Testament. De passage heeft niets te maken met een ‘kerkdienst’ (een anachronisme) of met een dagelijkse of wekelijkse bijeenkomst van de plaatselijke gemeente. Neen, in overeenstemming met Heb. 10:1-4 moedigt de auteur de bijwoning van de tempelliturgie van de Grote Verzoendag aan. Hij doet dit met een kal v’chomer (= van licht naar zwaar) redenering, welke in 10:26 begint, en culmineert in 10:28-29.

 

10:28   Indien iemand de Torah van Mozes teniet gedaan heeft, sterft hij zonder barmhartigheid, onder twee of drie getuigen;

10:29   Hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden die de Zoon van God vertreden heeft, en het verbondsbloed waardoor hij geheiligd was, onrein geacht heeft, en de Geest der genade smaadheid heeft aangedaan.

De auteur heeft vroeger reeds (door een kal v’chomer) aangetoond dat de woorden van de Messias van tenminste gelijk gewicht zijn als die van de Torah (2:1-4). Hij heeft ook aangetoond dat het bloed van het nieuwe verbond van grotere betekenis is dan dat van het oude (9:13-14). Nu stelt hij dat zij die dit nieuwe verbond  verwerpen een tenminste even grote straf zullen ontvangen als degenen die het mozaïsche verbond van de Sinaï verwierpen.

 

10:37   Want nog een zeer weinig tijd en Hij, die staat te komen, zal komen en niet vertoeven.

10:38   Maar de rechtvaardige zal leven uit zijn getrouwheid, en indien hij zich onttrekt heeft Mijn ziel geen behagen in hem.

Zoals in het voorgaande reeds opgemerkt, haalt de auteur hier teksten (Hab. 2:3-4) aan welke in hun verband de tegenstelling laten zien tussen de Torahgetrouwheid en het zich onttrekken aan de Torah. Van degene die zich, in tegenstelling tot de rechtvaardige, onttrekt aan trouw aan de Torah wordt (in Hab.) gezegd (lxx): “als zijn ziel zich onttrekt (hetzelfde woord als in Heb. 10:38), heb Ik geen behagen in hem”. En: “maar de trotse man en de spotter, de man die grootspreekt, zal niets voltooien; hij die zijn begeerte verwijd heeft als het graf, en gelijk de dood is, die niet zat wordt, en tot zich verzamelt al de heidenen, en vergadert tot zich alle volken”.

 

De auteur wijst er in 10:27 op dat de Messias op het punt staat terug te keren uit het hemels heiligdom, zoals de hogepriester op Jom Kippoer terugkeert uit het binnenste van de tempel.

 

Tenslotte benut de auteur in 12:25-26, als uitloper van dit betoog een kal v’chomer argumentatie om het gewicht van Jesjoea’s boodschap ten opzichte van die van Mozes te beklemtonen.

 

12:25   Ziet toe, dat gij Hem, die spreekt, niet verwerpt; want indien dezen niet zijn ontvloden, die hem verwierpen die op aarde G’ddelijke antwoorden gaf, veelmeer zullen wij niet ontvlieden, zo wij ons van Hem afkeren, die van de hemelen is;

12:26   Wiens stem toen de aarde bewoog; maar nu heeft Hij verkondigd, zeggende: Nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook de hemel.

Zoals G’ds stem op de Sinaï de aarde bewoog, zo zal Hij, als gevolg van de gebeurtenissen rond Jesjoea, in de toekomst eenmaal zowel de aarde als de hemel bewegen, teneinde de beweeglijke dingen door onbeweeglijke te vervangen. In deze argumentatie citeert de auteur Hagg. 2:7. Deze tekst staat in het perspectief van een glorieus herstel van de tempeldienst, en van het toestromen van de volken. Opnieuw lijkt dus de bedoeling van de auteur te liggen in de vervulling, niet in de afschaffing van de tempeldienst.

 

Omdat de Hebreënbrief zo vaak wordt uitgelegd als een theologisch project dat de afschaffing van de tempeldienst zou bepleiten en rechtvaardigen, is het wellicht goed nog op enkele specifieke aspecten van de argumentatie van de auteur in te gaan.

