Archive for the 'Torah' Category

Bijbelse Paradoxen (Deel V): Wet versus Genade

 

[Dit is het vijfde uit een serie artikelen waarin een aantal schijnbare tegenspraken in de Bijbel worden behandeld.]

Traditionele tegenstelling van Wet en Genade (Cranach 1535)

Traditionele tegenstelling van Wet en Genade (Cranach 1535)

Inleiding en Paradox

Op grond van de onderstaande teksten uit het Johannes Evangelie en de brieven van Paulus aan de Romeinen en de Galaten wordt veelal aangenomen dat de begrippen wet en genade elkaars tegenpolen zijn en elkaar uitsluiten: Waar de wet heerst is geen genade en waar de genade heerst is de wet overbodig geworden.

Joh. 1:17 (SV 1977) Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.

Rom. 6:14 (SV 1977) Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.

Gal. 2:21 (SV 1977) Ik doe de genade G’ds niet te niet; want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven.

Gal. 5:4 (SV 1977) Christus is u ijdel geworden, die door de wet gerechtvaardigd wilt worden; gij zijt van de genade vervallen.

Deze interpretatie brengt echter serieuze bezwaren met zich mee. In zowel het Oude Testament als het Nieuwe Testament komen we een aantal citaten tegen die hier niet mee in overeenstemming zijn, of althans, hiermee op gespannen voet staan:

1) Allereerst is het noodzakelijk te benadrukken dat ook na de opstanding van Jezus de Wet nog steeds valide is: “…totdat de hemel en de aarde voorbijgaan (Hebr. olam hazeh), zal er niet één jota noch één tittel van de wet voorbijgaan…” [1]. Ook de volgelingen van Jezus namen de wet serieuszelfs zo’n dertig jaar ná de dood en opstanding [2,3].

2) In de brief aan de Galaten wordt de wet voorgesteld als een onderwijzer en beschermheer die notabene tot de Messias leidt “…Zo dan, de wet is onze tuchtmeester, lees: onderwijzer (gr. paidagogos) geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden…” [4]

3) In de brief aan de Romeinen wordt enerzijds gezegd dat we niet onder de wet zijn, maar anderzijds worden we gewaarschuwd voor het overtreden van de wet, het zondigen: “…Wat dan ? Zullen wij zondigen, omdat wij niet onder de wet zijn, maar onder de genade ? Dat zij verre…” [5]. In het daarop volgende hoofdstuk zegt Paulus: “…De wet is heilig, rechtvaardig, goed en geestelijk…”  [6].

4) Ook in het Oude Testament wordt de wet hoog geacht. David vermeldt ons: “…De wet des HEEREN is volmaakt…” en “…De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen [7].

5) De wet bewerkt rechtvaardigheid en corrigeert onze levensstijl “…Als nu een mens zal gezondigd hebben…” , “…als hij aan een van die schuldig is, dat hij belijden zal waarin hij gezondigd heeft…”[8] En de wet wordt daarnaast ook aangeduid als een licht voor de volken [9]

De begrippen ‘wet’ en ‘genade’ worden weliswaar niet direct aan elkaar gekoppeld, maar een strikte scheiding aanbrengen, zoals de traditionele leer ons voorspiegelt, lijkt niet houdbaar. Het is immers niet erg consequent om enerzijds de wet hoog te achten, en deze te praktiseren, en anderzijds aan te geven dat de wet overbodig is en als het ware vervangen is door de genade. Om uit deze patstelling te komen is het noodzakelijk onderzoek te doen aan de bijbelse begrippen: zonde, werken, wet en genade. Vervolgens kunnen we de teksten opnieuw gaan bestuderen en interpreteren.

Het begrip ‘zonde’

Het begrip ‘zonde’ wordt in het Hebreeuws weergegeven door chata en in het Grieks door hamartia. Het woord chata is in het OT het meest gebruikelijke woord dat vertaald wordt met ‘zonde’. De betekenis komt expliciet naar voren in het boek Richteren [10]. Het betekent hier een verkeerde beweging maken of richting kiezen waardoor het doel, de bestemming, wordt gemist. Het begrip zonde en het uitvloeisel hiervan: de zonden, bewerken in essentie dat het levensdoel gemist wordt; het levensdoel dat HaSjeem met een ieder mens persoonlijk voorheeft.

In de eerste brief van Johanneswordt het begrip zonde en de hiermee gepaard gaande zonden gerelateerd aan de Torah, de wet. “Ieder die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid, en de zonde is de wetteloosheid.” [11] . In de brief aan de Romeinen geeft Paulus de situatie aan waar de mensheid zich in bevindt: “…Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods…”  [12]. Paulus geeft duidelijk aan wat de consequenties zijn van de zondige toestand en het zondigen. Johannes definieert het zondigen als wetteloosheid.

Het begrip ‘werk’

Het begrip ‘werk’ wordt in het Hebreeuws weergegeven door ma’asee en in het Grieks door ergon. Aan het begrip ‘werk’ kan een positieve, maar ook een negatieve waarde kleven. Paulus vat dit samen in de eerste brief aan Korinte [13] “Eens ieders werk zal openbaar worden…” Echter, in deze paragraaf bedoelen we niet het werk ten bate van de Gemeente van de Messias. Hier hebben we met het begrip ‘werken’ of ‘werk’ iets anders op het oog. Paulus geeft dit aan in de brief aan de Galaten [14] en impliciet in de brief aan Efeze [15].

In de Galatenbrief probeert Paulus duidelijk te maken dat het rechtvaardig worden voor G’d niet een kwestie is van eigen inzet en inspanning of door het zich  juridisch invoegen in het volk Israël als proseliet: “…die door de wet gerechtvaardigd wilt worden; gij zijt van de genade vervallen…”. Aan het rechtvaardig gerekend worden voor G’d, middels het zoenoffer van de Messias, kan de mens zelf niets toevoegen. De rechtvaardiging is louter en alleen genade. Dit wordt bevestigd in de brief aan Efeze: “…Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme…” Hiermee plaats Paulus het begrip ‘werk’ tegenover het begrip ‘genade’.

Het begrip ‘wet’

Het begrip ‘wet’ wordt in het Hebreeuws weergegeven door Torah en in het Grieks door nomos. Paulus gebruikt veelal het griekse woord nomos en dit betekent letterlijk ‘wet’. Hierdoor onstaat al snel de indruk dat het louter een juridische code betreft. Paulus schreef in het Grieks, maar de begrippen waarover hij schrijft komen uit de hebreeuwse geschriften en uit het joodse religieuze leven. Het hebreeuwse begrip Torah is dan ook veel breder dan een zogenaamde juridische code.

Het woord Torah is afgeleid van het werkwoord yarah en betekent in essentie: ‘het zich richten op een doel’ In deze context is de Torah de richtlijn die G’d ons aanreikt om op het juiste levenspoor te komen én te blijven om ons levensdoel te doen bereiken. De Torah heeft aldus verschillende aspekten en functies welke al min of meer genoemd zijn onder 1 t/m 5.

