Niet Vasten op Jom Kippoer? Een Lichtzinnige Verwerping van de Joodse Traditie

images (2)In een recent rondschrijven van Wim Verdouw, voorganger van de Immanuel Gemeente (of Gemeente van het Levende Woord) te Alblasserdam, wordt de stelling betrokken dat het vasten op de Verzoendag (Jom Kippoer) geen verplichting is volgens de instructies in Leviticus hst. XXIII en dat dit vasten daarom niet opgelegd mag worden. Het lijkt mij dat in deze stellingname een aantal misverstanden schuilgaan.

In de eerste plaats is het niet duidelijk wat Verdouw precies bedoelt. Bedoelt hij dat alleen de geboden voor Jom Kippoer die direct uit de schriftelijke Torah stammen verplichtend zijn? Of bedoelt hij dat alleen bijbelse instructies — inclusief de praxis zoals we die kunnen opmaken uit latere Bijbelboeken, waaronder de Apostolische Geschriften — verplichtend zijn?

Hoe dit ook zij, in ieder geval is er volgens Verdouw geen gebod in de geschreven Torah om tijdens de Verzoendag te vasten.

Het merkwaardige van Verdouw’s betoog is dat hij met deze conclusie de zaak als afgedaan beschouwt. Hij heeft geen oog voor de latere joodse traditie, en vergeet met name dat de bedieningen van Adon Jesjoea en de Apostelen — en daarmee de Apostolische Geschriften — in de context van die traditie staan.

Ongetwijfeld beschouwt Verdouw niet alleen de Torah maar ook de latere Bijbelboeken als gezaghebbend. Juist deze latere boeken maken echter duidelijk dat verplichtingen niet alleen direct voortvloeien uit de Torah maar ook kunnen berusten op traditie en instelling door gezaghebbende personen. Zo vermeldt het boek Esther de instelling van Poeriem, het Evangelie van Johannes bericht over de traditie van Chanoekah, en de profetie van Zacharia maakt gewag van vier vastendagen die onderdeel zijn geworden van de joodse liturgische kalender.

De traditie van het vasten op de Verzoendag wordt vermeld in de Handelingen der Apostelen, waar deze dag zelfs naar dit gebruik wordt benoemd als “de vasten” zondermeer (Hand. 27:9). Uit deze benaming kan opgemaakt worden dat het gebruik om te vasten op Jom Kippoer inmiddels een universele joodse gewoonte was geworden die ook door de Apostel Paulus naar alle waarschijnlijkheid werd gevolgd. Volgens Lukas hield Paulus zich namelijk aan de vastgestelde gewoonten en betuigde tegenover Festus dat hij noch tegen de wet der Joden, noch tegen de tempel, noch tegen de keizer iets had gezondigd (Hand. 25:8). De “wet der Joden” is hier ongetwijfeld de normatieve halachah van zijn tijd en niet maar alleen de schriftelijke Torah.

Lukas laat Paulus zijn betuiging van wetsgetrouwheid herhalen tegenover de Joden van Rome (in Hand. 28:17): “Mannen broeders, ik, die niets gedaan heb tegen het volk of de vaderlijke gewoonten, ben gebonden uit Jeruzalem overgeleverd in de handen der Romeinen […]”.

Dat het vasten op Jom Kippoer in Paulus’ tijd allang tot een universele gewoonte was geworden die niet meer voor praktische discussie vatbaar was, blijkt bovendien uit Philo van Alexandrie. In De Specialibus Legibus (1:186-187) lezen we: “Op de tiende dag [van de zevende maand] is de vasten, die zorgvuldig in acht wordt genomen, niet alleen door de ijverigen, uit vroomheid, maar ook door hen die in hun overige leven nooit iets godsdienstigs doen. Want allen zijn vol eerbied, overweldigd door de heiligheid van de dag, en gedurende die tijd wedijveren de slechteren met de beteren in zelfverloochening en deugd […]”. En in De Vita Mosis (2:24): “Na het feest van de trompetten wordt de plechtigheid van de vasten gevierd”.

Er zijn wat betreft het vasten op Jom Kippoer geen dissidente geluiden, en de overleveringen van de Sadduceeën, de Farizeeën en de Essenen stemmen wat dit betreft overeen. De bewijslast voor de aanname dat Jesjoea en zijn Apostelen deze vasten niet als verplichtend hebben beschouwd berust daarmee duidelijk bij de aanhangers van deze aanname, niet bij degenen die zich aansluiten bij de gewone traditie.