 

 

3.         De kal v’chomer redenering

 

In de eerste plaats op de kal v’chomer redenering. Deze rabbijnse redeneervorm (de eerste interpretatieregel van Hillel en van Rabbi Jismaëel), ook bekend onder benamingen als a fortiori redenering, of redenering a minore ad maius, heeft altijd de strekking dat het grotere en meer gewichtige, dat in de redenering wordt afgeleid, stoelt op het kleinere en minder gewichtige waaruit het wordt afgeleid. Dit impliceert dat hoewel enerzijds het afgeleide inhoudelijk van hogere orde en groter gewicht is, anderzijds het uitgangspunt waaruit het wordt afgeleid formeel van hogere orde en groter gewicht is. In deze redenering houden het zwaardere en het lichtere elkaar dus in evenwicht. Het formeel lichtere is het inhoudelijk zwaardere en omgekeerd.

 

Het kan dus nooit zo zijn dat een kal v’chomer wordt aangewend teneinde het inhoudelijk gewichtige dat in de redenering wordt afgeleid, vervolgens te benutten ter kleinering of afschaffing van het inhoudelijk minder gewichtige waaruit het wordt afgeleid. Want dit inhoudelijk minder gewichtige is formeel gewichtiger, en zondermeer nodig, niet alleen om de afleiding te kunnen maken, maar ook om vervolgens het afgeleide te kunnen doen standhouden.

 

Wanneer de kal v’chomer zou kunnen worden benut om het lichtere te doen verdwijnen in of ten gunste van het zwaardere, zou zij als halachisch argument iedere waarde verliezen. Dan zou namelijk het lichtere voorschrift kunnen worden afgeschaft of opgeheven ten gunste van het zwaardere. De kal v’chomer wordt echter voortdurend in halachische argumentaties benut.

 

Om het gestelde te illustreren een kort voorbeeld van een halachische kal v’chomer. De questie is of men het Pesachoffer ook moet brengen wanneer Pesach op een Sjabbat valt, gezien het werkverbod van Sjabbat. Het antwoord (afkomstig van Hillel, Bab. Talm. Pesachim 66a) luidt bevestigend, en wordt als volgt beredeneerd. Het dagelijks offer, op het niet brengen waarvan de Torahwet geen strafbepaling vermeldt, wordt ook op Sjabbat gebracht. Dus moet zeker het Pesachoffer, op het niet brengen waarvan de Torahwet de strafbepaling van kareet (= uitroeing) vermeldt, op Sjabbat worden gebracht, wanneer Pesach op een Sjabbat valt.

 

Wie zou nu op grond van deze redenering willen beweren dat wanneer Pesach op een Sjabbat valt, het vervolgens niet langer nodig is op deze Sjabbat het dagelijks offer te brengen, aangezien het van zoveel zwaarder gewicht zijnde Pesachoffer dan reeds wordt gebracht? Dit zou betekenen dat men het lichtere, dat men als onbetwist uitgangspunt van de redenering had genomen, vervolgens laat opgaan of verdwijnen in het zwaardere dat eruit volgt. Maar met het verdwijnen van het uitgangspunt van de redenering verdwijnt rechtens ook het gevolg.

 

Een voorbeeld van een kal v’chomer in de Hebreënbrief is de stelling van de auteur dat de openbaring van de Zoon, die boven de engelen verheven is, niet mag worden verworpen (Heb. 2:1-4). Hij beredeneert deze stelling vanuit het gegeven dat het door engelen bemiddelde woord (de Torah) betrouwbaar geweest is, en dus a fortiori het woord van de boven de engelen verheven Zoon minstens even betrouwbaar is.

 

Deze redenering mag vervolgens niet gebruikt worden met het doel de Torah (het mindere) af te schaffen ten gunste van het woord van de Zoon (het meerdere). Want dit zou het gehele uitgangspunt van de redenering vernietigen, en uiteindelijk, via dezelfde logica, tot de conclusie leiden dat ook het woord van de Zoon geen stand kan houden. Het inhoudelijk lichtere, maar formeel zwaardere, waarop het afgeleide wordt gefundeerd, zou namelijk onderuit worden gehaald.

 

Het bovenstaande heeft tot gevolg dat overal waar de auteur redeneert a minore ad maius, dus volgens een kal v’chomer, het mindere en lichtere uitgangspunt niet verdwijnt in of ten gunste van het grotere en zwaardere dat wordt afgeleid. Dit heeft ondermeer tot gevolg dat de melchizedische priesterdienst van de Messias in het hemelse heiligdom niet mag worden uitgespeeld tegen de levitische priesterdienst, welke hier op aarde doorgaat zolang de eerste tent nog staat (Heb. 9:8).