De grondbetekenis van het woord Torah gaat veel meer in de richting van ‘leren’ en ‘onderwijs’. Zoals een man zijn zoon instructies meegeeft voor het leven, zo geeft G’d instructies aan het volk Israël. Middels de wet openbaart G’d zich aan zijn volk én aan de mensheid in het algemeen. De wet geeft voorschriften hoe er met elkaar geleefd dient te worden en op welke wijze we G’d moeten benaderen. De twee belangrijkste bepalingen in de wet, die ook het doel van de wet vormen,  worden kernachtig door Mozes weergegeven in de boeken Deuteronomium [16,17,18]: “Zo zult gij de Heere, uw G’d, liefhebben…” en Leviticus [19]: “…maar gij zult uw naaste liefhebben als uzelf…” en herhaald door Jezus in o.a. het Evangelie van Markus: [20] “…gij zult de Heere, uw God, liefhebben…”  en “…Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf…” De wet is G’ds standaard voor rechtvaardigheid en is volmaakt [21]. Middels de wet toont G’d zijn liefde en betrokkenheid op alle aspekten van het leven; een leven dat geleefd dient te worden onder zijn leiding en zorg.

Het begrip ‘genade’

Het begrip ‘genade’ wordt in het Hebreeuws weergegeven door chen  en in het Grieks door charis. Het wordt door Paulus expliciet gebruikt in de brief aan de Efeziërs [22] “…Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u,  het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme…” Hieruit blijkt dat genade een gunst is, een gift van G’d.

Als antwoord op deze genade wordt van de mens gevraagd trouw te zijn en te blijven aan de geboden van G’d. Middels het aanvaarden van Jezus als de ware Messias en als offergave voor de zonde en zonden, ontvangt de mens de volkomen genadegave, het eeuwige leven, voor de toekomende wereld (hebr. olam habah). De rechtvaardiging uit genade betekent niet alleen een begenadiging, maar een door de kracht van G’d herschapen leven.

Deze herschepping is nu nog slechts gedeeltelijk. De volkomen herschepping zal plaatsvinden bij de opstanding. De gedeeltelijke herschepping betreft de juiste oriëntatie en richting tijdens dit leven. De genade is als het ware een kracht, die de natuurlijke mens overwint, en de nieuwe mens ondersteunt in alle omstandigheden van het leven in deze tegenwoordige wereld (Hebr. olam hazeh). Door deze gedeeltelijke herschepping zijn we in staat de wet en de geboden van G’d te volbrengen met de intentie en het doel waarmee ze werden ingesteld, nl:

Deut. 6:5 (SV 1977) Zo zult gij de HEERE, uw G’d,  liefhebben, met uw ganse hart, en met uw ganse ziel, en met al uw vermogen.

Deut. 10:12 (SV 1977) Nu dan, Israël! wat eist de HEERE, uw G’d van u dan de HEERE, uw G’d, te vrezen in al zijn wegen te wandelen, en hem lief te hebben, en de HEERE, uw G’d,  te dienen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel.

Deut. 30:6 (SV 1977) En de HEERE, uw G’d,  zal uw hart besnijden, en het hart van uw zaad, om de HEERE, uw G’d, lief te hebben met uw ganse hart en met uw ganse ziel, opdat gij leeft.

Lev. 19:18 (SV 1977) Gij zult u niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen van uw volk; maar  gij zult uw naaste liefhebben als uzelf; Ik ben de HEERE!

Mk. 12:30-31 (SV 1977) En gij zult de Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod. En het tweede aan dit gelijk, is dit:  Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Er is geen ander gebod, groter dan deze.

Hieruit blijkt dat de wet en de genade samenwerken en elkaar aanvullen. Wanneer een persoon in eerste instantie de genade ontvangen heeft vanuit de christelijke traditie en hierdoor tot een juiste oriëntatie en richting van zijn leven is gekomen, heeft hij de wet nodig om aan deze levensrichting invulling te geven. Wanneer een persoon in eerste instantie de wet ontvangen heeft vanuit de joodse traditie en hierdoor de wet en de geboden volbrengt zal deze de genade nodig hebben om tot een juiste oriëntatie en richting van zijn leven te komen. Hieruit blijkt dat zowel de Jood als de niet-Jood de wet én de genade nodig hebben om tot het levensdoel te komen dat G’d met hen persoonlijk alsook gezamenlijk voorheeft.

Exegese van de Bijbelverzen

In deze paragraaf zullen we trachten de bijbelgedeelten uit de inleiding te verklaren aan de hand van de begrippen die zijn behandeld. We beperken ons tot enkele hoofdpunten.

In het Evangelie van Johannes [23] wordt aangegeven dat de wet is gegeven door Mozes en de genade door Jezus Christus. Dit wordt veelal gelezen als een tegenstelling en ook zo aangezet door sommige vertalingen door het woord “maar” toe te voegen, waardoor wet en genade tegenover elkaar komen te staan. Echter, de evangelist benoemt hier twee belangrijke historische feiten, niets meer en niets minder, nl: Dat de wet via Mozes bekend en concreet werd gemaakt én de genade middels Jezus Christus. Dit laatste wil zeggen dat door de offergave van Jezus de genade realiteit is geworden aangezien de Oud Testamentische belofte nu is ingewilligd.

In de brief aan de Romeinen [24] geeft Paulus aan dat wanneer een persoon de genade ontvangen heeft deze niet meer onder de wet is. Dit wil zeggen dat wanneer een persoon tot geloof gekomen is en de juiste oriëntatie en richting in zijn leven heeft gekregen deze niet meer valt onder het oordeel van de wet. Hieraan zit wel een voorwaarde, nl: dat er aan de nieuwe levensrichting invulling wordt gegeven. Zoals uit het voorgaande al is gebleken geeft de wet deze invulling in zowel woord als daad.

In de brief aan de Galaten [25,26] stelt Paulus aan de orde dat een persoon niet gerechtvaardigd kan worden worden op basis van het betrachten van de wet. Paulus, die evenals Jezus de wet nauwgezet praktiseerde, verzet zich hier niet tegen de wet als zodanig. Het kardinale punt dat Paulus probeert duidelijk te maken is dat het rechtvaardig worden voor G’d niet een kwestie is van eigen inzet en inspanning of door het zich juridisch invoegen in het volk Israël. Was dit wel het geval geweest dan was Jezus tevergeefs gestorven en was de genade overbodig geworden. De genade is een gunst, een vrije gift van G’d, en wordt geschonken wanneer we tot geloof komen. Hierdoor worden we herschapen en krijgen we een leven met een nieuwe oriëntatie. Deze nieuwe levensrichting dient ingevuld te worden middels het onderhouden van de wet en de geboden in woord en daad. Kortom, wet én genade zijn beide noodzakelijk om tot ons levensdoel te komen.

Samenvatting en Conclusies

Bij het openen van de Bijbel worden we regelmatig verrast door tegenstellingen, tegenstrijdigheden en andere eigenaardigheden waar we vaak geen raad mee weten. We weten of voelen aan dat er iets niet klopt. Deze tegenstrijdigheden blijken bij nader inzien vaak paradoxen te zijn, zo ook hier!

Enerzijds werden we geconfronteerd met de traditionele uitleg betreffende de begrippen ‘wet’ en ‘genade’ als zijnde tegenstellingen die elkaar uitsluiten: Waar de wet heerst is geen genade en waar genade heerst is de wet overbodig geworden. Anderzijds bleek uit citaten uit zowel het OT als NT dat een scheiding, zoals de traditionele leer ons voorspiegelt, niet houdbaar is.

