Archive for the 'Unitarianism' Category

Biblical Unitarianism Is Not Theological Rationalism

 

 

In the mind of Trinitarians Unitarianism is sometimes identified with theological rationalism, and there are Christian scholars who ascribe an Enlightenment mentality to those who reject trinitarian doctrine.[1] I think I can understand why this association is sometimes made. The motive for it seems to be twofold. The first motive why the association with rationalism is made is because a large section of those who hold unitarian beliefs are indeed rationalists who have departed from the biblical path of truth. They have left the biblical faith in the living G-d of Israel for a philosophical, often a deistic conception of the Deity.[2] The second motive, however, may be the following: When Christians begin to grasp the idea of a unitarian reading of Scripture, they are suddenly caught by a sense of simplicity and lucidity. They begin to discover that, in a certain measure, they can grasp what Scripture says, and the thick mist of traditional doctrine in this central domain of who or what is G-d starts to clear up for them.

However, after having perceived this clarity, they feel uneasy at first, because the unitarian hypothesis destroys the great dogmas of Church tradition, who were always presented to them to be accepted as “sacred mysteries of the faith”. Now these mysteries are exposed as human constructions and as not sacred at all. For true believers the recognition of this will always cause a sort of crisis accompanied by heavy emotions, because of their religious attachment to the person of Yeshua, who from childhood was venerated by them as divine, as being G-d Himself. The discovery that Yeshua is not G-d may result in a period of some bewilderment. If one is not determined to find out the truth, and has not a strong intellectual drive, one will probably give up when involved in this spiritual struggle. Religious ties to traditional doctrine are always very strong and, paradoxically, those who reject Unitarianism may often be not the more sincere believers. They reject it out of sincere, albeit mistaken, devotion.

This last mentioned state affairs may also contain one of the reasons why Unitarianism historically has at times indeed developed into rationalistic deviations, such as Deism and Universalism. It has attracted apostates and enemies of traditional Christianity, who were seduced to the conviction that, once the Trinity and the Incarnation were exposed as later Catholic additions and distortions of the Christian faith, the Virgin Conception of Messiah, the Atonement on the Cross — and, last but not least the Divine Inspiration of Scripture — had to be given up too.

In a biblical and messianic context it is essential, therefore, to emphasize that we are forced by Scripture, and by nothing else, to deny the doctrines of Yeshua’s Deity, the Incarnation (i.e. the doctrine that Yeshua is a G’d-man), and the Trinity. At some instances the authors of the One G’d one Lord book also show a certain tendency to glorify reason and science in an unbiblical manner, and to associate the Unitarian idea with the great discoveries of the Age of Enlightenment.[3] I think that one should be cautious here. Modern science has many aspects that are not biblical at all. I’m even inclined to the thought that science and technology as they exist now will not have a place in the Kingdom Age. Although this statement requires further study, it may be taken here for at least an indication that modern rationalism might not too quickly be equated with reason itself.

This leads me to a final thought on the theme of mystery. We as finite human beings will never be able to comprehend G’d. G’d will always remain a mystery for us, and escape our reason, even in the World to Come. As Unitarians we are not rationalists who, after having denied the illogical doctrine of the Trinity, can pretend to be able to comprehend G’d. This would be both illusionary and arrogant. The whole point, as I view it, is that a humble and unbiased reading and studying of Scripture leads to the rejection of the Trinity doctrine, in the same way as it leads to the rejection of for instance the doctrine of the immortality of the human soul. Of course a better understanding of Scripture implies a better understanding of G’d. But it does not imply a comprehension of the Infinite by limited human reason. In discussions with Trinitarians this should be kept in mind. Biblical Unitarians don’t want to diminish the greatness and glory of G’d, the unseizable mystery of his Being as the Origin of us and of all things. They only want to remove the absurdity and tastelessness of human doctrine, that dishonours Him.