 

 

4.         De afschaffing van de Torah van Mozes

 

Niettegenstaande het voorafgaande is het duidelijk dat de Hebreënbrief passages bevat die spreken van een afschaffing van de Torah. Nu gaat het erom na te gaan hoe en wanneer deze afschaffing aan de orde is, en en hoe zij zich verhoudt tot hetgeen we over het blijven van de Torah in verband met de kal v’chomer hebben opgemerkt.

 

7:18     Want de vernietiging van het voorgaande gebod geschiedt om zijn zwakheid en onprofijtelijkheid;

De auteur gaat verder, zoals hij gezegd heeft (6:1) dan de eerste beginselen van de leer van de Messias, en nodigt uit tot de volmaaktheid voort te varen. Welnu, de volmaaktheid wordt niet bereikt door het levitische priesterschap. Dit priesterschap vindt zelf zijn bestemming in het volmaakte, melchizedische priesterschap van de Messias. In verband met dit volmaakte priesterschap geschiedt er een verandering van de Torah (7:12) en een afschaffing van het voorgaande gebod (7:18). Want dit laatste kon volmaaktheid niet brengen (7:19; 9:9).

 

We hebben hier dus een tekstplaats gevonden die spreekt over het afschaffen van de Torah van Mozes. Nu komt het erop aan te bezien wanneer deze afschaffing geschiedt. Dit vinden we in 9:10, waar de instellingen van het Misjkan “inzettingen van het vlees” worden genoemd, “tot op de tijd der herstelling opgelegd”.

 

Het woord herstelling is de vertaling van ‘diorthôsis’, dat nergens anders in het Nieuwe Testament voorkomt. Wat de auteur met het herstel bedoelt valt echter op te maken uit 9:11, waar hij de volmaakte tabernakel stelt tegenover hetgeen tot de tegenwoordige schepping behoort. Deze tabernakel bestaat nu reeds, doch bevindt zich in de hemel (8:1), zoals ook blijkt uit 12:22-24. Deze tabernakel is het hemelse Jerusalem. Er zal echter een tijd komen, wanneer hemel en aarde zullen bewogen worden, en er een verandering zal plaatsvinden van de beweeglijke dingen, en alleen onbeweeglijke dingen zullen blijven.

 

12:27   En dit woord, “Nog éénmaal…” wijst op de verandering der beweeglijke dingen, die slechts gemaakt waren opdat zouden blijven de dingen die niet beweeglijk zijn.

Het levitische priesterschap behoort, met zijn steeds te herhalen offers, tot de orde van de beweeglijke dingen, aangezien de priesters zelf door de dood verhinderd werden altijd te blijven (7:23). Jesjoea’s priesterschap is daarentegen onvergankelijk, omdat Hij in eeuwigheid blijft (7:24). Wat is er nu in het kader van het betoog logischer dan aan te nemen dat het levitische priesterschap, en daarmee heel de in inzettingen bestaande Torah, zal blijven zolang de hierboven beschreven verandering van hemel en aarde tot een onbeweeglijke orde nog niet heeft plaatsgehad?

 

 

Dit komt overeen met hetgeen we in de Apokalyps vinden over het neerdalen van het hemelse Jerusalem uit de hemel (Apok. 21:2-3). Deze gebeurtenis wordt gesitueerd ten tijde van de volkomen herschepping, dus wanneer alles tot volmaaktheid zal zijn gebracht.

 

Hieruit blijkt dat de “inzettingen van het vlees” slechts afgeschaft zullen worden op het einde van het messiaanse rijk. Dit komt ook overeen met de woorden van Jesjoea in Mt. 5:18, volgens welke er niets van de Torah of de profeten zal worden ontbonden zolang de tegenwoordige hemel en aarde bestaan.

 

De overige teksten die op een afschaffing of verandering van de Torah duiden zijn meest afkomstig uit de Tenach. We hebben reeds gezien dat men uit de aanhaling van Ps. 40 in Heb. 10 niet zulke drastische gevolgtrekkingen mag maken. Hetzelfde geldt voor de overige citaten uit de Tenach.

 

8:13     Als hij zegt: Een nieuw verbond, zo heeft Hij het eerste oud gemaakt; wat nu oud gemaakt is en verouderd, is nabij de verdwijning.