Daaraan kunnen we nog toevoegen dat de Apostel Johannes duidelijk heeft laten zien dat het gehoorzamen aan de wet tegenover het overtreden van de wet, dus wetteloosheid, staat. Paulus’ redenering laat zien dat de werken tegenover de genade staan. Hieruit blijkt dat de traditionele opvatting, die de wet tegenover de genade stelt, niet juist is, of in ieder geval correctie behoeft.

Uit het voorgaande is gebleken dat de wet en de genade elkaar nodig hebben, dus complementair zijn. Immers om tot een tot een juiste oriëntatie en richting van ons leven te komen hebben we de genade nodig. Naast de genade is de wet onontbeerlijk om aan deze nieuwe levensrichting invulling te geven. Slechts dan kunnen we ons levensdoel bereiken dat G’d met een ieder van ons persoonlijk alsook gezamenlijk voorheeft. Dit levensdoel wordt diverse keren in het Oude Testament aangegeven en herhaald door de Heer Jezus:

Mk. 12:30-31 (SV 1977) En gij zult de Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod. En het tweede aan dit gelijk, is dit:  Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Er is geen ander gebod, groter dan deze.

_____________________________________________________________________

 

Bijbel Index:

 

[1]     Matt. 5:17

[2]     Hand. 3:1]

[3]     Hand. 24:11,17

[4]     Gal. 3:19-26

[5]     Rom. 6:15

[6]     Rom. 7:12-14

[7]     Psalm 19:8-9

[8]     Lev. 5:1,5

[9]      Deut. 4:6-8

[10]    Richt. 20:16

[11]    1 Joh. 3:4

[12]    Rom. 3:23

[13]    1 Kor. 3:13-15

[14]    Gal. 5:1-5

[15]    Ef. 2:8-9

[16]    Deut. 6:5

[17]    Deut. 10:12

[18]    Deut. 30:6

[19]    Lev. 19:18

[20]    Mk. 12:30-31

[21]    Ps. 19:8-9

[22]    Ef. 2:8-9

[23]    Joh. 1:17

[24]    Rom.6:14

[25]    Gal. 2:21

[26]    Gal. 5:4

 

Advertisements

Bijbelse Paradoxen (Deel I): De Levitische Offers versus het Offer van Jesjoea

                                                  

[Dit is het eerste uit een serie artikelen waarin een aantal schijnbare tegenspraken ofwel paradoxen in de Bijbel worden behandeld.]

Van Eyck — De Aanbidding van het Lam G'ds

Van Eyck — De Aanbidding van het Lam G’ds

Inleiding en Paradox

Op basis van de onderstaande tekst uit de brief aan de Hebreeën wordt veelal aangenomen dat de dood en opstanding van de Messias het einde betekende van de tempeldienst en de levitische offers.

Heb. 9:11-14 (SV, 1977)
11Maar Christus, de hogepriester der toekomende goederen, gekomen zijnde, is door de meerdere en volmaaktere tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel, 12 Noch door het bloed der bokken en kalveren,  maar door zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende. 13 Want indien het bloed der stieren en bokken, en de as der jonge koe, besprengende de onreinen, hen heiligt tot de reinheid des vleses; 14 Hoeveel te meer zal  het bloed van Christus,  Die door de eeuwige Geest zichzelf G’de onbestraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken,  om de levende G’d te dienen?

Deze interpretatie brengt een drietal serieuze bezwaren met zich mee:

1)    In de Evangeliën geeft Jesjoea duidelijk aan dat hij niet gekomen is om de Wet  buiten werking te stellen. [1] De levitische offers zijn onlosmakelijk verbonden met de Wet.

2)    De volgelingen van Jesjoea nemen deel aan de tempeldienst, zelfs na dertig jaar ná de dood en opstanding van de Messias. [2,3]

3)    In de profetieën wordt aangegeven dat de Tempel, de offers, en het priesterschap van Aäron hersteld zullen worden. [4,5,6,7]

In het algemeen wordt binnen het Christendom de rol van het oud testamentische zondoffer geïnterpreteerd als een middel waardoor een persoon vergeving van zonden ontvangt, waarbij de schuld en de straf worden overgedragen op het offerdier. Echter, nadat de Messias zijn offer heeft gebracht zou dit overbodig geworden zijn. Hieruit volgt de merkwaardige conclusie dat Jesjoea zich opofferde om offerdieren te sparen.

De schrijver van de Hebreeënbrief vermeld ons ook nog het volgende: “…Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneemt…” [8]. Hierbij komt de vraag op waarom er überhaupt dieren werden geofferd.

Om uit deze patstelling te komen is het in eerste instantie noodzakelijk enkele bijbelse begrippen toe te lichten die het uitgangspunt vormen van de Hebreeënbrief en waarvan de schrijver veronderstelt dat deze bekend zijn bij de lezer. Vervolgens kunnen we de tekst opnieuw gaan bestuderen en interpreteren.

Olam Hazeh en Olam Habah

In de eschatologie van de Bijbel, dus ook in de brief aan de Hebreeën, wordt de werkelijkheid verdeeld in wat men zou kunnen noemen twee sferen, nl.: de Tegenwoordige Wereld (hebr. Olam Hazeh)  en de Toekomende Wereld (hebr. Olam Habah).

Met de tegenwoordige wereld of Olam Hazeh wordt bedoeld deze tijdelijke werkelijkheid zoals die in den beginne door God geschapen is en nog steeds voortbestaat. Met andere woorden, de wereld zoals we die kennen en ervaren. Maar óók de werkelijkheid vanuit historisch perspectief bezien. Dat wil zeggen vanaf het allereerste begin tot het einde van de wereldgeschiedenis. Volgens de Apostelen behoort ook het Messiaanse Rijk nog tot de tegenwoordige wereld. De wederkomst van Jesjoea is namelijk zijn terugkeer vanuit de hemel om zijn Koninkrijk op te richten. Jesjoea’s Rijk is weliswaar niet van deze wereld, d.w.z. ontleent zijn principes niet aan deze wereld, maar komt wel in deze wereld.

Met de Toekomende Wereld (hebr. Olam Habah) wordt bedoeld de nieuwe werkelijkheid zoals beschreven is in het boek de Openbaring van Johannes. Op het eind van het Messiaanse Rijk zal er een Nieuwe Hemel en een Nieuwe Aarde worden gevormd waarbij het Nieuwe Jeruzalem uit de hemel komt neerdalen [9]. In de brief aan de Hebreeën gaat de schrijver er vanuit dat deze twee begrippen bekend zijn.

Exegese van Hebreeën 9:11-14

De schrijver van de Hebreeënbrief gebruikt in dit gedeelte een joodse uitlegregel, genaamd: kal vachomer in het Latijn aangeduid met: argumentum a minore ad maius, ‘een redenering van klein naar groot’ waarmee wordt bedoeld: Wat van toepassing is in een minder belangrijke situatie is zeker van toepassing in een meer belangrijke situatie. De schrijver bedoelt dus te zeggen: Indien het bloed van de offers het vlees (het vergankelijke bestaan) heiligt en reinigt m.b.t. de Tegenwoordige Wereld; hoe veel te meer zal het bloed van de Messias de geest (het onvergankelijke bestaan) heiligen en reinigen m.b.t. tot de Toekomende Wereld.