[1] View for instance: “Distortian in Terms” In: Vern Sheridan Poythress, God-Centered Biblical Interpretation, Presbyterian and Reformed Publishing Company — Phillipsburg, New Yersey 1999, at: http://www.frame-poythress.org/Poythress_books/GCBI/BG15DisT.htm ; Robert M. Prize, “Postmodern Unitarian Universalism” In: Religious Humanism XXXI, # 1&2, winter/spring 1997; at: RMP Theological Publications: http://www.robertmprice.mindvendor.com/art_unitar.htm

[2] Cf. “Retreat From Reason: Ralph Waldo Emerson’s Influence on the Unitarian Church”, at: http://www.biblicalunitarian.com/modules.php?name=News&file=print&sid=49

[3] Cf. “The Rejection of both Scripture and Logic” (ch. 18, pp. 381-400) of: Mark H. Graeser, John A. Lynn, John W. Schoenheit, One God & One Lord: Reconsidering the Cornerstone of the Christian Faith, Christian Educational Services — indianapolis, Indiana 2003. Available at: http://www.christianeducational.org/bookpromo.html

Advertisements

« En het woord was G-d »

Enige opmerkingen over de anarthrous constructie in Joh. 1:1

 

Het eerste vers van het Johannes evangelie bestaat uit drie korte zinnen, verbonden door het nevenschikkend voegwoord ‘en’ (Gr. ‘kai’). De derde zin: « en het woord was G-d », luidt in het Grieks: « kai theos èn ho logos ». Deze zin wordt door orthodoxe theologen vaak opgevat als een bewijstekst voor de godheid van de Messias, Yeshua. We willen hier kort nagaan of deze gedachte bij nadere bestudering stand houdt.

In deze zin verschijnt het woord ‘theos’ (‘G-d’) in de zogenaamde anarthrous constructie. Dit is de constructie zonder lidwoord. Aangezien het Grieks alleen een bepaald lidwoord heeft, wordt deze constructie vaak benut in situaties waarin het Nederlands het onbepaalde lidwoord (‘een’) zou gebruiken. Daarnaast wordt deze constructie gebruikt om een woord een qualificerende functie, in het bijzonder de functie van predikaatsnomen, te geven.

In Joh. 1:1 komt deze constructie voor bij het woord ‘theos’. Op grond van deze gegevens liggen twee mogelijke vertalingen van Joh. 1:1c voor de hand. 1) « en het woord was G-d », en 2) « en het woord was een god ». Deze laatste vertaling is echter uit te sluiten op grond van het feit dat het onderwerp en het gezegde in omgekeerde volgorde voorkomen en het gezegde hier voorop staat. ‘ho logos’ (‘het woord’) is duidelijk het onderwerp. Het gezegde (‘theos’) staat hier echter voorop, ongetwijfeld met het oogmerk het te accentueren. Dit wijst erop dat ‘theos’ hier als qualificatie van ‘ho logos’ optreedt. Indien Johannes had willen zeggen dat het woord ‘een god’ is — en hij ‘god’ dus als soort- of geslachtsnaam had gebruikt, zoals dit gebeurt in bijv. Ex. 22:8-9 en Ps. 82  — zou hij de gewone volgorde van subject en predikaat hebben kunnen aanhouden. De zin zou dan luiden: « kai ho logos èn theos », en niet: « kai theos èn ho logos ».

Ter verduidelijking van het voorafgaande geef ik een overdreven letterlijke vertaling: « In het begin was het woord, en het woord was bij de G-d, en G-d was het woord ». Als we er half Grieks van maken is het makkelijker om te zien wat er hier aan de hand is. Er staat: « In het begin was de logos, en de logos was bij de theos, en theos was de logos.» In de laatste zin: «…, en theos was de logos » zijn er twee opvallende dingen aan de hand. Het eerste is, zoals gezegd, dat het onderwerp en het gezegde van de zin van plaats verwisseld zijn; het tweede is dat ‘theos’ zonder lidwoord verschijnt (en dus anarthrous is). Die twee dingen hangen onderling nauw samen. In deze zin: « en theos was de logos » is ‘de logos’ het onderwerp van de zin, ‘theos’ is het gezegde. Met andere woorden: ‘theos’ wordt hier gezegd van ‘de logos’.