Als de auteur van Hebreën uit de passage over het nieuwe verbond in Jer. 31:31-34 het besluit trekt dat het eerste verbond “oud gemaakt” is (8:13), dan moet men deze veroudering reeds leggen ten tijde van de aangehaalde tekst, dus ten tijde van Jeremia. Door toen bij monde van deze profeet zo te spreken heeft G’d het eerste verbond “oud gemaakt”. Het ‘oude verbond’ is dus reeds oud (en verouderd) zo’n 600 jaren vóór het optreden van Jesjoea. Vanzelfsprekend betekent dit niet dat men het niet meer zou moeten houden! Bovendien zijn de bewoordingen in Heb. 8:13 zodanig dat blijkt dat het oude verbond nog niet was verdwenen.

 

De passage betekent niet dat G’d het mozaïsche verbond heeft afgeschaft of zal afschaffen. Het oude verbond is oud en verouderd omdat het niet werd gehouden door de Israelieten, zoals blijkt uit Heb. 8:7-9. Daarin wordt zijdelings de zwakheid openbaar van de Torah zelf met betrekking tot haar onderhorigen. Weliswaar hebben dezen door hun gedrag de zegeningen van de Torah onwerkzaam gemaakt. Maar de gang van zaken bewijst indirect dat de Torah het effectieve vermogen mist om haar onderhorigen tot G’d te brengen. Zij is niet in staat de kern van de mens, het hart, te vernieuwen tot een leven van gemeenschap met G’d (Dt. 29:4). Zij kan, zoals Paulus in de brief aan de Romeinen betoogt, deze vernieuwing slechts voorbereiden, door de overtreding bewust te maken en de behoefte te wekken aan de genade (Rom 5:12-8:4). Daarom werd een nieuw verbond, of beter een verbondsvernieuwing, nodig.

 

Het nieuwe verbond zal van kracht worden bij de wederkomst van de Messias. De traditionele opvatting dat het verbond reeds werd gesloten bij de laatste Pesachseider van Jesjoea met zijn leerlingen is slechts gedeeltelijk juist. De leerlingen werden toen weliswaar, als vertegenwoordigers van het volk, verbonden met het bloed van het nieuwe verbond, dat op het kruis vergoten zou worden, maar het verbond werd nog niet in de openbaarheid en met het gehele volk opgericht. Jesjoea zal eerst uit de beker van het verbond drinken bij de oprichting van het Koninkrijk, dat is bij zijn wederkomst in heerlijkheid (Mt. 26:29). De leerlingen, en allen die door middel van hen geloven zouden, werden reeds geestelijkerwijs in het nieuwe verbond ingevoerd, ter voorbereiding van hun zending om als apostelen van de Messias heel het huis Israels tot hetzelfde geloof te brengen, en zo geschikt te maken voor het van kracht worden van het nieuwe verbond.

 

Het van kracht worden van het nieuwe verbond, bij de oprichting van het messiaanse rijk, betekent niet de afschaffing, maar de vervulling van de Torah. Het oude verbond is niet identiek met de Torah, maar is slechts de (onvolkomen) wijze waarop de Torah op Sinaï werd geopenbaard, als een uitwendige wet, die niet noodzakelijk gepaard ging met een inwendige vernieuwing van de mens door de genade. Het van kracht worden van het nieuwe verbond, dat is de inwendige vernieuwing van Israel, betekent dan ook op geen enkele wijze een afschaffing van de Torah, doch juist de vervulling ervan. Dan eerst zal, uit kracht van de verbinding van het volk met het offer van de Messias, de genadewerking aanwezig zijn om de Torah te houden en om haar zó te houden dat zowel Israel als de volken tot hun eindbestemming worden gebracht.

 

Het nieuwe verbond voert dus niet tot de afschaffing van het mozaïsche verbond, doch is de vervollediging ervan. Het houdt in dat de besnijdenis van het hart werkelijkheid zal worden voor geheel Israel. Dit zal gebeuren door de inwerking van G’ds Geest, welke inwerking in beginsel is mogelijk gemaakt door de dienst van Jesjoea de Messias.