Met andere woorden, de schrijver veronderstelt dat de levitische offers een rol en functie hebben in deze wereld, maar dat deze wel beperkt is. Zoals het priesterschap van Aäron, de offers, en de hiermee gepaard gaande rituelen van toepassing zijn op de Tegenwoordige Wereld, zo zijn het offer van de Messias en diens priesterschap volgens de orde van Melchizedek van toepassing op het hemelse en het eeuwige van de Toekomende Wereld. De dood van Jesjoea, de Messias, betekende niet dat de offers in de Tempel werden afgeschaft; Zijn dood vertegenwoordigt een offer van een andere orde  en heeft daardoor ook een andere functie.

Dit roept de vraag op: Wat zijn deze functies? Om deze vraag te kunnen beantwoorden moeten we allereerst meer informatie hebben over de Tabernakel, wat later onder koning Salomo de Tempel werd. Bij de voorschriften voor de bouw van de Tabernakel wordt gezegd dat G’d in het midden van de Israelieten zal komen wonen [10]. De Tabernakel of Tempel is dus de g’ddelijke residentie.

Aangezien de aardse Tempel een afspiegeling is van de hemelse Tempel, zo is de g’ddelijke aanwezigheid in de aardse tempel een afspiegeling van de g’ddelijke aanwezigheid in de hemelse tempel. Deze g’ddelijke aanwezigheid in de aardse Tempel is van een lagere orde dan in de hemelse Tempel.

De Tempel is dus de g’ddelijke verblijfplaats. Het mag duidelijk zijn dat we deze plaats niet zondermeer kunnen naderen. Het spanningsveld dat hier speelt is wellicht het best te omschrijven als een dichotomie: een tweedeling of exacte scheiding tussen twee niet overlappende gebieden. Deze twee gebieden zijn het sacrale (het heilige, het afgezonderde dat bij G’d hoort) en het profane (het niet-heilige of gewone). Om deze afstand te overbruggen is een handeling noodzakelijk die het mogelijk maakt G’d te naderen. Deze handeling bestaat uit het offeren. Het Hebreeuwse woord voor offer is korban, en betekent: ‘nabij brengen’. Het is afkomstig van het werkwoord karav en duidt op het doel om de mens terug te brengen bij G’d.

In het boek Leviticus worden verschillende typen van offeranden beschreven. De offers kunnen we indelen in: brandoffers, spijsoffers, dankoffers, zondoffers, en schuldoffers. Aangezien in de aangehaalde tekst uit de Hebreeënbrief de nadruk ligt op het zondeprobleem in relatie tot zowel de levitische offers als het offer van Jesjoea, zullen we ons richten op het zondoffer.

Het Zondoffer volgens de Wet

Het zondoffer (hebr. korban chatat) staat beschreven in het boek Leviticus [11] en kent verschillende rituelen en vormen. Wanneer een Israëliet zondigde werd een offer verlangd. Indien nodig en mogelijk werd er een jonge stier of een geit geofferd. In dat geval werd tijdens de  handoplegging (hebr. semichah) de zonde beleden. De zondige identititeit, waarover straks meer, werd overgedragen op het dier. Indien het dier herkend werd als valide werd het geslacht door de offeraar. Het bloed werd door de priester op de hoornen van het altaar aangebracht en vervolgens uitgegoten op de bodem van het altaar.[12] Het zondoffer werd niet alleen gebracht naar aanleiding van zonde, maar ook bij sommige gevallen van rituele onreinheid.[13]

Hoe kan een offer de mens terugbrengen bij G’d of nader tot G’d brengen ? Dit nabijbrengen geschied in dit geval middels het ritueel slachten, doden, van een dier.[14]

Bij het gewone slachten, buiten de Tempel, wordt het dier aan de mens ter beschikking gesteld om te dienen als voedsel. Bij het slachten in de Tempel wordt het dier aan G’d teruggegeven. Aangezien het dier dat geofferd wordt het eigendom is van de offeraar, dus in zekere mate één met hem is, wordt in het offer uitgedrukt dat de mens zijn verantwoordelijkheid neemt en zich (opnieuw) aan G’d toewijdt. Dit wordt beklemtoond door het ritueel van de handoplegging vergezeld van de belijdenis van de zonde. Deze handoplegging drukt aldus ook een overdracht uit. De zonde of schuld wordt op het dier overgedragen en dit dier sterft vervolgens in het offer in plaats van de mens.

Hoe moeten we deze overdracht en deze plaatsvervanging begrijpen? Kan zonde of schuld wel op een ander wezen worden overgedragen? De Bijbel beklemtoont immers dat ieder verantwoorderlijk is voor zijn eigen zonde en de Wet staat niet toe dat een rechtbank iemand anders straft in de plaats van degene die de overtreding begaan heeft.

De overdracht van de zonde op het offerdier staat in nauw verband met het gegeven dat dit offerdier het eigendom is van de offeraar en dus met hem geïdentificeerd wordt. Men kan het als volgt bezien. In het ritueel van de handoplegging maakt degene die het zondoffer brengt zich uitdrukkelijk los van zijn zonde en brengt hij deze zonde onder het oordeel van G’d. Dit oordeel van G’d wordt vervolgens voltrokken aan het offerdier, dat met de zonde beladen is. Maar dit offerdier is anderzijds deel van de offeraar zelf. Het is immers zijn eigendom en wordt om die reden met hem geïdentificeerd. In het offerdier brengt de offeraar dus eigenlijk zichzelf ten offer. Echter niet letterlijk, anders zou de zaak daarmee besloten zijn. Indien de zondaar zichzelf letterlijk aanbiedt om de doodstraf te ondergaan, dan is het verhaal afgelopen zodra die straf is voltrokken. Er is dan geen toekomst voor de zondaar. De enige wijze waarop een zinvol offer mogelijk is, is dat de zondaar vereenzelvigd wordt met iets dat bij hem hoort, dan ‘deel’ van hemzelf is. Dit iets of dit deel van hem gaat nu de dood in. Dit is het offerdier. Door symbolisch, door handoplegging, de zonden op het offerdier te leggen, belijdt de zondaar dat hij de dood waardig is. Bij de voltrekking van de doodstraf wordt de zondaar nu vertegenwoordigd door het offerdier. In plaats dat hijzelf sterft gaat dit eigendom van hem, iets dat hem nabij is, de dood in. De zondaar lijdt dus wel schade doordat iets dat hem toebehoort sterft, maar tegelijkertijd hij redt het vege lijf en komt om zo te zeggen met de schrik vrij.

De vertegenwoordiging van de zondaar in het offerdier is slechts een gedeeltelijke en daarom ook een problematische. Het is duidelijk dat het offerdier de mens niet echt kan vervangen of diens tekort aanvullen. De mens kan zich niet van de verantwoordelijkheid jegens G’d afmaken door hem een substituut aan te bieden. Die opgave berust bij hemzelf en blijft bij hemzelf.

In het offer komt er echter zogezegd een voorlopige en beperkte juridische schikking tot stand. Door het brengen van het offer erkent de mens zijn zonde en erkent hij dus de g’ddelijke maatstaf over het menselijk leven. De schuldbelijdenis, die met het offeren plaatsvindt, houdt tegelijkertijd het voornemen in om in de toekomst niet meer te zondigen. Daartegenover staat dat G’d de symbolische toewijding van de mens in het offer erkent. G’d neemt het offer als voorlopige en beperkte voorziening en schikking van de schuld aan en biedt in ruil daarvoor de mens vergeving van de zonde aan. De vergeving houdt in dat de mens niet de strafdood voor de zonde behoeft te ondergaan. Hij krijgt een nieuwe kans tot leven en krijgt zo de gelegenheid om althans de rest van zijn leven aan G’d toe te wijden.