Verdouw wijst er op dat het woord ‘anâh (Strong #6031) dat in Lev. 23:27 & 29 gebruikt wordt, zich ‘verootmoedigen’ of ‘vernederen’ betekent, niet ‘vasten’. Dat is juist, maar dit roept onmiddellijk de vraag op hoe dit zich vernederen of verootmoedigen gestalte krijgt en concreet vorm gegeven moet worden op de Verzoendag. Het is namelijk niet zo, en kan niet zo zijn, dat dit ófwel aan het individuele geweten wordt overgelaten, ófwel in een puur geestelijke zin wordt uitgelegd. Een louter geestelijke vorm van ‘zich verootmoedigen’ is nu eenmaal moeilijk voor ons te vatten en dreigt het gebod juist te verzwaren wegens een gebrek aan harmonie met het lichamelijk handelen. Als men zich geestelijk verootmoedigt en vernedert voor HaSjeem, terwijl dit niet weerspiegeld wordt in en gepaard gaat aan lichamelijke daden, hoe weet men dan per slot dat men zich werkelijk verootmoedigt? De mens is toch een eenheid van lichaam en geest en moet de vereiste daden van verootmoediging dus als deze eenheid stellen. Een verootmoediging die alleen geestelijk is, kan moeilijk beschouwd worden als een verootmoediging van de hele mens.

De geestelijk-lichamelijke éénheid van de mens impliceert dat zijn godsdienstige observantie ook een concrete en uitwendig lichamelijke observantie dient te zijn. Vasten is dus een concreet lichamelijke en uitvoerbare vormgeving van het verootmoedigingsgebod van de Verzoendag.

Het overlaten van de concrete vormgeving aan het individuele geweten is niet in overeenstemming met de collectieve en nationale aard van de verootmoediging die vereist wordt, noch met de sanctie die op overtreding van dit gebod wordt gesteld, namelijk afgesneden worden (karet). Het gaat hier niet om een individuele religieuze expressie maar om een observantie van geheel Israel. Het spreekt daarom vanzelf dat de nationale autoriteiten (de priesters en de latere rabbijnen) de bevoegdheid hebben om het gebod toe te lichten en te specificeren, en om de precieze wijze waarop de vereiste verootmoediging haar beslag moet krijgen nader uit te werken. Een dergelijke collectieve verplichting kan namelijk bezwaarlijk in de handen van het individu gelegd worden.

Dat aan de joodse autoriteiten inderdaad de bevoegdheid moet worden toegekend om de Torah geboden nader uit te werken of om observanties toe te voegen blijkt bijvoorbeeld uit de vastendagen die niet op de Torah terug gaan doch niettemin verplichtend zijn, zoals de vastendagen van 17 Tammoez, 9 Av, 3 Tishri (de vasten van Gedaliah), en 10 Tewet. Deze vier vastendagen zijn — evenals de reeds genoemde festiviteiten van Poeriem en Chanoekah — later toegevoegde observanties, die niettemin door HaSjeem worden erkend.

Dit blijkt voor deze vastendagen uit Zacharia 8:19: “Want zo zegt HaSjeem der legerscharen: Het vasten der vierde, en het vasten der vijfde, en het vasten der zevende, en het vasten der tiende maand, zal het huis Juda tot vreugde, en tot blijdschap, en tot vrolijke hoogtijden wezen […]”. Het feit dat deze vastendagen tot feestdagen zullen worden gemaakt bij het definitieve herstel van Israel in het Messiaanse Rijk, bevestigt dat de autoriteiten zich niet vergist hebben door juist deze dagen tot jaarlijkse vastendagen uit te roepen. Want indien hier van vergissing of ongeoorloofd ingrijpen sprake was, dan zou HaSjeem deze dagen zeker niet markeren door ze in de eindtijd tot feestdagen te verheffen. Dan zouden het gewone dagen geworden zijn. De verheffing tot feestdagen, echter, houdt de herinnering vast aan het feit dat deze dagen eens vastendagen waren en bekrachtigt dus hun instelling.