Er wordt dus van de logos, het woord, gezegd dat hij G-d is, echter niet — en dat is uiterst belangrijk — dat hij de G-d is. ‘G-d’ (‘theos’) heeft hier een predikatieve functie, een functie als gezegde van de zin (predikaatsnomen), niet echter persé de functie om een bepaald zijnde of een bepaalde persoon aan te wijzen. Dat is de reden waarom het lidwoord is weggelaten. Dit is vergelijkbaar met het geval dat ik van Socrates zeg dat hij mens is. Ik laat dan het lidwoord bij ‘mens’ weg, want Socrates is niet de mens, maar mens (d.w.z. Socrates is menselijk qua wezen of aard). Wil ik nu bovendien juist het mens-zijn van Socrates beklemtonen, dan kan ik dit doen door de volgorde van onderwerp en gezegde om te keren en te zeggen: « Mèns is Socrates », in plaats van: « Socrates is mens ». Als ik echter zeg « Socrates is de mens », of ook: « De mens is Socrates », dan gaat de zin óf betekenen dat er maar één mens is, namelijk Socrates, óf dat Socrates zoiets is als de mens bij uitstek, de exemplarische mens. In de context van de Proloog van Johannes zou dit betekenen dat het woord de enige G-d, of de G-d bij uitstek, is.

Om op het laatste even door te gaan: Indien ‘theos’ hier een lidwoord zou hebben en er stond: « en de theos was de logos », dan zou het voor de hand liggen te veronderstellen dat ‘de theos’ het onderwerp zou zijn, en dan zou de zin betekenen dat G-d het woord zou zijn, en wel op zo’n wijze dat G-d helemaal zou opgaan in het woord-zijn. Maar als niettemin ‘de logos’ als het onderwerp zou worden beschouwd, zou de zin betekenen dat het woord de G-d zou zijn. Beide lezingen zouden erop neerkomen dat Johannes de bedoeling zou hebben de identiteit van G-d nader toe te lichten, en met deze zin zou willen verklaren dat het woord de ware G-d is. Maar dit staat er niet, en zou ook wringen met het eerder gestelde dat het woord bij G-d is.

Met het vooropzetten van ‘theos’ in: « en theos was de logos », valt de klemtoon bijgevolg op ‘theos’. Het G-d-zijn van het woord is dus wat hier beklemtoond wordt. Maar omdat ‘theos’ hier anarthrous is en een predikatieve functie heeft, een functie als gezegde, betekent dit niet dat hier gesteld wordt dat de logos de persoon van G-d is — zoals in « Mèns is Socrates » ook niet gesteld wordt dat Socrates de persoon ‘mens’ is. Veeleer wordt er gezegd dat de term ‘G-d’ de essentie of het wezen uitdrukt van de logos, en dus weergeeft wat of van welke aard de logos is. Dat kunnen we in het Nederlands alleen weergeven met een bijvoeglijk naamwoord: ‘goddelijk’.

Dit levert de volgende vrije vertaling, of parafrase, op voor Joh. 1:1: « In het begin was het woord, en het woord was bij G-d, en [geheel en al] goddelijk [van aard] was het woord ». Deze parafrase geeft volgens mij de betekenis van het Grieks nauwkeurig weer.