Het voorlopige en beperkte karakter van de voorziening tot schikking van de schuld die het offer is, heeft tot gevolg dat ook de daardoor ontvangen vergeving een beperkt en voorlopig karakter heeft. Het zondoffer is slechts een voorziening voor een beperkt aantal overtredingen in een beperkt aantal categorieën van zonde. Er zijn zonden waarvoor geen zondoffer gebracht kan worden, zoals moord, overspel en gijzeling. Indien de genade onbeperkt was zou immers het gehele bestel van de Wet en van G’ds bestuur over Zijn volk ontwricht worden. De theocratie zou tot een aanfluiting worden.

De voorziening van het zondoffer is ook voorlopig. De onmiddellijke strafdood, die op de zonde zou moeten volgen, wordt weliswaar ontgaan, maar uiteindelijk moet de zondige mens toch sterven. De dood is onvermijdelijk omdat de menselijke natuur bedorven is geraakt door de gevolgen van de zonde van Adam. Daardoor is de mens de levende en ononderbroken gemeenschap met G’d kwijtgeraakt en is hij geneigd zich van G’d af te wenden. De vergeving die tot stand komt door het dieroffer is dus slechts een vergeving die van toepassing is binnen de orde van het tijdelijke leven in deze tegenwoordige wereld. Het gaat in het zondoffer niet om een definitieve en alomvattende vergeving en een daarmee samenhangende definitieve en alomvattende verzoening. Ingeval de Wet opnieuw werd overtreden was het dus noodzaak het gehele offerritueel te herhalen.

Een definitieve en alomvattende vergeving en verzoening zouden slechts tot stand kunnen komen indien er een offer zou zijn op grond waarvan de menselijke natuur weer geheel en al hersteld zou kunnen worden. Dit kan niet door een dieroffer bewerkt worden. Zoals gezegd kan de toewijding van een dier het tekort aan toewijding van de mens niet echt vervangen of aanvullen. Deze aanvulling of vervanging is slechts symbolisch. Een volledig herstel van de menselijke natuur is daarom alleen mogelijk zijn indien er een mens gevonden kan worden die niet met zonde of de gevolgen daarvan besmet is en die zich dus volledig en onbeperkt aan G’d kan toewijden en zo zelf een offer kan zijn ten behoeve van anderen. Die mens zou de anderen volledig kunnen vertegenwoordigen. Daarbij moet dan nog wel verondersteld worden dat die anderen op zekere wijze in hem geïncludeerd zijn en hun leven van hem ontvangen, op een analoge wijze zoals nu de overige mensen in Adam zijn geïncludeerd en hun leven ontvangen door uit hem voort te komen via het voorplantingsproces. Adam is immers de verwekker van alle overige mensen.

Het Zondoffer van Jesjoea

Het offer dat een volledig herstel van de menselijke natuur mogelijk maakt is het kruisoffer van Jesjoea. De mogelijkheid van dit offer berust op de volstrekte zondeloosheid van Jesjoea. Die zondeloosheid berust op haar beurt op het feit dat Jesjoea nooit persoonlijk gezondigd heeft, en dus niet besmet is met enige daadwerkelijke zonde en daarop gebaseerde schuld, en daarnaast op het feit dat Jesjoea’s menselijke natuur niet bedorven is geraakt door de gevolgen van Adam’s zonde. Jesjoea is dus vrij van wat wel ‘erfzonde’ genoemd wordt, dat is een bedorven menselijke natuur die boze neigingen kent en als gevolg daarvan onderworpen is aan de macht van de dood.

Het volledig afwezig zijn van de zonde en van de zondige neiging in Jesjoea betekent dat zijn dood volledig onverdiend was. Het was niet alleen dat Jesjoea nooit iets strafwaardigs gedaan had en dus zeker niet de gewelddadige kruisdood verdiend had. Iedere dood, waaronder de zgn. ‘natuurlijke’ dood, zou onverdiend geweest zijn. Jesjoea verdiende eenvoudigweg niet te sterven. G’ds belofte aan de mens was immers vanaf de schepping dat de mens voor eeuwig zou leven indien hij gehoorzaam was aan G’d. Deze belofte wordt herhaald in de Wet: Wie deze dingen doet zal erdoor leven. Door Jesjoea’s leven werd deze gehoorzaamheid aan G’d volstrekt bewaarheid. Dus kon G’d hem niet in de dood laten. G’d was het aan zijn beloften verplicht om Jesjoea op te wekken uit de dood en hem eeuwig leven te schenken. Jesjoea slaagde voor de test waarvoor Adam was gezakt.

Hoe Jesjoea’s dood een offerdood kan zijn ten behoeve van de overige mensen en hoe deze met G’d verzoend kunnen worden door de dood van Jesjoea is vervolgens de vraag. Dit veronderstelt immers de hierboven genoemde inclusie. Er moet iets zijn waardoor de anderen in Jesjoea geïncludeerd zijn en hun leven van hem ontvangen.

Dit iets is het geloof. Zij die in Jesjoea geloven, dat wil zeggen zij die hem erkennen als de beloofde Messias van Israel en als hun persoonlijke Heer en Verlosser, kiezen partij voor hem, en tegen de boze machten van deze wereld die hem ter dood hebben gebracht. Zij belijden daarmee dat Jesjoea’s leven de voorbeeldige maatstaf is voor het menselijk leven. Op grond van dit geloof is G’d bereid Jesjoea als hun representant voor Zijn aangezicht te beschouwen. Hij beziet hen als geestelijkerwijs geïncludeerd in Jesjoea.

Wanneer deze gelovigen belijden dat Jesjoea de exclusieve maatstaf is van het menselijk leven, belijden zij ook dat zijzelf zondige wezens zijn die aan deze maatstaf niet toekomen en daarom niet het leven maar de dood verdiend hebben. G’d beschouwt hen daarom als geestelijk wedergeboren in Jesjoea. Zij zijn in principe afgestorven aan hun oude bestaan. Om die reden geeft G’d hen deel aan Jesjoea’s verrijzenisleven. Jesjoea kan nu worden bezien als gestorven in hun plaats, als hun vertegenwoordiger, en daarom als de voorziening van een definitief zondoffer. Door hun inclusie in Jesjoea wordt de kern van hun bestaan, het menselijk hart, vernieuwd. Hun oude bestaan wordt in hun vertegenwoordiger, Jesjoea, in de dood gevoerd. En vervolgens wordt hun een nieuw bestaan gegeven dat geworteld is in Jesjoea’s verrijzenis. Zij zijn definitief verzoend met G’d omdat het zondeprobleem tot in de kern is aangepakt. Het hele menselijk bestaan is in de dood gevoerd en wordt van daaruit hernieuwd. Het oude bestaan wordt niet voortgezet onder een voorlopige voorziening van verzoening. Het wordt geheel en al getransformeerd of omgezet tot een nieuw bestaan.