Dat de joodse autoriteiten ook de bevoegdheid hebben om de geboden van de Torah nader de specificeren en uit te werken blijkt bijvoorbeeld uit de halachische bepalingen die gelden voor de Soekah of loofhut. Nergens in de Torah, noch in de andere bijbelse geschriften, wordt een bepaling of definitie gegeven van de Soekah of wordt uitgelegd welke precieze eisen ervoor gelden opdat aan het voorschrift om zeven dagen in een hut te wonen kan worden voldaan. Uit Neh. 8:16-18 blijkt dat men de hutten van takken maakte. Maar deze passage geeft geen antwoord op de vragen of een Soekah geheel en al uit takken moet worden opgebouwd of wat in het algemeen de minimum vereisten zijn waaraan de Soekah moet voldoen wil ze inderdaad een Soekah zijn. Ook geeft deze passage geen antwoord op de belangrijke vraag of een open dak waardoor men de hemel kan zien — een traditioneel halachisch vereiste — strikt nodig is voor de geldigheid van de Soekah. Deze vragen worden in de Schrift nergens beantwoord. Toch is een antwoord op deze vragen nodig voor de concrete uitvoering van het gebod om in een Soekah te wonen gedurende het Loofhuttenfeest. Anders tast men in het ongewisse en weet men niet wat men moet doen, met als resultaat dat iedereen maar doet zoals het hem in zijn eigen ogen goed dunkt. Individuele willekeur kan echter nooit de bedoeling van de Torah zijn.

Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor de categorieën van verboden activiteiten op de Sjabbat, die niet direct door de Torah worden gegeven, doch afgeleid moeten worden uit de werkzaamheden die nodig waren om de tabernakel te bouwen.

Uit het voorafgaande blijkt wel afdoende dat de vasten van Jom Kippoer een oude traditie is waarvan we niet met reden kunnen betwijfelen dat ze ook door Adon Jesjoea en de Apostelen, waaronder Paulus, werd onderhouden. Aangezien wij navolgers van Jesjoea dienen te zijn, en Paulus ons oproept om zijn navolgers in de Messias te zijn, hebben we zeker geen afdoende argumenten om het vasten op Jom Kippoer niet als een verplichte maar slechts als een vrijwillige observantie te beschouwen, zoals Verdouw wil.

Bovendien roept deze door Verdouw voorgestane vrijwilligheid allerlei vragen op. Als men eenmaal mag eten en drinken op Jom Kippoer, wat is dan de gepaste maat en wat is geoorloofde spijs en drank op deze dag? Mag men net zoveel eten als men wil, of is dit niet in overeenstemming met de geest van zelfverloochening en verootmoediging? Is wijn geoorloofd als Jom Kippoer op een wekelijkse Sjabbat valt, of past dit niet bij het karakter van Jom Kippoer? En wat de andere traditionele verboden betreft, deze beschouwt Verdouw ongetwijfeld evenmin als verplichtend, want ook deze staan niet in de schriftelijke Torah vermeld. Het zou dus geoorloofd zijn zich te parfumeren, en voor gehuwden om op Jom Kippoer sexuele relaties te hebben. Men vraagt zich daarbij af of er onder deze permissieve condities nog enige concreet uitwendige verootmoediging en ontzegging overblijft. Zoiets, dat behoeft men nauwelijks te beargumenteren, is totaal ongeloofwaardig. Het is een complete aanfluiting van de sfeer van de Verzoendag.

Verder is de opvatting die Verdouw over vasten in het algemeen verkondigt bijbels gezien niet houdbaar. Hij stelt: “Vasten geeft wel uitdrukking aan ons nederig verlangen om dichter tot G’d te naderen, maar velen begrijpen niet, wat de juiste redenen zijn om te vasten. Vasten is niet bedoeld om G’d te laten toegeven aan onze wil. We vasten niet om iets van G’d te ontvangen, maar eerder vanwege Zijn overvloedige barmhartigheid en vergeving voor onze menselijke zwakheden”.

In zijn studie: Vasten voor G’d. Een geestelijke en praktische handleiding, merkt Arthus Wallis op (p.53): “Natuurlijk moeten wij niet denken dat het vasten zoiets is als een hongerstaking, waardoor wij G’d kunnen dwingen en wij onze eigen zin kunnen doordrijven”. Er zal echter nauwelijks iemand zijn die een dergelijke heidense opvatting over het vasten zal verbinden met de verootmoediging en schuldbelijdenis op Jom Kippoer. Bovendien ontgaat het Verdouw blijkbaar dat het gebed evenmin als het vasten bedoeld is om G’d te laten toegeven aan onze wil. Het mogelijke misbruik van het vasten geldt evenzeer voor het gebed. Ook het gebed kan op magische wijze misbruikt worden in een poging G’d naar onze hand te zetten. Moeten we dus ook maar van het gebed afzien wegens dit mogelijke misbruik? Natuurlijk niet. Eventueel misbruik moet gecorrigeerd worden door terugkeer tot de juiste gebedshouding. Dit geldt dus ook voor het vasten.