Orthodoxe (trinitarische) theologen hebben gelijk wanneer zij zeggen dat het feit dat het predikaat zonder lidwoord (anarthrous) is niet betekent dat het onbepaald is, en ‘een god’ zou betekenen. Het betekent niet ‘een god’, juist omdat het hier niet een persoon betekent of aanwijst, maar een kwalificatie, een eigenschap. Dat men juist hier veelal niet aan denkt komt omdat orthodoxe theologen er meest reeds van uitgaan dat ‘het woord’ een persoon aanduidt. Wie dat onbedacht aanneemt, komt inderdaad voor het dilemma te staan te moeten vertalen: « en het woord was G-d », zoals de traditie doet, of met een onbepaald lidwoord: « en het woord was een god », zoals bijv. de Jeh.-getuigen doen. En eenmaal in dat dilemma verzeild geraakt is het niet zo moeilijk om aan te tonen dat de vertaling: « en het woord was een god » niet erg geslaagd is. Want deze vertaling zwakt juist het G-d- of goddelijk zijn van het woord af, door — via het generieke gebruik van het woord ‘god’ — van het woord een mindere godheid te maken, terwijl Johannes nu juist de volstrekte goddelijkheid van het woord benadrukt, door ‘theos’ voorop te plaatsen. Staande voor dat dilemma is dus de traditionele vertaling heel begrijpelijk. Als men er echter niet a priori van uitgaat dat met ‘het woord’ of ‘de logos’ een persoon bedoeld is, komt ook dat dilemma helemaal niet op, en ligt een vertaling zoals ik die hierboven heb gegeven veel meer voor de hand.

Ook uit het feit dat het geslacht van ‘logos’ mannelijk is valt niets af te leiden voor het persoon-zijn van de logos. Dat het Griekse woordlogos’ mannelijk is, wil natuurlijk volstrekt niet zeggen dat de realiteit van de logos een persoon is; zoals ook het feit dat het woord ‘meisje’ in het Nederlands onzijdig is volstrekt niet wil zeggen dat meisjes geen personen zijn. Het gaat hier alleen om een woordgeslacht. ‘Zon’ is vrouwelijk in het Nederlands en ‘Maan’ mannelijk, net zoals in het Duits, maar het is duidelijk dat dit volstrekt niet betekent dat de Zon zelf een vrouwelijk wezen, laat staan een persoon is. Om die reden hebben ook vroegere vertalingen, zoals bijv. de engelse vertaling van Tyndale, met een gerust hart ‘it’ gebruikt om naar de logos te verwijzen. Als uit het mannelijk zijn van het woord ‘logos’zou volgen dat de logos als een persoon zou moeten worden opgevat, zou er ook uit volgen dat de logos als een persoon van het mannelijk geslacht zou moeten worden opgevat, wat toch wel heel ver — en volgens mij te ver — zou gaan.

Het is duidelijk dat de realiteit ‘woord’ of ‘logos’als zodanig geen persoon is. Juist daarom ligt hier de mogelijkheid van personificatie voor de hand, evenals bij een begrip als ‘sophia’, ‘wijsheid’. Johannes zegt dat het woord ‘bij’ G-d is, wat op een personificatie kan wijzen, maar ook een kernachtige aanduiding kan zijn van het feit dat het woord zich in de sfeer van G-d ophoudt, wat nog versterkt gezegd wordt door de daaropvolgende zin, die ik hierboven besproken heb: « en het woord was G-d ».

Uit Joh. 1:1c is dus geen bewijs te ontlenen voor de stelling dat de Messias een goddelijke persoon zou zijn. Integendeel, een nauwkeurige exegese van dit vers maakt duidelijk dat Joh. 1:1c handelt over de aard van de logos en stelt dat het woord goddelijk van aard is, zonder een tweede goddelijke persoon te zijn. De logos is als zodanig geen tweede persoon in G-d, maar is het woord van G-d, dat wil zeggen: G-ds gedachte, zijn voornemen of raadsbesluit, welke vlees wordt, namelijk een concrete menselijke gestalte aanneemt, in Messias Yeshua. De Messias is geen tweede goddelijke persoon, maar is de menselijke persoon waarin het woord van G-d belichaamd wordt.