Het dierlijke zondoffer kon alleen een beperkte en voorlopige voorziening tot verzoening bieden, die telkens wanneer nodig herhaald diende te worden. Het dieroffer gaf geen mogelijkheid tot een volkomen vernieuwing van het menselijk leven aangezien het dier dat geofferd werd niet kon worden vernieuwd tot een verrijzenisleven. Dieren zijn principieel tijdelijk en niet voor een eeuwigheidsleven bestemd. Het offerdier kan de mens ook maar op beperkte wijze vertegenwoordigen. Het kan weliswaar beschouwd worden als onschuldig, maar, gelijk vanzelf spreekt, niet als de voorbeeldige maatstaf van het menselijk leven welke leidt tot erkenning ervan en dus tot een geestelijke ommekeer. Het menselijk bestaan kan dus ook niet geïncludeerd worden in het bestaan van een dier en van daaruit hernieuwd worden.

De vereenzelviging (identificatie) van mens en dier in het dieroffer geschiedt in de rite die door de Wet wordt ingesteld, de vereenzelviging van de mens met Jesjoea als zondoffer geschiedt door de ommekeer van het hart die door de Heilige Geest wordt bewerkt. Het effect van de verzoening en vergeving die in het dierlijk zondoffer worden bewerkt is de mogelijkheid tot voortzetting van het tijdelijke leven in deze wereld. Het effect van de verzoening en vergeving die door het offer van Jesjoea worden bewerkt is de vernieuwing van de menselijke natuur en het deelkrijgen aan het eeuwig leven van de wereld die komt.

Betekent dit dat zij die voorafgaande aan Jesjoea’s komst onder de wettelijke offerdienst van Israel leefden geen deel konden hebben aan het het offer van Jesjoea? Volstrekt niet. Degenen die in de tijd voorafgaande aan Jesjoea de wettelijke zondoffers brachten en daarbij niet alleen maar de rite in acht namen maar ook het geloof en de juiste intentie van het hart hadden, kregen op grond van die intentie deel aan het offer van Jesjoea. Reeds voorafgaand aan dit offer werden zij op grond van de voorgekende verdiensten van Jesjoea in hem geïncludeerd.

Betekent dit dat na Jesjoea’s offer dieroffers niet meer nodig zijn en dat deze offers in de toekomst van het Messiaanse Rijk niet meer gebracht zullen worden? Volstrekt niet. Het offer van Jesjoea vervangt niet zomaar de dieroffers van de Wet. Dit zou alleen zo zijn indien onze verrijzenis in de tijd samenviel met Jesjoea’s verrijzenis. Dan zou de Toekomende Wereld voor ons aangebroken zijn en waren dieroffers onnodig en ook onmogelijk geworden. In de tegenwoordige tijd hebben wij ons aandeel in de Toekomende Wereld echter nog slechts in en door het geloof. Dit geloof en de ermee gepaard gaande genadegaven stellen ons in staat naar G’ds wil te leven binnen het bestel van deze wereld en binnen de beperkingen van de gevallen menselijke natuur. De vernieuwing van ons bestaan heeft nu nog de vorm van een nieuwe orientatie van ons leven in de omstandigheden van de oude schepping. Die nieuwe orientatie is weliswaar gericht op de nieuwe schepping van de Toekomende Wereld en is zelf een geestelijke herschepping van de kern van ons bestaan. Zij is echter nog niet de concrete en lichamelijke realisering van die vernieuwing.

In het Messiaanse Rijk zullen er nog steeds mensen zijn die in sterfelijke lichamen zullen leven. De tegenwoordige gelovigen zullen verheerlijkt worden bij de Wederkomst en dan het verrijzenisleven ontvangen. Het volk Israel zal echter pas collectief tot Jesjoea bekeerd worden bij de Wederkomst. De dan levende Israelieten en het overblijfsel van de volken na de Grote Verdrukking zullen in sterfelijke lichamen het Messiaanse Rijk binnen gaan. In dat Rijk zal opnieuw een g’ddelijke verblijfplaats zijn van waaruit de regering zal uitgaan. Dit zal een Tempel zijn zoals beschreven in het boek Ezechiel. Er zal dan een g’dsregering zijn over de gehele wereld, uitgaande van Jerusalem.

In die omstandigheden zullen opnieuw dieroffers gebracht worden, ook zondoffers. Net zoals onder de theocratie en het koningschap ten tijde van de Tabernakel en de Tempel zal de genade en de mogelijkheid van het zondoffer beperkt zijn tot bepaalde categorieën van zonde. De te brengen zondoffers zullen ook van toepassing zijn op hen die tijdens het Messiaanse Rijk tot waarachtig geloof gekomen zijn, en die dus hun definitieve vergeving hebben in het offer van Jesjoea. Want wanneer er een theocratie, een g’dsregering is worden de aardse gevolgen die de Wet aan de zonde verbindt niet weggenomen door de definitieve verzoening en vergeving welke bewerkt worden door het offer van Yeshua. In het uiterste geval zal dus iemand die een ernstige zonde begaat gedood moeten worden, ook al is hij een gelovige, omdat er voor die zonde geen zondoffer voorzien is. Indien zo iemand bijvoorbeeld de zonde van hoererij bedrijft, en daarna oprecht berouw heeft en zich bekeert, zal hij toch ter dood veroordeeld moeten worden, op gelijke wijze als ten tijde van Mozes. Hij ontvangt dan in Jesjoea’s zoenoffer wel vergeving voor de Toekomende Wereld, maar in deze wereld wordt hij veroordeeld tot de dood.

De dieroffers worden dus wel uiteindelijk door Jesjoea’s offer overbodig gemaakt, doch dit geschiedt pas bij het aanbreken van de nieuwe schepping, de Toekomende Wereld, wanneer alle uitverkorenen het verrijzenisleven zullen hebben en zonde en onreinheid volkomen uitgebannen zullen zijn.

Het offer van Jesjoea is met oprechte intentie gebracht en door G’d aanvaard, immers Jesjoea is opgestaan uit de dood. Zijn opstanding is het bewijs van de aanvaarding van zijn offer. Het spanningsveld tussen het sacrale en profane voor wat betreft de menselijke zondige aard is nu in principe opgeheven. De verstoorde relatie is weer hersteld en vernieuwd.

Het is dus onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken zonden kan wegnemen en een persoon rein kan maken voor deelname aan de Toekomende Wereld. Dit is dan ook niet het doel van het offerritueel. De offers van de tempel zijn relevant voor de reiniging en heiliging  van de natuurlijke mens om G’d te gehoorzamen en te aanbidden in de Tegenwoordige Wereld. Alleen het offer van Jesjoea kan een persoon van zonde reinigen en is noodzakelijk om toegang te krijgen tot de Toekomende Wereld.

Heb. 9:15 (SV, 1977)
15 En daarom is hij de middelaar van het nieuwe testament,  opdat, de dood daartussen gekomen zijnde, tot verzoening der overtredingen, die onder het eerste testament waren, degenen, die geroepen zijn, de beloftenis der eeuwige erve ontvangen zouden.

Jesjoea, de Messias, is de hogepriester en middelaar van het Nieuwe Verbond [15]. Hij offerde zijn leven om diegenen te verlossen die gezondigd hadden onder het Oude Verbond. Door middel van zijn priesterschap is hij is in staat om de mensen een eeuwige erfenis te schenken in de Toekomende Wereld. Voor de levitische offers was deze eeuwige erfenis van de Toekomende Wereld niet bereikbaar. Echter, beide verbonden zijn belangrijk en werken samen. Het Oude Verbond maakt deel uit van het leven in de huidige wereld en is een voorafschaduwing van de dingen die komen gaan. Het Nieuwe Verbond, is een vernieuwing van het Oude Verbond  en komt tot vervolmaking in de Toekomende Wereld.

Met deze achtergrond kunnen we nu ook begrijpen dat de eerste apostolische gemeenschappen verbonden bleven met de Tempel. Ze begrepen dat het offer van de Messias betrekking heeft op en pas volledig geëffectueerd wordt in de Toekomende Wereld, niet in de Tegenwoordige Wereld.

Het Messiaanse Rijk met de herstelde offerdienst moet dus wel deel uitmaken van deze wereld (de Olam Hazeh), en niet van de wereld die komt (de Olam Habah). Na het Messiaanse Rijk zullen een Nieuwe Hemel en een Nieuwe Aarde de huidige vervangen. Het Nieuwe Jeruzalem zal dan neerdalen, en daarin zal geen Tempel of offergave meer zijn.

Samenvatting en Conclusies

Bij het openen van de Bijbel worden we regelmatig verrast door tegenstellingen, tegenstrijdigheden en andere eigenaardigheden waar we geen raad mee weten. We weten of voelen aan dat er iets niet klopt. Deze tegenstrijdigheden blijken bij nader inzien vaak paradoxen te zijn, die ontstaan doordat realiteiten die in onderscheiden orden of sferen thuishoren met elkaar worden vermengd en op eenzelfde niveau worden gesteld.

Enerzijds werden we geconfronteerd met de traditionele uitleg van de offergaven als zijnde overbodig geworden door het offer van Jesjoea, met als gevolg dat Jesjoea zich opofferde om offerdieren te sparen. Anderzijds met het gegeven dat het bloed van bokken en stieren de zonden niet weg kan nemen, met als gevolg dat het gehele offerritueel zinloos lijkt te worden.

Uit het voorgaande weten we dat de levitische offers betrekking hebben op de Tegenwoordige Wereld (hebr. Olam Hazeh) en dat het offer van Jesjoea betrekking heeft op de Toekomende Wereld (hebr. Olam Habah).

Vanuit het fundamentele onderscheid tussen de Olam Hazeh en de Olam Habah is het mogelijk de schijnbaar tegenstrijdige teksten te begrijpen. Het offer van Jesjoea was niet bedoeld om de levitische offers te vervangen, tenminste niet zolang deze wereld nog zou voortbestaan. Immers het offer van Jesjoea is van een andere orde en betreft een dieper niveau, dat van het hart. Hierdoor is zijn offer in staat het menselijk hart en zo de hele mens te vernieuwen. Jesjoea is de middelaar die vermag om de mens een eeuwige erfenis te schenken in de Toekomende Wereld.


Index:

[1]     Matt. 5:17

[2]     Hand. 3:1

[3]     Hand. 24:11,17

[4]     Jes. 25:6-8; 65:25

[5]     Zach. 8:3

[6]     Ezech. 37:26-27

[7]     Jer. 33:15-18

[8]     Heb. 10:4

[9]     Opb. 21:1-2

[10]    Ex. 25:8

[11]    Lev. 4:1-5:13; 6:24-7:7

[12]    Lev. 4:30

[13]    Lev. 12:6; 14:9; Num 6:11, 14

[14]    Lev. 1:5

[15]    Jer. 31:33; Heb. 9:11-15

On the Separation of Meat & Milk: Why the Traditional Halachah Should be Followed

 

Meat, Dairy, and Pareve LabelsRecently, Tim Hegg (TorahResource ministry) has written a paper on the issue of the separation of meat and dairy. [1] He concludes that this part of traditional kashrut is not biblical and can be ignored by Messianics. We at Messianic613 don’t agree with Hegg and are actually of the opinion that his approach to halachah on this point shows some serious defects, and that his exegetical method leads to irresponsible and anti-traditional reductions and simplifications in kashrut observance, to endless community disputes, and even to a dissolution of the traditional halachic framework as a whole. However much as we appreciate Hegg as a reliable biblical scholar on many Torah-related questions — in particular the question of Gentile observance — we are unable to go along when he takes issue with the traditional kashrut laws of Judaism.

We intend to go into the details of Hegg’s exegesis in a separate article. Here we’ll limit ourselves to a critical review of the basic ideas of his paper.

The fundamental problem with Hegg’s paper is that it takes the Protestant Scriptura Sola axiom — plus its accompanying maxim that historical-grammatical interpretation is the all and everything — as the guideline for establishing halachah. But historical Judaism never was committed to this principle or to this exegetical maxim.

Messianics perhaps will be surprised to hear that the kashrut laws cannot be established by means of only the Written Torah. Take for example the question which species of fowl are kosher. The Pentateuch only presents us two lists of fowl families that may not be eaten (in Lev. XI, and Deut. XIV). These lists have never functioned in Jewish tradition as an exhaustive categorization of treif fowl. They are considered to be a summary of the most important prohibited fowl families, which presents us the criteria for determining which fowl is kosher and which is not. The Sages have never concluded that we can eat all fowl species that aren’t explicitly mentioned in these lists. Instead, rabbinic exegesis extracts four indicators from them, which are used as traditional criteria for determining kosher fowl species. [2] To avoid all risk of error the Rabbis have since long refused to add any later discovered species to the list of permitted fowl. Only species uncontested by tradition are permitted. They are the following: All members of the chicken family, domesticated ducks, domesticated geese, pigeons, and domesticated turkeys.

There is no dispute in the messianic world about this, and everyone seems to accept the rabbinic tradition on kosher fowl. At least until now we don’t hear of Messianics that want to expand the list of kosher fowl to everything that isn’t included in the families explicitly prohibited by the biblical texts. However, Messianics generally are so ignorant in halachic issues that the majority of them may never have heard of the fact that the criteria for kosher fowl are to a high degree dependent on rabbinic tradition.

Another important principle of kashrut is that milk and eggs are only permissible if they are produced by kosher cattle and fowl. This is not a biblical commandment but part of the Oral Torah. [3] This principle is also accepted by Messianics, at least in in practice. Or, if it is not, new discussions will inevitably come up, e.g. about the permissibility of camel’s milk and ostrich’s eggs.

The traditional separation of meat and milk has to do with typical features of halachic exegesis, which differs from historico-grammatical exegesis. In halachic exegesis the main purpose is not to find out the literal and/or historical meaning of the text, but to rely on an interpretation which minimizes the danger of transgressing the Torah. From a traditional viewpoint historico-grammatical exegesis is always feeble and unreliable, since historical knowledge can change. One would take great risks if one tried to establish the halachah solely on the basis of the discipline of historical-grammatical scholarship. Now since the Torah text says “thou shalt not seethe a kid in its mother’s milk” and it is difficult to establish what exactlty is meant by this injunction, halachic exegesis opts for the interpretation that all mixtures of meat and milk are prohibited. By doing so we are quite sure that, whatever is the true and divinely intended meaning of this commandment, we won’t transgress it. And that’s the essential thing.

It may be clear from the above that the concept of “biblically kosher” is erroneous and unsustainable. It only leads to endless discussions and congregational quarrels, resulting in the situation of each individual making his own halachah. Such a disaster should be avoided at all costs. The rules of kashrut are a community matter which concerns the whole Jewish nation and the whole Assembly of Messiah. No-one can make decisions here on his own, for this would lead to a complete chaos. And no local congregational leadership or ministry has any say in this matter.

Messianics do better not to try to outsmart the Rabbis in these highly technical domains such as kashrut, the rules of Shabbat, the construction of a mikvah and so on. The classical solutions are often the simplest and the best.

Perhaps it may be added to this that observing the separation of milk and meat is not a burden at all. The point is simply to take the trouble of installing and kashering one’s kitchen once and for all and separate all items correctly. After that, everything goes smoothly. But Messianics often seem to be so concerned with possible ‘burdens’ that they actually prefer to make matters more complicated and burdensome by their endless and repetitive discussions and quarrels on long-established matters, presumably having the idea that they should re-invent the wheel. As said, this is simply not a smart appraoch.

In its classic form, kashrut teaches us symbolically about two great truths of the Torah. The first is that there are things that are bad, e.g. stealing and lying, and that there are things that are good, e.g. honoring one’s parents and speaking the truth in love. This truth is symbolized by the distinction between kosher and treif. The second truth is that there are things that are good in their own right but cannot be combined with other things, e.g. family love and marital love, the combination of which is incest; or working for one’s bread and the Sabbath day, which constitutes a transgression of the Sabbath. Working for one’s bread is good and observing the Sabbath day is good, but working for one’s bread on the Sabbath day is not good. Marital love is good, and family love between children and parents and sisters and brothers is good. But both cannot be combined in one and the same relation. This truth is symbolized by the separation of milk and meat.

Kashrut is full of spiritualtity and beauty, if kept in its entirety and according to its traditional standards. [4] Properly understood and observed, it gives us a ritual awareness in all situations of daily life, which is something to be experienced as a great blessing.

In his paper Hegg relegates everything that isn’t contained in the text of the Pentateuch to the level of rabbinic legislation, which in his eyes can be ignored. He doesn’t seem to realize that his opinion leads to a complete dissolution of traditional Jewish observance. The daily recitation of the Shema for example cannot be deduced from Scripture by historico-grammatical exegesis. Dt. 6:6-7 doesn’t say that we should recite the Shema twice daily. It says that “these words, which I command thee this day, shall be in thine heart”. It also says that we “shall talk of them when thou sittest in thine house, and when thou walkest by the way, and when thou liest down, and when thou risest up, &c”. But it never says that the Shema must be ‘recited’ — as part of the evening and morning prayers. This text doesn’t even properly single out the words of the Shema, for it simply refers to “these words, which I command thee this day”, which may indicate the Torah in general. [5]

Does the fact that the traditional obligation to recite the Shema twice daily cannot be demonstrated from Scripture by historico-grammatical exegesis imply that we can neglect it? Surely not. According to the traditional interpretation the reading of the Shema is indeed part of the scriptural commandments. Maimonides declares that it is expressed in the words : “and thou shalt talk of them” (Dt. 6:7). [6] Here we see how the commandments of the Written Torah are intricately interwoven with their interpretation and determination by the Oral Torah (and later rabbinic tradition). To ensure that we shall “talk of them”, i.e. that the words of the Written Torah are found in our mouth, we are told (by the Oral Torah) to recite that part of it which constitutes its spiritual center, the Shema. This result can never be obtained by historico-grammatical exegesis. It is born out of the halachic mindset to be attentive to all details of the text that may contain injunctions, and to devise practical clues on how to execute them. As a consequence of Hegg’s approach, however, the daily recitation of the Shema should fall under the same verdict as the separation of meat and dairy and be disapproved of as an ‘unbiblical’ practice.

This is only one illustration of the disastruous effects of disrespecting the Oral Torah and Jewish tradition. It leads to a type of observance which differs so much from the traditional, that in practical terms it will be viewed as establishing a new religion, based on the subjective exegesis of the biblical texts by individual ministers and their followers. Messianics should be aware of this typical Protestant pitfall of individualism.

As Messianics we should be firm in maintaining that Scripture has supreme authority. But this doesn’t imply at all the Calvinistic dogma of Sola Scriptura, making Scripture the only and exclusive source of authority. This dogma is never taught in Scripture itself.

________________

[1] Hegg, T., “Separating Meat & Milk: An Inquiry”, at: TorahResource.

[2] The traditional four criteria are: (1) that the muscular wall of the gizzard must be easy to peel off by hand; (2) that the bird doesn’t eat in the manner of hunters, which use their claws for capturing and holding their prey; (3) that they have three toes in front and one in the back; (4) that they have crops. The first two criteria are of primary, the other of secondary importance. Ducks and geese are kosher, despite the fact that they don’t have crops, since they fulfil the two primary and one additional criteria.

[3] View for example the following summary, in the Shulchan Aruch, at: Torah.org.

[4] The only exception to this for Messianics would be the rabbinic halachah on gentile wine, cheese and bread. To keep the rabbinic halachah on wine makes no sense for (Gentile) Messianics, since it stipulates that the wine becomes treif if a Gentile opens the bottle, even if before opening it was rabbinically kosher according to the strictest criteria.

[5] Rivkin 272: “The Pentateuch begins with the creation of the world; the Mishnah, with the reading of the Shema. The first laws commanded to Israel relate to the Passover, whereas the first tractate of the Mishnah deals with prayers not even mandated in the Pentateuch”. [Rivkin, E., A Hidden Revolution — Abingdon, Nashville 1978]

[6] Sefer HaMitzvot #10: “By this injunction we are commanded to read the Shema daily, in the evening and in the morning. This injunction is expressed in his words (exalted be he), And thou shalt talk of them“. [Maimonides, The Commandments. The Soncino Press — London, Jerusalem, New York 1967, 1984]

The Confusion of Protestantism

 

An interesting article, written by Niels Ebrup, was published last Sunday (March 18th) on the ScienceNordic website about the relation between Protestantism and the decline of religion in our Western civilization. When read from a Messianic perspective, it makes clear how essential external observances are for maintaining a religious culture and lifestyle. Catholicism has always recognized this essential place of the external. The Protestant Reformation was the first major religious movement which began to depreciate the external as an accidental or even superfluous aspect of Christianity. This has led to a considerable diminishing of a particular, distinct lifestyle, and to a loss of the sense of religious identity.

As Messianics we share the Protestant perception that many Catholic religious forms are irreconcilable with biblical Christianity. Protestantism, however, has thrown away Catholic forms without (re)introducing biblical ones. It created an empty space in which “faith” was the only important thing. Historically, Protestantism thus became an important starting point for the modern, secular view of life. By neglecting the basic biblical idea, expressed in the Torah, that all the domains of life have to be sanctified in particular ways, and by accepting life as it is (meaning: as it commonly met with), Protestantism in the long term has contributed to the decline of religion in modern culture.

Without introducing the idea of Torah observance, the article nevertheless implicitly demonstrates the problematic status of a culture without religious laws and outward rules and observances.

Ebrup’s observations are based on a recent Danish PhD dissertation by Matias Møl Dalsgaard, entitled: Det Protestantiske Selv (2012). The cover of this dissertation is shown in the picture above.

View: Niels Ebrup, “Protestantism has left us utterly confused”, at: ScienceNordic.