Wanneer Verdouw echter zegt dat we niet vasten om iets van G’d te ontvangen, moet dit beslist als onjuist van de hand worden gewezen. Jes. 58:6-9 verbindt de goddelijke zegen en de verhoring van het gebed aan het juist uitgevoerde vasten. Dat waar de profeet zich tegen keert is een ritueel vasten zonder een moreel juiste houding en zonder bekering van zonden (in Jes. 58:1-5).

Een sprekend voorbeeld van een gebedsverhoring gepaard aan vasten is het geval in het verhaal over de ontsporing van de stam Benjamin in Richteren hst. XX. Ik citeer Wallis: “De Benjaminieten hadden iets verschrikkelijks misdreven en G’d zei tegen de andere stammen dat ze tegen hen ten strijde moesten trekken. Dat deden zij, maar tot tweemaal toe werden ze jammerlijk verslagen, hoewel ze gebeden en geweend hadden voor de Heer. De derde keer vastten zij bij hun wenen en G’d gaf hun een machtige overwinning”.

Dat G’d tot andere gedachten kan worden gebracht door vasten zien we in het bijzonder in het Boek Jona — dat op Jom Kippoer wordt gelezen — waarin het oordeel over Ninevé wordt afgewend door berouw met bidden en vasten. Dit betekent in het geheel niet dat vasten een magisch middel is. Dat dachten zelfs de heidenen in Ninevé niet. Hun overweging was: “Wie weet, G’d mocht zich wenden, en berouw hebben; en hij mocht zich wenden van de hittigheid van zijn toorn, dat wij niet vergingen!” (Jona 3:9). Dit is een zinvolle en eerbiedige overweging, juist vanuit de gedachte dat de mens een geestelijk-lichamelijke eenheid is. Woorden alleen bewijzen vaak niet duidelijk genoeg dat het ons menens is met ons gebed en onze ommekeer. Wanneer het gebed daarentegen gepaard gaat aan vasten, is er sprake van een concrete handeling waaruit blijkt dat de mens zich achter zijn gebedsintentie schaart en er werkelijk iets voor over heeft.

Het is mijn indruk dat Verdouw’s opvatting over het vasten voortkomt uit misplaatste en typisch protestantse scrupules over een mogelijke aantasting van G’ds vrijheid en soevereiniteit. Het is in het Protestantisme altijd een probleem geweest om goddelijke en menselijke activiteit samen te denken. Het Protestantisme denkt geloof en werken, genade en menselijke wilsvrijheid, als principiële opposities, en heeft de neiging de problemen die uit deze wijze van denken ontstaan op te lossen door één der tegengestelden te elimineren. Zo hebben de Calvinisten bijvoorbeeld de betekenis van de werken en zelfs de vrije wil ontkend.

In werkelijkheid komen deze opposities voort uit een fundamentele theologische en filosofische dwaling, namelijk het op één lijn plaatsen van de goddelijke en de menselijke activiteit. Men meent dan dat daar waar G’d werkt geen menselijke activiteit kan zijn, omdat de mens nu eenmaal voor G’d moet wijken. Maar dit is een misplaatste opvatting over G’d, die juist G’ds soevereiniteit, aantast. G’ds werkzaamheid is namelijk die van een transcendente oorzaak. De mens en diens activiteiten staan daarmee niet in een concurrentie verhouding. G’d werkt juist in en door die menselijke activiteit. G’ds soevereine genade heft daarom de vrijheid van de vrije wil niet op maar maakt deze wil juist vrij tot het antwoord op deze genade.

Evenmin zijn geloof en werken absolute tegenstellingen. Het geloof is immers zelf een menselijke activiteit, evenals de werken. Weliswaar is het geloof een bovennatuurlijke gave en wordt het door G’d in de mens veroorzaakt, maar dit geldt even goed van de werken die bij het geloof horen. Ook deze worden door G’d veroorzaakt. Van het geloof en de daarbij passende werken is echter de mens het dragende subject, niet G’d. Anders gezegd, de mens is de eigenlijke uitoefenaar of steller van de geloofsakt en de daarbij behorende goede werken, niet G’d. Het is niet G’d die gelooft, of een geloofswerk verricht, maar de mens. Niettemin worden dit geloof en dit geloofswerk veroorzaakt door G’d.