 

Men moet de passages over het oude en het nieuwe verbond dus niet zo met de Torah verbinden, alsof de verbondsvernieuwing en het afschaffen van de Torah zouden samenvallen. De Torah zal slechts afgeschaft worden, zoals hierboven reeds gezegd, bij het vergaan van hemel en aarde, dus na het messiaanse rijk. Zij blijft dus van kracht zolang de tegenwoordige hemel en aarde bestaan. Men kan zelfs zeggen dat zij ook daarna blijft bestaan, doch in getransformeerde toestand. In de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, de eeuwige toestand, is alles in overeenstemming met de diepste intentie van de Torah. Dit betekent 1) dat de Torah dan haar karakter van gebod verliest, daar zij het hart van de mens dan volkomen beheerst, en 2) dat alles in haar wat nog een onderweg zijn naar de bestemming veronderstelt wegvalt, aangezien alle dingen tot hun bestemming zijn gekomen.

 

Animal Sacrifice and the Personal Sacrifice of Messiah

Oftentimes the question is raised how the animal sacrifices of the Torah, particularly the sin offering and the sacrifice of Yom Kippur, are related to the personal sacrifice of Messiah Yeshua, and how definitive atonement and complete forgiveness of sins could be received by those living in Israel before Messiah’s personal appearance. 

The problem of atonement and forgiveness during the times before the appearance of Yeshua centers around the question on the efficacy of animal sacrifice. Animal sacrifice is intimately related to the distinction between this world and the World to Come. In the World to Come, the world of resurrection life, there is no longer animal life. This seems to imply that the efficacy of atonement brought about by animal sacrifice is limited to this world. Atonement based on animal sacrifice thus allows those to whom it is applied to live on in this world, and to escape the death penalty of the Torah for sinning. 

Yet it is clear that we all die. So ultimately there is no escape of death. The Apostle Paul says that our death is a punishment for the original sin of Adam. We are included in Adam, and as individuals in this world we are no more than extensions (or parts) of Adam. Although the expression is not used by Scripture, I think it is illuminating to see ourselves as Adam’s body, as an extension of his.  

The atonement by means of animal sacrifice in the Torah can do no more but to let men escape from an immediate death penalty for particular sins. It cannot remove the source of sin, the inherited sinful nature of man — due to his being Adam’s extension — that ultimately always leads to death.  

Animal sacrifice at first sight however is something very strange, and gives rise to deep questioning: How can an animal’s death atone for my sins? How can the slaughtering of an animal and the sprinkling of its blood on the altar by any means be related to the forgiveness of my sins? There are two big difficulties involved in animal sacrifice, that partly are difficulties in the idea of sacrifice itself: 1) If divine justice demands the death of the sinner, how can any other being except the sinner himself be accountable and (be able to) bear the punishment of sin? Is, in other words, justice not severely violated by the idea of substitutionary atonement? But even if it be granted that another being (by some unknown means) can make atonement for me, a new difficulty arises: 2) How can animal sacrifice in particular be a means of substitutionary atonement? An animal is a being wholly outside the human spheres of morality and justice. 

These questions suggest that the only really sufficient means of atonement is the self-sacrifice of the sinner. We ourselves must pay for our sins, by receiving its punishment, death. The problem is, if this train of thought is followed, that it will lead to the end of the story altogether. No real forgiveness and restoration can be obtained by this procedure. We all will be killed for our sins, and that’s it. 

What happens then in animal sacrifice for sin? How can we understand it? By the action of bringing an animal for our sins we identify ourselves with it. This identification must be seen as something real. It is founded in a real “overlap” between human and animal life. We as humans share many characteristics of animal life. By this act of identification we confess that we deserve the death penalty. And the penalty is exercised on that part of our being we identify with in the act of sacrifice, the animal. By means of this identification not simply an other being is killed, the animal outside us. We ourselves are killed in the slaughtering of the animal, because we have identified ourselves with it. 

The identification with an animal however is always a partial identification. We can only partially identify ourselves with an animal. This means that in our acts of confession of sin and bringing the animal sacrifice our old sinful nature is only partially punished and killed. The animal I identified with dies and bears my sins, and by this means I myself — now considered in sofar as I’m not identified with the animal — am able to escape death (for the time being). That’s the clue of the matter, and that’s how animal sacrifice functions. 

An important implication of this state of affairs is that by means of animal sacrifice my old sinful nature — i.e. the human being I am by being Adam’s descendant — is able to live on, and commit new sinful acts! Animal sacrifice for sins thus does not lead to a complete renewal of human nature. I may have confessed my sins in a sincere act of repentance. And I may even have received the gift of the holy spirit, to direct me towards a new way of living in the fear of HaShem. But this does still not guarantee that I will never fall back into sin. My sinful inclinations are not removed. My old sinful nature is not changed on a physical level so to say. The new direction of life I received has to struggle with the force of the old nature that is still part of myself.  

To get totally rid of this old nature and its inclination towards sin, I myself must die. Partial identification with an animal’s death will be of no avail, ultimately. How can this death of myself occur in a meaningful way, that is, in a manner that brings about atonement and new life, not just punishment and condemnation? There has to be a being I can completely identify with, if substitutionary atonement is to be a sensible concept. The paradox is that the only being I’m seemingly able to identify with completely, is myself. It is clear that a complete identification must be with a human being, not with an animal. But it seems that it cannot be another human being, someone distinguishable from myself.  

Remember however, that there is already “another” human being we in a way are completely identified with, namely Adam. We are identified with Adam by being included in him, by being nothing more than his extension, his body. Adam is the root of the human race. By our inclusion in him we share in his wrong decision to turn away from G’d. If we are to be saved from death, the consequence of sin, we need to be included in some other man that is entirely sinless. We need to become his extension, his body, instead of Adam’s. This man is Messiah Yeshua. We therefore need to be included in Messiah for the sake of ultimately escaping death. This raises a lot of questions. By what means can we be included in Messiah Yeshua? How can we identify with him and how can he be a sacrifice of sins for us? 

The means of identification here is faith. This implies repentance and conversion of the heart to G’d, in essentially the same way as is the case in animal sacrifice. We must on G’d’s authority recognize Yeshua as the one righteous and sinless man, as the kind of being we should be ourselves. He is the measure or standard of human life: complete sinlessness. This is the beginning of our act of identification with him.  

Now we know that Yeshua was killed and suffered a terrible and completely undeserved death on the Cross. Our act of identification requires that we recognize and confess that we deserved this death. Instead of him, we should be killed for our sins, and suffer the punishment of sin by the gruesome death penalty on the Cross. This is our identification with Yeshua’s death, our inclusion in it. By faith we can accept our own death — i.e. our physical death that will one day occur — in identification with his death. We can give ourselves to him, and subject ourselves to him and serve him in love, even to the consequence of death, or at least until death. By consciously accepting our own death as the punishment of our sins, we are able to include ourselves in Messiah, if this acceptance of our death is based on our recognition of Messiah’s sinlessness as the standard of human life.  

Yeshua was not left in the state of death. He was resurrected to a new and incorruptible life. His death was completely undeserved. That’s why G’d couldn’t leave him in death. G’d was obligated to His own honour to resurrect Yeshua, to give him everlasting life, as the reward of his obedience under the most difficult circumstances. Everlasting, incorruptible life was first promised to Adam if he remained obedient to G’d. Adam failed, and lost life. Messiah succeeded, and gained life! 

If we identify with Messiah we are not only included in his death, we are also included in his resurrection. Messiah is our place and means of atonement. If we recognize him and thus identify with him, the deepest kernel of our personality is included in him. We become part of him, members of his body, his extensions. He died substitutionary for our sins, because by turning to G’d and recognizing that Messiah died completely sinlessly, we confess that we are worthy of the death penalty he received. Our identification with him is not partial, as in the case of animal sacrifice. We are completely included in him, as we are completely included in Adam. 

Now back to the original question of this paper: how is animal sacrifice related to the sacrifice of Messiah, and how can those who never explicitly knew Messiah be included in him by means of animal sacrifice? 

As I said, the efficacy of animal sacrifice is limited to this world. Only Messiah’s sacrifice discloses the World the Come to us. Animal sacrifice however by and in itself points to Messiah’s sacrifice as to its completion and fulfilment, because the partial identification with the sacrificial animal is insufficient. Definitive atonement for sins requires the death of the sinner itself, not of the animal he identifies with. The animal is without sin simply by being altogether outside the moral and juridical order. A complete identification with an animal is therefore impossible for man. Man must sacrifice himself, which he does partially in animal sacrifice, but completely in Messiah, as the representative of mankind, as its Mediator with G’d. By inclusion in him the whole sphere of this world and of animal sacrifice is transcended. Messiah’s sacrifice is the bridge that brings us from the corruptible and perishable sphere of this world to the eternal and incorruptible sphere of the World to Come.