Ook bidden en vasten zijn geen tegengestelden. Het rechtgeaarde vasten is bidden met het lichaam en het rechtgeaarde gebed kan een geestelijk vasten genoemd worden omdat het alles afweert en terzijde stelt wat het contact met G’d in de weg staat.

Het vasten en de overige restricties van Jom Kippoer zijn denkelijk juist ingesteld om het gebed en de ommekeer te concretiseren en zo de hele mens erbij te betrekken. Deze restricties zijn bovendien praktisch de enige mogelijkheid tot concrete actie op Jom Kippoer, aangezien op deze dag een algeheel werkverbod geldt. Men kan niet op Jom Kippoer zelf dingen goedmaken, zoals bijvoorbeeld een vergoeding geven voor schade die men een ander heeft aangedaan. Men moet dit bij voorkeur van tevoren doen. Als iemand zich echter pas tijdens de Verzoendag herinnert dat hij iemand schadevergoeding of geld schuldig is, kan hij niet eerder dan na afloop de zaak werkelijk recht zetten. Maar tijdens de dag heeft hij de gelegenheid op rituele wijze te laten merken dat het hem wat dit recht zetten betreft menens is, doordat hij zijn smeekgebeden en berouw verbindt met restricties die moeite kosten en die een concreet-lichamelijke vormgeving van zelfverloochening, nederigheid en ootmoed inhouden. Dit zijn de vijf restricties van Jom Kippoer: (1) onthouding van spijs en drank; (2) onthouding van zich wassen; (3) onthouding van zalving en parfumering; (4) onthouding van sexuele relaties; (5) onthouding van leren schoeisel.

Deze vijf restricties zijn niet alleen maar uiting en lichamelijke expressie van onze geestelijke houding van ootmoed; ze roepen omgekeerd ook zelf deze geestelijke houding op. In tegenstelling tot de engelen is het is de mens immers niet gegeven zich onmiddellijk op het geestelijke te richten. Voor hem zijn kennis van en gerichtheid op het geestelijke alleen mogelijk via de uitwendige lichamelijke en zintuiglijke orde. Daarom nemen de lichamelijke en zintuigelijke aspecten van de religie zo’n belangrijke plaats in de Torah in. Zij maken op een tastbare en concrete manier het geestelijke toegankelijk voor de mens. Dit gebeurt door middel van het kasjroet, de Sjabbat en de feestdagen, het reinigingsbad van het mikwe, &c, kortom in heel de observantie. Daarom moet deze observantie ook zoveel mogelijk vrij blijven van individuele willekeur. Wij hebben niet de vrijheid naar eigen individueel inzicht de traditie te veranderen of te beknotten.

Dit laatste betekent vanzelfsprekend niet dat men zich aan tradities zou moeten onderwerpen die tegen de leer van Adon Jesjoea en de Apostelen ingaan. Maar er is geen legitieme reden zich zomaar tegen tradities te verzetten omdat deze niet uitdrukkelijk in de Torah of in andere Bijbelboeken zijn te vinden. Het Jodendom is nimmer een sola Scriptura religie geweest, en het sola Scriptura axioma van de protestantse reformatie is in de Bijbel zelf niet te vinden.

De oude en gezaghebbende traditie om op Jom Kippoer te vasten is op geen enkele wijze in strijd met de Torah en de profeten, noch met de leer van Adon Jesjoea en zijn Apostelen. Zoals boven aangetoond werd deze traditie naar alle waarschijnlijkheid door Jesjoea en zijn leerlingen in acht genomen. Waarom zou men dus de veilige bedding van deze traditie verlaten en iets anders gaan doen? Zou dit werkelijk ootmoedig en nederig zijn? Ik denk dat het juist hoogmoedig en lichtzinnig zou zijn om te pogen iets anders te doen of in te stellen. Dan vervangt men namelijk de traditionele autoriteiten door de eigen subjectieve en zelfverklaarde autoriteit en raakt men alleen maar verder van huis.

Advertisements

0 Responses to “Niet Vasten op Jom Kippoer? Een Lichtzinnige Verwerping van de Joodse Traditie”



  1. Leave a Comment

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s





%d bloggers like this: